Het wordt me dikwijls gevraagd: waarom is de discussie over de Frans-Vlaamse standaard en de Nederlandse standaardtaal in Frans-Vlaanderen tegenwoordig zo op de spits gedreven?
Eerst de taalsituatie: de aantallen Frans-Vlaamssprekenden zijn gesmolten als ijs onder de zon. Rond 1975 sprak men nog van 120.000 mensen die die streektaal nog spraken. Vandaag is er, in het beste geval, sprake van een paar duizend mensen, meestal boven de 80 jaar. En van het dubbele aantal dat nog flarden ervan verstaat. In die tijd kon je nog schrijven – zonder meteen te worden aangevallen – dat het Frans-Vlaams niet op zichzelf stond als dialect, gesproken binnen de Franse staatsgrenzen, en dat de verwantschap en de link met het Nederlands vanzelfsprekend waren.
Wat ook veranderde: er zijn mensen opgedoken, meestal niet aanwezig op het appel van de Vlaamse kringen van mijn jonge jaren, die alleen het sentiment (het dialect van onze ouders) zijn gaan promoten en vinden dat jonge mensen tegelijk geen recht hebben om een taal gericht op de toekomst te leren.
Enkelen van deze lobbyisten van het Frans-Vlaams zijn niet bepaald geholpen door veel kennis van het Frans-Vlaams die ze promoten. Het zijn dikwijls mensen uit het Engelse taalonderwijs geweest die hun gebrek aan kennis van onze taal compenseren door broederlijke netwerking rond de squares aan de Opaalkust. Ze denken in de plaats van hun militanten die het spel niet doorhebben. De netten van deze heren vissen tot in de politiek van de Hauts-de-France, waar andere geïnitieerden de sleutel van de subsidiekas bewaken. De jacobijnse kameraden waken, opdat onze taal tot een Franse streektaal blijft binnen de heilige staatsgrenzen. Alleen Frans erfgoed heeft recht op financiële steun, mits men kleur in de vakjes van het ene en ondeelbare Frankrijk.
Het is door deze heerschappen in de schaduwzone dat elke vorm van dialoog en welwillendheid is verdwenen. Je erkent ze niet zozeer aan hun blauwe speeltje, dan wel aan een methodiek die kenmerkend is voor kringen die in de schaduw handelen: niet ingaan op verzoeken tot debat en dialoog, nooit bevestigen of ontkennen, of subtiel van onderwerp veranderen. Niet-ingewijden zijn geen partij om mee te spreken. Achter de schermen: tegenstanders in kaart brengen en hun activiteiten maximaal verdacht maken. Leuk is om de juiste drones te lanceren: de tegenstander is een fascist, een racist, een nationalist, een separatist of een irredentist, of een beetje van dit alles.
Eens de dialectiek op punt staat, wordt elke vorm van tegensprekelijk debat demonstratief en kwaadwillig geweigerd. Men zegt ons, grof samengevat, dat men niet spreekt met mensen zoals wij. Erger nog: dat we geen recht van spreken hebben, omdat we hun ‘waarden’ niet delen. ‘Waarden’ van ‘dialoog’ en ‘welwillendheid’, welteverstaan. Kortom, de lobby van het Vlaamsch debatteert bijna uitsluitend met zichzelf en voor zichzelf, en met de broeders aan de kassa.
09.09.2026