Leven en dood zijn de twee oevers waar tussen ieder mens zijn weg zoekt. Op Allerheiligen en Allerzielen denken we aan hen die ons zijn voorgegaan, maar ook aan onze eigen plaats in de stroom van de tijd.
Wij zijn al mal, ’t is ons geval
wij willen ’t ook wel weten.
In ’t aardse dal maken wij geschal,
ons wijsheid is versleten.
Wij en kennen groen wit zwart noch rood,
waar vindt men meerder dwazen?
Onze zotheid is zo groot,
zij blijft ons bij tot in der dood,
wij en kunnen niets dan razen.
Deze verzen komen uit het Narrenschip (Das Narrenschiff) van Sebastian Brant (1457-1521), een Duitse humanist, jurist en schrijver uit Straatsburg. In dit beroemde werk uit 1494 vaart een schip vol dwazen naar het denkbeeldige land Narragonia. Elke passagier vertegenwoordigt een menselijke tekortkoming: hoogmoed, ijdelheid, hebzucht, zelfoverschatting of koppige dwaasheid. Brant hield zijn tijdgenoten een spiegel voor, maar meer dan vijf eeuwen later blijft zijn boodschap meer dan ooit actueel: de mens acht zich wijs, terwijl hij vaak blind blijft voor zijn eigen tekortkomingen.
Op een dag zetten wij allemaal voet aan wal. Laat ons volgens de aloude traditie een kaarsje branden voor wie ons is voorgegaan. En misschien ook eens in de spiegel kijken, op 1 november nog meer dan op andere dagen. Men zou kunnen hopen dat wij dan tenminste onze menselijke dwaasheid kunnen achterlaten. Of moeten wij die juist meenemen, opdat deze toch al wat dolgedraaide wereld er eindelijk van verlost zou worden?
01.11.2026
Op 31 oktober 1587 werd de universiteitsbibliotheek van Leiden officieel opgericht. De geschiedenis van deze instelling begint met een belangrijke bijdrage van een geleerde uit Brugge: Bonaventura Vulcanius (1538-1614).
Vulcanius, geboren als Bonaventura De Smet, was hoogleraar Grieks aan de jonge universiteit van Leiden. Hij bezat een belangrijke verzameling boeken en handschriften. In 1587 werden 57 boeken en handschriften uit zijn collectie aangekocht door de universiteit. Samen met de schenking van theologische boeken door Johannes Holmannus vormde dit een belangrijke basis voor de nieuwe bibliotheek.
Een bijzonder detail: al bij de stichting van de universiteit in 1575 had Willem van Oranje een achtdelige Polyglotbijbel geschonken, gedrukt door de Antwerpse drukker Christoffel Plantijn.
NOORD EN ZUID
Vulcanius kwam uit Brugge. Maar hoe groot was de bijdrage van geleerden uit de Zuidelijke Nederlanden aan de wetenschappelijke en culturele bloei van de Noordelijke Nederlanden?
Wie de geschiedenis van de jonge Leidse universiteit bestudeert, merkt hoe opvallend veel geleerden afkomstig waren uit Brabant, Vlaanderen en Artesië.
Enkele andere markante namen:
CAROLUS CLUSIUS (1526-1609)
Geboren als Charles de l’Ecluse in Atrecht uit een familie afkomstig uit de Leiestreek. Arts, humanist en een van de grondleggers van de moderne plantkunde. Hij werd in Leiden de eerste prefect van de botanische tuin, de Hortus Botanicus, die in 1594 werd aangelegd. Zijn internationale contacten en botanische kennis maakten hem tot een van de belangrijkste wetenschappers van zijn tijd.
REMBERT DODOENS (1517-1585)
Geboren in Mechelen. Arts en botanicus, vooral bekend om zijn beroemde Cruydeboeck uit 1554, een baanbrekend werk over planten en hun geneeskrachtige eigenschappen. Hij werd in 1582 hoogleraar geneeskunde aan de universiteit van Leiden.
FRANCISCUS RAPHELENGIUS (1539-1597)
Geboren in Lannoy, in het huidige Frans-Vlaanderen. Humanist, drukker, uitgever en kenner van de Oosterse talen. Hij werd hoogleraar Hebreeuws in Leiden en speelde een belangrijke rol in de verspreiding van wetenschappelijke en humanistische werken. Hij was de schoonzoon van Christoffel Plantijn en zette diens Leidse drukkerijactiviteiten verder.
SIMON STEVIN (1548-1620)
Geboren in Brugge. Wiskundige, ingenieur en natuurwetenschapper. Stevin vestigde zich in 1581 in Leiden en schreef zich op 16 februari 1583 in als student aan de universiteit. Hij studeerde er wiskunde en doceerde later zelf theoretische en toegepaste wiskunde. In Leiden kwam hij in contact met prins Maurits van Nassau, van wie hij de wiskundige leermeester werd.
LUCAS TRELCATIUS (1542-1602)
Geboren in Dowaai, in het huidige Frans-Vlaanderen. Theoloog en predikant. Hij werd hoogleraar theologie aan de universiteit van Leiden en behoorde tot de belangrijke vertegenwoordigers van de gereformeerde theologie.
En dan is er nog een naam die in dit verhaal absoluut niet mag ontbreken:
CHRISTOFFEL PLANTIJN (1520-1589)
Geboren in Saint-Avertin, nabij Tours in Frankrijk, maar vooral bekend als de beroemde Antwerpse drukker en uitgever. Zijn Officina Plantiniana groeide uit tot een van de belangrijkste drukkerijen van Europa. Hij drukte onder meer de beroemde meertalige Polyglotbijbel. In 1583 vestigde hij ook een drukkerij in Leiden, waar hij als universiteitsdrukker actief was. Zijn Leidse activiteiten vormen een belangrijke schakel tussen de wetenschappelijke wereld van het Zuiden en die van het Noorden.
Zijn schoonzoon Franciscus Raphelengius zette deze activiteiten voort.
WAT BETEKENDE DEZE ZUID-NEDERLANDSE INBRENG VOOR DE BLOEI VAN HET NOORDEN?
De zestiende eeuw was een periode van grote politieke en religieuze omwentelingen. De Opstand, de godsdienstige conflicten en vooral de val van Antwerpen in 1585 brachten een belangrijke migratiebeweging op gang.
Geleerden, drukkers, kunstenaars, kooplieden en ambachtslieden uit de Zuidelijke Nederlanden trokken naar het Noorden. Velen vonden er een nieuwe werkplek, bescherming en mogelijkheden om hun kennis verder te ontwikkelen.
Ze brachten niet alleen hun boeken mee, maar ook hun talenkennis, wetenschappelijke inzichten, internationale contacten, ervaring en intellectuele netwerken.
De jonge universiteit van Leiden is daarvan een bijzonder sprekend voorbeeld. De aanwezigheid van figuren als Vulcanius, Clusius, Dodoens, Raphelengius, Stevin en Trelcatius toont hoe sterk de intellectuele wereld van Noord en Zuid met elkaar verbonden was en bleef.
De Gouden Eeuw van het Noorden had ook wortels in het Zuiden.
De Zuidelijke Nederlanden waren ook een kweekvijver van kennis, wetenschap, humanisme, boekdrukkunst en ondernemerschap. Een deel van dat intellectuele kapitaal werd naar het Noorden overgebracht en droeg er bij aan de ontwikkeling van universiteiten, wetenschap en cultuur.
De geschiedenis van Leiden herinnert ons eraan dat de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden, ondanks hun politieke scheiding, eeuwenlang één grote intellectuele ruimte vormden.
HET LAATSTE WOORD IS AAN JOHAN HUIZINGA
„Het afgelegen Holland ging op elk gebied bij het rijkere en oudere Zuiden ter schole.”
— Johan Huizinga, in ‘Duitschland’s invloed op de Nederlandsche beschaving’, in Verzamelde werken, deel II
31.10.2026
Filmregisseur Louis Malle: begrijpen in plaats van oordelen
Op 30 oktober 1932 werd filmregisseur Louis Malle geboren in Thumeries, een dorpje ten zuiden van Rijsel. Via zijn moeder was hij verwant aan de Frans-Vlaamse industrieel Fernand Béghin, eigenaar van de bekende suikerfabrieken Béghin. Zijn vader, Pierre Malle, leidde één van de ondernemingen binnen dat familie-imperium.
Louis Malle koos echter niet voor de familiale traditie. Hij groeide uit tot een van de markantste Franse filmmakers van de twintigste eeuw. In meer dan dertig films schuwde hij gevoelige en controversiële thema’s niet.
Enkele van zijn bekendste werken:
• Le Feu Follet (1963), naar de roman van Pierre Drieu La Rochelle, over depressie en zelfmoord.
• Lacombe Lucien (1974), over een jongeman die tijdens de Tweede Wereldoorlog in het collaboratiemilieu terechtkomt.
• Au revoir les enfants (1987), een aangrijpend verhaal over de deportatie van Joodse kinderen tijdens de oorlog.
Louis Malle stond bekend om zijn niet-moraliserende aanpak. Hij observeerde zijn vaak controversiële personages en probeerde hun handelen te begrijpen. Hij veroordeelde hen niet, maar sprak hen evenmin vrij. In zijn films blijkt de grens tussen goed en kwaad soms verrassend dun. Toeval, karakter en omstandigheden spelen daarbij vaak een grotere rol dan ideologische overtuigingen.
Vooral Lacombe Lucien zorgde voor controverse. De regisseur kreeg het verwijt de collaboratie te vergoelijken omdat hij geen expliciet moreel oordeel uitsprak. Volgens Malle was de kijker volwassen genoeg om zelf zijn oordeel te vormen. Een houding die ook vandaag nog verfrissend aandoet in een tijd waarin velen sneller oordelen dan proberen te begrijpen.
CITATEN
“Ik verkies dat de kijker de zaal verlaat met vragen dan met antwoorden.”
“Als je van ergens anders komt, zie je dingen die de mensen die er leven niet meer opmerken.”
“De herinnering is niet bevroren. Ze leeft, beweegt en verandert voortdurend.”
Drie eeuwen eerder had de Nederlandse filosoof Baruch Spinoza dat streven al kernachtig samengevat:
“Niet lachen, niet veroordelen, niet haten, maar begrijpen.”
(naar Spinoza’s beroemde formulering Non ridere, non lugere, neque detestari, sed intelligere uit de Tractatus Politicus, 1677).
Dit slot werkt sterk omdat het niet zomaar een los citaat toevoegt, maar de centrale gedachte van uw tekst nog eens onderstreept: begrijpen vóór oordelen. Dat is precies wat Louis Malle als filmmaker nastreefde.
30.10.2026
In De vrolijke wetenschap schrijft Friedrich Nietzsche:
“Ik wil steeds meer leren om het noodzakelijke in de dingen als mooi te zien. Zo zal ik een van degenen worden die de dingen mooi maken. Amor fati: laat dat voortaan mijn liefde zijn!”
Gisteren ging het in Fara over lezen. In de kakofonie van het debat probeerde prof. Freek Van de Velde het belang van boeken te onderstrepen. Terecht. Lezen helpt ons beter begrijpen, ontleden, schrijven, onthouden en spreken.
“Alles wat ik weet, weet ik van een ander”, zong Herman van Veen. Als autodidact heb ik het meest geleerd uit boeken. Mijn leeshonger erfde ik van mijn vader, die ze op zijn beurt van zijn moeder had. Voor een arbeiderszoon was lezen zijn universiteit. En het zou ook de mijne worden.
Mijn vader las ongeveer één boek per dag. Hij werkte zijn hele leven bij de spoorwegen en bracht geregeld achtergelaten detectiveromans mee naar huis. Ik heb er later heel wat van gelezen.
Of leestalent erfelijk is weet ik niet. Feit is dat ik al heel vroeg kon lezen. In de lagere school van Kaaster was er een kleine bibliotheek met enkele honderden boeken. Ik heb ze bijna allemaal meermaals gelezen. Jules Verne, Alexandre Dumas, Jack London, Maxence Van der Meersch… Ik ruik die boeken nog. Ik zie de kaften nog voor me.
Na vijfentwintig jaar werken in zowel Vlaanderen als Nederland is mij altijd één verschil opgevallen: Nederlanders lijken meer te lezen. Wanneer ik er bij mensen thuis kom, zie ik wel eens een goed gevulde boekenkast. Boeken maken er meer deel uit van het dagelijkse leven. Misschien heeft de protestantse traditie, met haar nadruk op het gelezen woord, daar iets mee te maken.
Ook in het bedrijfsleven merkte ik het belang ervan. Lezen is meer dan woorden ontcijferen. Het is ook hoofdzaak van bijzaak onderscheiden zonder iets belangrijks te missen.
Daarom stelde ik sollicitanten vaak twee eenvoudige vragen: wanneer kocht u voor het laatst een boek? En wanneer las u voor het laatst een boek?
Wat me verbaasde, was hoe weinig universitair geschoolde kandidaten nog lazen. Soms gaf ik iedere kandidaat een boek mee over onze sector. Tijdens het volgende gesprek vroeg ik wie het gelezen had en wat eruit was bijgebleven. Bij gelijke diploma’s en ervaring kon dat doorslaggevend zijn.
LEESHONGER
Versta me niet verkeerd. Ieder leest zoals hij gebekt is. Maar nooit een boek lezen en kennis uitsluitend van schermen halen, zegt toch iets.
Mijn ideale leesweek bestaat uit vier of vijf boeken tegelijk: een herlezing uit mijn bibliotheek, een geschiedenis- of biografieboek, iets over taal en een filosofisch werk om de dag mee af te sluiten.
Ik onderstreep, noteer, vergelijk en zoek verder. Ik lees zelden van begin tot einde. Daardoor lees ik weinig romans. Boeken zijn voor mij eerst gesprekspartners en dan verhalen.
Op mijn leestafel liggen deze week onder meer Kurt Ravyts’ Wit zwart of vele tinten grijs?, Pieter Jan Verstraetes Hendrik Jozef Elias en het Oekraïens nationalisme, Michel Onfrays La sculpture de soi en Martien J.G. de Jongs Vadertaal en Moederland.
De titel van deze overpeinzing verwijst overigens nog altijd naar Nietzsche. In Ecce Homo wijdt hij een hoofdstuk aan de vraag: “Waarom ik zo slim ben.”
Wellicht omdat hij las.
29.10.2026
Mijn leeshonger doet mij uw grafische prestaties lezen !
Van Boetcker en Lincoln tot de schoolstraat van vandaag: tien oude stellingen en vijf actuele doordenkertjes.
In een oude papieren agenda uit 1998 vond ik bij 28 oktober deze notitie terug: 10 CN – Lincoln. Dat is inmiddels 28 jaar geleden. Een hele poos dus.
Mijn loopbaan als CEO sloot ik zes jaar geleden af. Zonder om te kijken, maar daarom nog niet vergeten.
Voorafgaand aan sociale discussies lanceerde ik graag enkele paradoxale stellingen, als kleine ballonnetjes om te peilen hoe men in ons bedrijf tegenover bepaalde aandachtspunten stond. Een spiegel voorhouden werkt nu eenmaal vaak beter dan met verbodsbepalingen te zwaaien.
Daarbij maakte ik graag gebruik van de zogenaamde Ten Cannots, die destijds aan Abraham Lincoln werden toegeschreven.
Ik geef ze hier even in het Nederlands. Misschien hebben mijn lezers er ook iets aan.
Eerst deze tien stellingen lezen en daarna overgaan tot de orde van de dag: dat hielp weleens. Zelfs in gesprekken met de vakbonden. 😊
NIET VAN LINCOLN, WEL VAN EEN PREDIKANT
Toen Ronald Reagan deze Ten Cannots in 1992 tijdens een toespraak voorlas, verwees ook hij naar president Abraham Lincoln als auteur.
Jarenlang werden de uitspraken inderdaad aan Lincoln toegeschreven. Historisch onderzoek wees echter uit dat ze afkomstig waren van William John Henry Boetcker (1873-1962), een in Duitsland geboren Amerikaanse predikant en spreker, die zich ook bezighield met arbeidsverhoudingen.
Boetcker publiceerde zijn uitspraken in 1916. De verwarring over het auteurschap ontstond mede doordat ze later werden verspreid op pamfletten waarop ook authentieke uitspraken van Lincoln stonden. Zo raakten de namen met elkaar verward.
PARADOXALE STELLINGEN VOOR DE SCHOOLGAANDE BETOGER
Je kunt dezelfde formule ook toepassen op actuele kwesties. Neem bijvoorbeeld de schoolgaande jongeren die vandaag de straat op trekken om hun eisen kracht bij te zetten.
Wat als we hun eens de volgende vijf doordenkertjes voorleggen?
Geen groot gelijk, maar stellingen die uitnodigen tot nadenken en discussie.
En als toemaatje een zesde doordenkertje:
Je kunt geen gelijk halen met eisen die je niet eens foutloos kunt opschrijven. 😊
28.10.2026
Vandaag is het 170 jaar geleden, op 27 oktober 1856, dat Albrecht Rodenbach in Roeselare werd geboren. De dichter groeide uit tot een van de belangrijkste figuren van de Vlaamse ontvoogdingsbeweging.
Rodenbach was trots op zijn Duitse, adellijke afkomst. De stamvader van de Vlaamse familie Rodenbach werd in 1714 geboren in Andernach, aan de linkeroever van de Rijn. Aan de overkant, nabij Neuwied, ligt bovendien een plaats die eveneens Rodenbach heet. Ook de legende van ridder Rodenbach, die zijn zwangere vrouw verlaat om de strijd aan te gaan met heer Von Schnellen, voert ons naar het Duitse Odenwald.
VLIEG DE BLAUWVOET
De beroemde strijdkreet “Vliegt de Blauwvoet, storm op zee!” ontleende de Vlaamse beweging aan Rodenbachs Lied der Vlaamsche Zonen. Zelf vond Rodenbach de leuze terug bij Hendrik Conscience, in diens roman De Kerels van Vlaanderen.
Toen leerlingen van het Klein Seminarie van Roeselare het lied wilden zingen, werd het onmiddellijk door de superior verboden. De studenten bedachten echter een uitweg. In plaats van de verboden leuze te roepen, bootsten ze de roep van de vogel na:
“Keh! Keh! Keh! – Keh! Keh! Keh!”
Zo werd die kreet zelf een teken van verzet.
Symboliek
Sindsdien wordt de blauwvoet meestal afgebeeld als een jan-van-gent, een vogel waarvan men volgens het volksgeloof zei dat zijn verschijning een storm aankondigde.
Historisch verwijst de blauwvoetsymboliek naar een strijd tussen twee kampen in het middeleeuwse Veurne-Ambacht: de Blauwvoeten en de Ingrekins of Isegrims. Die vete werd later door de romantische literatuur verder uitgewerkt.
In het paasnummer van De Vlaamsche Vlag schreef Rodenbach in 1876, onder het pseudoniem Harold:
Ghi Isegrim hoedt u voor den blauvoet,
Ofte ghi selt voelen wat sine clau doet.
In Frans-Vlaanderen heb ik ooit iemand gekend die de naam Blavoet droeg. Hij was een medeleerling aan het Lycée des Flandres in Hazebroek. Ik vertelde hem ooit dat hij wellicht de telg was van een beroemde Vlaamse familie. Ik kwam overduidelijk achthonderd jaar te laat met mijn verhaal.
Aan Rodenbach danken we ook de bekende regel “Ons behoort het Noordzeestrand”. Die staat op een prent van tekenaar Jos Speybrouck, die ik jaren geleden antiquarisch op de kop tikte in Mechelen. Sindsdien heeft ze een vaste plaats op mijn bureau.
En omdat volgens Rodenbach het Noordzeestrand ons toebehoort, spreek ik nog altijd over de Vlaamse kust. Nooit over de Belgische kust. En zeker niet, iets verder naar het zuiden, over de Côte d’Opale.
27.10.2026
(In dankbare herinnering aan onze overleden kameraden Zeger de Blauwe en Niek Hardebolle)
‘Einmal ist keinmal.’ Het bekende Duitse gezegde is van toepassing op wat volgt.
Op 26 oktober 1974 werd de start aangekondigd van een nieuw Frans-Vlaams tijdschrift: TIJL. Dat gebeurde in het Sint-Sebastiaanshof in Steenvoorde. Daar organiseerde Hekkerschreeuwen ook zijn avonden met volksmuziek.
Het project werd voorgesteld aan een dertigtal aanwezigen. Dat gebeurde door wijlen Serge Lebleu — Zeger de Blauwe voor zijn vrienden —, Gérard Landry en mezelf, als hoofdredacteur.
In mijn archief bewaar ik nog enkele artikels voor het eerste nummer, samen met ontwerpen voor de lay-out. Ze zijn echter nooit verschenen. De start bleek een valse start.
En dat was mijn fout.
In mijn jeugdig enthousiasme had ik het project compleet verkeerd ingeschat. Nog jong en onervaren, zoals in het liedje. Ik kreeg zelfs niet het nodige geld bijeen om het project te financieren.
Ik heb veel geleerd uit die fouten. Sindsdien probeer ik steeds de woorden van Gandhi indachtig te zijn:
‘De grootste fout van de mens is dat hij zo vaak wil oogsten op plaatsen waar niet gezaaid is.’
NIET LOSLATEN
Eén keer is geen keer. Na de valse start volgde een tweede poging. Die werd wél een succes. Deze keer was TIJL een schot in de roos.
De Michiel de Swaenkring (MDSK) nam de titel en het project over. De pioniers van die nieuwe start waren Niek Neyrinck, Patrick Nanin en wijlen Niek Hardebolle. Uiteraard deed ik ook mee, zij het vanop afstand. Ik had Frans-Vlaanderen ingeruild voor Antwerpen, waar ik mijn Nederlands verder wilde bijschaven.
Eenmaal in Antwerpen werd ik prompt gebombardeerd tot secretaris en correspondent van de Michiel de Swaenkring.
Het secretariaat? Mijn studentenkot in de Rotterdamstraat. Een straat met een niet bepaald stichtelijke reputatie. Stel je voor!
In 1975 kreeg dat zelfs aandacht in de voltallige Vlaamse pers. Op initiatief van VU’er Staf Delie werd ik ontvangen op het Antwerpse stadhuis. De stad Antwerpen kende toen een gulle subsidie toe aan de MDSK. Ik mocht die symbolisch in ontvangst nemen.
Dat was de tijd waarin Vlaamse socialisten nog zorg droegen voor onze cultuur.
Lode Craeybeckx, de Antwerpse socialistische burgemeester met een activistisch verleden, herhaalde toen zijn Brusselse adagium. Hij fluisterde me de gevleugelde woorden toe:
‘We laten Frans-Vlaanderen niet los.’
Moge ook de huidige Vlaamse regering en de partijen die haar beleid bepalen, Frans-Vlaanderen niet loslaten.
Na de aanslag op onze cultuur, onze bibliotheken en onze archieven is de steun aan Frans-Vlaanderen herleid tot wat ik alleen maar als een diplomatiek aalmoes kan omschrijven.
Het wordt tijd dat onze beleidsmakers hun mond opendoen. Dat ze hun dwalingen erkennen en opnieuw aan de slag gaan.
‘Door te zwijgen wordt vaker gelogen dan door te spreken.’
26.10.2026