WIDOPEDIA
Een blog over Frans-Vlaanderen, de Nederlanden en Europa
Wido Bourel

Meest recente berichten
Archieven
Kernwoorden

Archieven voor week 43, 2026

Wintertijd: Donald als zonnekoning?

Het is weer zover. We schakelde deze nacht weer naar de zogenaamde wintertijd. Wintertijd die eigenlijk voor het hele jaar zou moeten gelden, als je het me vraagt.  Een tijd die ons één uur dichter bij de hoogste stand van de zon terugbrengt.

Ik heb de zin van  winter- en  zomertijd nooit kunnen plaatsen. Er is maar één tijd en de zon is bepalend.

TRUMPIAANSE TIJD

Je heft ook de Trumpiaanse versie van het uur.  Dat houdt ook in  de afschaffing van zomer en wintertijd  om  definitief bij het zomeruur te blijven. Trump verklaarde op 3 oktober jl dat permanente zomertijd golfers zou helpen om langer te spelen. Hij zei dat golfers anders soms al na 14 holes naar huis moeten omdat het donker wordt. Stel je voor.

Ik golf niet, Donald. En zelfs dan. Niet de golfers en de terrasgangers zullen dat bepalen Donald. Maar hopelijk wel de mensen die de hele dag buiten werken. Die weten niet alleen wat werken is. Maar ook wat het betekent als je middageten niet samen alt met het warmste punt van de dag. De goden besparen ons van Donald als zonnekoning.

HET METEN VAN DE TIJD

In mijn boekje “Het meten van de tijd” (2018) schreef ik ook over mijn grootvader langs moederzijde (1904 -1992) en zijn beleving van tijd:

“Grootvader werd wakker bij het kraaien van de haan, de geluiden van de dieren in de stal en het gezang van de vogels die het ochtendgloren begroetten. Een wekker bezaten mijn grootouders wel, maar nooit heeft iemand het ding horen rinkelen.

Van zonsopgang tot zonsondergang werkte hij op het land. Hij droeg een ouderwets zilveren zakhorloge bij zich. Maar om te weten hoe laat het was, keek hij naar de stand van de zon, of naar de dieren die naar de poel kwamen om te drinken. De schaduw van een boom, een paal of, bij gebrek, zijn eigen schaduw gebruikte hij als zonnewijzer.

Zijn zakhorloge raadpleegde hij bedenkelijk één keer op het middaguur, louter ter bevestiging van de natuurelementen. ’s Nachts behielp hij zich dan weer met de sterren en de maan, alsook met de temperatuur, de geur en de klanken van de duisternis, om te weten hoe laat het was en wat voor weer op komst was.

Het was de tijd dat de Frans-Vlaamse boeren niet om twaalf uur, maar wel een uur later, met de hoogste zon, pauzeerden voor het middagmaal (…)”

Grootvader kende geen winteruur en ook geen zomeruur. Hij kende alleen het uur van de zon. En zo hoort het te zijn volgens de natuur. Geen zonnekoning maar een kind van de zon.

Gepubliceerd

25.10.2026

Kernwoorden
Reacties

Henri Duhem: een Vlaamse schilder die we opnieuw moeten ontdekken

Op 24 oktober 1941 overleed in Juan-les-Pins de postimpressionistische schilder Henri Duhem.

Geboren in 1860 in Dowaai (Douai), verwees hij zelf trots naar zijn afkomst uit een oude Vlaamse stam.

Na enkele jaren als advocaat koos hij definitief voor de schilderkunst. Hij vestigde zich in het Boonse, meer bepaald in Camier, waar hij een buitenverblijf bezat.

Samen met zijn echtgenote Marie, eveneens schilderes, maakte hij deel uit van de zogenaamde École de Wissant. Deze kunstenaarskring ontstond aan het einde van de 19de eeuw rond Adrien Demont en Virginie Demont-Breton.

In het witte zand van het kustdorp Wissant vonden schilders elkaar in hun liefde voor het landschap, het licht en het leven aan zee. Ze schilderden samen, wisselden ervaringen uit en beïnvloedden elkaars werk. Ook Henri en Marie Duhem maakten deel uit van deze artistieke omgeving.

Tot de kunstenaars die met de kring verbonden waren, behoorden Émile Breton, Georges Maroniez, Francis Tattegrain en Fernand Stiévenart.

Duhem schilderde Vlaamse, Artesische en Boonse landschappen, taferelen langs de kanalen en stadsgezichten van zijn geboortestad Dowaai (zie de illustraties), vóór de verwoestingen van de Eerste Wereldoorlog.

Dat hij niet helemaal vergeten is, blijkt onder meer uit de aandacht van het Musée d’Orsay in Parijs, dat hem opneemt in zijn kunstenaarsrepertorium en zijn deelname aan Parijse kunstsalons documenteert.

Henri Duhem liet een omvangrijk oeuvre na, diep geworteld in zijn geboortestreek. Hij was een talentvolle postimpressionist, met niet alleen Vlaamse wortels, maar ook een duidelijke Vlaamse inspiratie.

Een suggestie voor het Musée de Flandre in Kassel: waarom geen retrospectieve over deze door en door Vlaamse schilder, gekoppeld aan een tentoonstelling over de School van Witzand? Het zou een mooie gelegenheid zijn om Henri Duhem opnieuw onder de aandacht te brengen. Want Duhem is misschien niet helemaal vergeten, maar hij verdient het beslist om opnieuw ontdekt te worden.

Gepubliceerd

24.10.2026

Kernwoorden
Reacties

Opa kruipt in zijn boek

Kleinzoon Warre, acht jaar jong, maakte deze tekening. Ik kon het niet laten er een Timmermansachtig gedichtje bij te fantaseren. Uit het leven gegrepen.

OPA KRUIPT IN ZIJN BOEK

Opa kruipt in een warme hoek,
met zijn bril en met zijn boek.
In zijn zetel, zacht en breed,
vergeet hij alles om zich heen.

De boeken staan er rij aan rij,
vol avontuur en toverij.
Een dapp’re ridder, fier te paard,
trekt door een land vol pracht en praal.

En leest opa nog een bladzijde meer,
dan knikken zijn ogen heen en weer.
Straks vallen opa’s ogen dicht,
en valt het boek op zijn gezicht.

Wido en Warre

Gepubliceerd

23.10.2026

Reacties

Jozef Deleu: de onbegonnen taak

(1937–2026)

Terwijl de storm over onze bibliotheken en archieven raast, klinkt het overlijden van Jozef Deleu als een laatste waarschuwing. Tegen de cultuurbarbaren. Tegen de middelmaat. Tegen een politiek die cultuur graag prijst, zolang ze niet te veel kost en in de pas loopt.

Deleu was een cavalier seul van onze taal en cultuur. Een cultuurgoeroe met een missie. Een leven lang klaagde hij de middelmatigheid van het cultuurbeleid aan.

Over de doden niets dan goeds. Dus: hoed af voor deze strenge en noeste werker. De sluwe diplomaat. De koppige West-Vlaamse cultuurmaker. De kunstenaar van het woord, op zoek naar vliegende konijnen.

Zijn vaderland was de Nederlandse taal. Tot daar ging alles goed. Al het overige werd ingewikkelder. Soms zelfs paradoxaal.

De Vlaamse militant aan de taalgrens zou later de Belgitude omarmen. Zijn huis doopte hij Oranje. Maar de Dietser in elk van ons kreeg er geregeld van langs. Frans-Vlaanderen diende ooit als springplank. Uiteindelijk landde hij als brave citoyen de la frontière. De hooghartige, maar vaak rake prediker tegen de kanunniken bleek intussen niet te beroerd om bij hun kerken te bedelen.

Deleu was een man van overtuigingen. Maar niet van rechte lijnen. Hij wist dat cultuur een zaak van lange adem is. Zijn bochten waren niet altijd elegant. Zijn tegenstrijdigheden evenmin onschuldig. Maar ze maakten hem wel tot meer dan een keurige bewaker van de eigen taal en cultuur.

De filosoof Julius Evola bedacht de methode van de tijger bestijgen: niet frontaal ten onder gaan aan de krachten van de moderniteit, maar proberen ze te doorstaan zonder erdoor opgeslokt te worden.

Bij Deleu was het geen tijger. Daarvoor was hij, soms tegen wil en dank, Vlaams en eigenzinnig genoeg. En te weinig bereid zich zomaar te laten temmen. Voor hem was er een leeuw.

Jozef Deleu: de man die de leeuw besteeg.

Of hij hem ooit werkelijk de baas werd, is een andere vraag. Wellicht was dat ook niet de bedoeling.

De leeuw laat zich immers niet temmen. En de cultuurbarbaren zijn nog altijd onder ons.

Een van Deleus gedichten heet niet toevallig De onbegonnen taak.

Gepubliceerd

22.10.2026

Kernwoorden
Reacties

Jan Baert: toen Jan, Piet, Tjores en Corneel nog Vlaamsch klapten

Op 21 oktober 1650 werd in de havenstad Duinkerke de beroemde kaper en zeeheld Jan Baert geboren. Zelf schreef hij zijn naam als Jan Baert, niet als Jean Bart, de gebruikelijke Franse schrijfwijze van zijn naam. Dat blijkt uit zijn handtekening en uit de akte van zijn tweede huwelijk.

Jan Baert stamde uit een befaamd geslacht van kapers, zeehelden en militairen, zowel van vaders- als van moederskant. Zijn moeder, geboren Janssen — eveneens een bekende familienaam onder de Duinkerke kapers — stamde af van Michiel Jacobsen, bijgenaamd de sluwe Duinkerkse zeevos. Hij was viceadmiraal van de Zuidelijke Nederlanden in dienst van de Spaanse koning. Ook Jan Jacobsen behoorde tot deze familie. In 1623 koos hij er tijdens een zeeslag met een Nederlandse vloot voor om zichzelf, zijn schip en zijn bemanning op te blazen, liever dan zich over te geven. Moed, gekoppeld aan een flinke dosis lef, bleek het handelsmerk van dit geslacht van zeehelden.

Jan Baert leefde in een woelige periode, waarin de militaire situatie voortdurend veranderde, soms zelfs van dag tot dag. Zo ontwaakte de jonge Jan Baert, net als alle andere Duinkerkenaars, op één dag als onderdaan van de ene macht, zat hij ’s middags onder een ander gezag en ging hij ’s avonds slapen onder weer een andere politieke vlag. Maar hoe vaak de machthebbers ook wisselden, zijn Vlaamse identiteit bleef dezelfde.

Deze bijzondere situatie verklaart wellicht waarom hij zonder problemen eerst bij de Nederlandse zeemacht kon worden opgeleid en nadien in dienst van de Franse kroon kon treden. Jan Baert beschouwde zichzelf wellicht in de eerste plaats als een Duinkerkse kaper, die zich aanpaste aan de veranderende politieke omstandigheden van zijn tijd en aan wie hem de middelen verschafte om naar zee te gaan.

DE TAAL VAN JAN

De bewering dat Jan Baert zich niet of slechts moeilijk in het Frans kon uitdrukken, is meer dan zomaar een anekdote. Duinkerke maakte deel uit van de Zuidelijke Nederlanden en kwam uiteindelijk, in 1662, onder het gezag van de Franse koning Lodewijk XIV. De stad werd daardoor politiek Frans, maar veranderde niet plotseling van taal. Jan Baert evenmin.

Wellicht deed hij pogingen om wat Frans te leren om zijn maritieme carrière vooruit te helpen. Maar een taalwonder was hij overduidelijk niet.

Hoe goed — of moet ik schrijven: hoe slecht — Jan Baert het Frans werkelijk sprak, is vandaag moeilijk vast te stellen, al wijzen verschillende aanwijzingen in dezelfde richting.

De Vlaamse auteurs Lieselot en Frits Pittery schrijven in hun bijdrage Duinkerke, verschenen in Ons Erfdeel in 1965-1966, dat Baert zo weinig Frans kende dat hij zijn hele leven een tolk nodig had om zich verstaanbaar te maken.

Een oudere Franse biografische traditie probeert dat beeld uiteraard te nuanceren. In het negentiende-eeuwse Grand dictionnaire universel du XIXe siècle wordt Baert beschreven als iemand die weinig sprak. Dat lijkt een verbloemde manier om te zeggen dat hij zich bij voorkeur stilhield in de taal van Molière.

Deze bron suggereert bovendien dat hij Frans sprak dat doorspekt was met talrijke Vlaamse uitdrukkingen. Dat is op zich niet zo verwonderlijk: het Vlaams bleef in Duinkerke immers tot het begin van de twintigste eeuw in gebruik, en tijdens het Duinkerkse carnaval klinkt het zelfs vandaag nog.

Ik citeer ook graag prof. dr. Vital Celen, die in zijn bijzonder interessante boekje Het Nederlands te Duinkerke door de eeuwen heen (1951) terecht opmerkt:

“Jan Bart, de beroemde zeeheld (…) kende in 1700 nog steeds weinig Frans. (…) Hij was twaalf jaar, toen de inlijving (bij Frankrijk) plaats had en het had hem dus niet aan tijd ontbroken om Frans te leren.”

VERSLAGEN AAN DE FRANSE ADMIRALITEIT

Dat Baert zelfs verslagen voor de Franse admiraliteit in het Nederlands opstelde, is inderdaad een opvallende bewering. Ik vond ze terug in het artikel De verfransing in Noord-Frankrijk, gepubliceerd in het taalkundige tijdschrift Naamkunde (1972). De auteur voert dit aan als voorbeeld van het sterke overwicht dat het Nederlands destijds nog in Duinkerke had.

Schrijver Luc Devoldere citeert daarentegen in zijn bijdrage Fiere bewakers van de stedelijke vrijheid (2011) een Franstalig rapport van Baert over de zeeslag van 29 juni 1694. Maar een Franstalig rapport bewijst op zichzelf natuurlijk niet dat Baert zelfstandig in het Frans kon schrijven.

In datzelfde jaar, 1694, veroverde Baert een grote graanvloot die door de Nederlanders werd begeleid. Zijn optreden droeg bij aan de bevoorrading van Frankrijk in een periode van voedselschaarste. Als beloning ontving hij koninklijke eerbewijzen. In 1697 werd hij bevorderd tot chef d’escadre, een hoge rang binnen de Franse marine.

De Franse taal was voor zijn carrière echter van ondergeschikt belang. Baert was niet in dienst genomen om zijn talenkennis of omdat hij een begaafd hoveling was, maar omdat hij op zee uitzonderlijk succesvol was.

DE TAALGESCHIEDENIS VAN DUINKERKE

In mijn boek TAALMOORD lees je meer over de taalgeschiedenis van Duinkerke en van de Nederlanden die vandaag in Frankrijk liggen.

Het verhaal van Baert is vooral interessant omdat het laat zien dat zelfs een vooraanstaande Duinkerkenaar in dienst van de Franse koning na de annexatie nog geen of amper Frans kende. Die taal was kennelijk geen noodzakelijke voorwaarde om carrière te maken binnen de koninklijke instellingen.

Baert koos zijn manschappen om hun kennis van de zee. En al die wilden te kapren varen, zoals Pier, Tjores en Corneel, klapten uitsluitend de taal van Jan: het Vlaamsch van Dunkerke.

Gepubliceerd

21.10.2026

Kernwoorden
Reacties

Frankrijk: horen, zien en niet meer zwijgen

Ik keek gisteren naar het televisienieuws van de VRT. Jullie ook?

Een mens blijft verbaasd over wie zich expert mag noemen wanneer het over de Franse samenleving gaat. Ik zag en hoorde een ULB-hoogleraar rechtsgeschiedenis, een criminoloog en vertegenwoordiger van de diversiteitssector, de directeur van het Hannah Arendt Instituut als expert inzake collectief geweld en radicalisering, en ten slotte Mia Doornaert, gewezen correspondent van De Standaard in Frankrijk. Voor Vlaamse doeleinden heeft zij het begrip islamogauchisme uit Parijs overgenomen, als mosterd na de maaltijd.

FRANSE PRESIDENTSVERKIEZINGEN

Ter zake. Als al deze mensen zich tijdens een VRT-optreden expert en kenner van Frankrijk mogen noemen, dan mag ik dat als Franse staatsburger, zij het zeer tegen wil en dank, uiteraard ook.

Je hoeft geen expert te zijn om te begrijpen dat hiermee de campagne voor de Franse presidentsverkiezingen is gelanceerd. Hoelang dit zal duren, vraagt de goedgemeente zich af. Wel, minstens tot aan de verkiezingen. We zijn dus nog enkele maanden zoet. En ook daarna zal de spanning niet onmiddellijk verdwijnen, als je het mij vraagt. Partijen die anderen het zwijgen willen opleggen in naam van de democratie, betalen daar vroeg of laat een prijs voor. Het macronisme, de hoofdschuldige in dit verhaal, draagt een zware verantwoordelijkheid voor de huidige situatie, en voor nog veel meer.

Aanvankelijk ging het om jongeren die wellicht ontevreden waren over het tekort aan leerkrachten, verouderde schoolgebouwen en overvolle klassen. Zoals een gewezen lerares mij deze week opmerkte: “Wie wil zulke benden vandaag nog lesgeven?” Hoe dan ook, deze jonge snotneuzen spelen een divisie te hoog. Na enkele dagen werden ze overvleugeld door politieke spelers die van wanten weten en het initiatief zonder veel moeite naar zich toetrokken.

De vraag is dan ook wie uiteindelijk politiek voordeel haalt uit deze gebeurtenissen.

TROTSKISTISCHE AGITATIE?

Voorbij het zootje casseurs, black blocs, anarchisten, antifa’s, ordinaire plunderaars en nuttige idioten mag één vraag worden gesteld: à qui profite le crime?

De politieke begunstigden

De grote politieke begunstigde van deze onrust lijkt opnieuw LFI te zijn: La France insoumise. De partij staat onder leiding van Jean-Luc Mélenchon, voormalig trotskist, ex-lid van de Organisation communiste internationaliste en overtuigd bewonderaar van de jakobijnse traditie. Wie zijn politieke parcours kent, weet dat straatmobilisatie voor hem nooit losstaat van electorale strategie. Het is dan ook moeilijk te geloven dat zijn partij geen politiek voordeel probeert te halen uit de huidige gebeurtenissen.

Welgekozen doelwitten

Opvallend in de chaos is de symbolische rode draad achter een aantal vernielingen. Stadhuizen worden aangevallen als symbool van de staat. Supermarkten en luxewinkels staan voor kapitaal, burgerij en middenstand. Het geweld kiest zijn doelwitten zelden willekeurig.

Ook de Palestijnse vlag ontbreekt niet. Niet alleen in beelden, maar soms ook in daden. Deze ochtend hoorde ik de burgemeester van Marseille verklaren dat in zijn stad opvallend veel geplunderde of vernielde winkels Joodse eigenaars hadden. Lees dit niet als een standpunt in het conflict tussen Israël en Palestina, maar als een vaststelling die minstens vragen oproept.

Internationale uitbreiding

Even opvallend is hoe de onrust overslaat naar andere Europese landen, waaronder Franstalig België, Spanje en Italië. Dat betekent op zich geen bewijs van centrale aansturing, maar het wijst wel op mechanismen die nationale grenzen overstijgen.

Een herkenbare methode

Sommige methodes doen denken aan de wereld van de drugscriminaliteit: wapenbezit, vorming van territoria, controle door straatbendes en de inzet van minderjarigen om gerechtelijke vervolging te bemoeilijken.

Daarnaast is er de bekende inversiestrategie. De aandacht verschuift van de daders naar de reactie van de politie. Ordediensten worden als agressors voorgesteld, terwijl relschoppers als slachtoffers van politiegeweld worden afgeschilderd. Daarmee verdedig ik niet elk politieoptreden. Ook de politiek gebruikt ordediensten soms voor eigen doeleinden en ook de politie maakt fouten. Maar die vaststelling mag geen excuus zijn om geweld en vernieling te minimaliseren.

HOREN, ZIEN EN ZWIJGEN

Wat veel journalisten en experten niet willen horen of zien, maar wat iedereen die de beelden aandachtig bekijkt kan vaststellen, is de sociale en culturele samenstelling van een deel van de groepen die het geweld plegen. De regering reageert verontwaardigd, de burgemeester staat met de tricolore sjerp in tranen voor de camera en onze dappere grootmoeders zijn in shock. Maar verder lijkt vooral één adagium te gelden: horen, zien en zwijgen.

Laten we dan maar een kat een kat noemen. Gebruikt LFI de sociale en identitaire grieven van bepaalde achtergestelde bevolkingsgroepen met een migratieachtergrond om haar electorale positie te versterken? En leidt die strategie ertoe dat de partij bepaalde vormen van radicalisering gedoogt of op zijn minst door de vingers ziet? Ik laat die vraag graag aan de lezer.

Opvallend is dat een extreemlinkse partij als LFI in Frankrijk, maar ook partijen als de PS en de PVDA in Brussel, hun klassieke proletarische achterban steeds minder centraal lijken te stellen. Ze richten zich steeds nadrukkelijker op een jonger publiek met wortels in de migratie. De uitdaging bestaat erin die electorale overgang zo snel mogelijk te maken en als eerste deze nieuwe kiezers aan zich te binden. Daarvoor moeten deze partijen erin slagen wetgeving en maatschappelijke normen geleidelijk te beïnvloeden op het vlak van religie, kleding, cultuur, eetgewoonten en de verhouding tussen man en vrouw. Uiteraard gebeurt dat allemaal in naam van de diversiteit.

Het oude proletariaat inruilen voor een nieuw proletariaat lijkt voor deze revolutionaire geesten weinig morele problemen op te leveren. Sommigen zien in maatschappelijke spanningen zelfs een middel om de bestaande orde te verzwakken. Daarbij hoort ook een opmerkelijke omkering van waarden. Geweld tegen instellingen wordt geminimaliseerd, nationale symbolen worden gerelativeerd en minachting voor het historische en culturele erfgoed van het land wordt al te vaak gedoogd. In bepaalde banlieues zijn intimidatie, geweld en onveiligheid bovendien een dagelijkse realiteit geworden voor de mensen die er wonen.

Ik wil daarbij niet alle betrokkenen over dezelfde kam scheren. Sommige families en gemeenschappen proberen wel degelijk respect te tonen voor Europese normen en waarden. Sommige vrouwen uit migrantengemeenschappen zien Europa juist als een ruimte waarin zij zich kunnen losmaken van religieuze of patriarchale dwang. Omgekeerd is het niet moeilijk vast te stellen dat sommige jongeren, op zoek naar status, geld of een uitweg uit hun sociale achterstand, terechtkomen in de wereld van de drugshandel en het geweld. Vernieling van publiek en privaat patrimonium maakt daar vaak deel van uit.

In tijden van geweld komt aan de oppervlakte wat zich in rustigere tijden gedeeltelijk onder de radar afspeelt. Vandaag is dat geweld zichtbaar. Morgen mogelijk opnieuw. Deze problematiek dreigt Europa nog jarenlang te achtervolgen. Een ultraliberale samenleving kan niet onbeperkt normen en waarden afbouwen en tegelijk verwachten dat de maatschappelijke vrede vanzelf behouden blijft. Het valt nog af te wachten hoeveel vastberadenheid de staat zal tonen wanneer het geweld zich ooit niet meer beperkt tot auto’s, handelszaken en stadhuizen, maar ook culturele instellingen viseert. Geschiedenis leert immers dat periodes van ideologische radicalisering zelden veel respect tonen voor erfgoed, cultuur of geheugen.

Ooit klom ik in mijn pen om de bijna religieuze bewondering van Mia Doornaert voor Frankrijk in vraag te stellen. De hierboven beschreven feiten bevestigen voor mij nog steeds dezelfde stelling: God leeft niet in Frankrijk. Althans, ik ben Hem daar nooit tegengekomen. Maar ik vergeef onze Mia inmiddels veel. Met het begrip islamogauchisme heeft zij tenminste geprobeerd een fenomeen te benoemen waarover velen liever zwijgen.

Gepubliceerd

20.10.2026

Kernwoorden
Reacties

Wie was Johan Brugman? En waarom spreken ze in Nederland over ‘praten als Brugman?

Ik deed een kleine rondvraag in mijn omgeving, hier in de Antwerpse Kempen. Wie heeft ooit van Johan Brugman gehoord? Niemand, zo bleek. Ook de uitdrukking ‘praten als Brugman’ was mijn gesprekspartners onbekend.

Is deze uitdrukking bij ons in Vlaanderen minder bekend dan in Nederland? Dat bracht me op het idee om eens uit te zoeken wie die mysterieuze Brugman eigenlijk was.

DE MAN DIE UREN KON PREDIKEN

Vandaag op 19 oktober 1473 overleed in Nijmegen de monnik en volksprediker Johan Brugman. Hij werd omstreeks 1400 geboren in Kempen, in het Rijnland.

Als franciscaan trok hij zijn leven lang door de Nederlanden en zijn geboortestreek. Overal predikte hij: in kerken, kloosters en zelfs in de openlucht.

Zijn welsprekendheid was legendarisch. Zo zou hij ooit vijf uur aan één stuk hebben gepreekt, op het bordes van het stadhuis van de oude Hanzestad Kampen, in Overijssel. Na afloop beloonde het stadsbestuur hem met tarwe en een partij zoete wijn. Dat laatste was ongetwijfeld bedoeld om zijn welsprekendheid nog wat verder aan te moedigen…

De uitdrukking ‘praten als Brugman’ verwijst naar iemand die bijzonder overtuigend en welbespraakt kan praten, vaak met de bedoeling anderen ergens van te overtuigen.

Toen ik in de jaren zeventig van de vorige eeuw Nederlands studeerde en daarvoor naar Nederland kwam, hoorde ik deze uitdrukking zelf voor het eerst. Zulke uitdrukkingen zijn niet altijd gemakkelijk te begrijpen wanneer je een taal op latere leeftijd leert, en niet met de moedermelk meekrijgt*.

Mijn lezers weten nu dus alweer iets meer dan ik destijds! 😉

SINT-OMAARS: EEN BIJZONDERE BAND

Merkwaardig genoeg had Johan Brugman ook een band met Sint-Omaars, op de grens tussen de  toenmalige graafschapen Vlaanderen en Artesië. De stad was in die tijd nauw verbonden met de Nederlanden.

Hij was er verbonden aan het Observantenklooster van de franciscanen, waar hij als lector in de theologie onderwijs gaf aan zijn medebroeders. De Observanten streefden naar een strengere naleving van de oorspronkelijke leefregel van Franciscus van Assisi, met bijzondere aandacht voor armoede en religieuze discipline.

Ook zijn literaire werk brengt ons bij deze periode van zijn leven. Brugman schreef onder meer het Latijnse Vita alme virginis Lijdwine, een levensverhaal van Lidwina van Schiedam (1380-1433). Lidwina was een mystica die na een val op het ijs jarenlang ziek bleef en uitgroeide tot een belangrijke figuur in de laatmiddeleeuwse devotie.

HEEFT BRUGMAN DIT LEVENSVERHAAL IN SINT-OMAARS GESCHREVEN?

Dat zou een interessante mogelijkheid zijn, maar zekerheid daarover bestaat niet. Wel weten we dat hij er in 1456 als lector in de theologie werkzaam was. Zijn verblijf in Sint-Omaars en zijn literaire werk behoren dus tot dezelfde periode van zijn leven, al kennen we de precieze plaats waar hij het levensverhaal van Lidwina schreef niet met zekerheid.

Dat deze episode in zijn leven de moeite waard is, blijkt ook uit het onderzoek van de Nederlandse karmeliet en historicus Titus Brandsma. Hij reisde zelf naar Sint-Omars om de plaatselijke geschiedenis te onderzoeken en na te gaan of er nog sporen van Brugmans verblijf te vinden waren.

Ondanks Brugmans grote bekendheid als volksprediker blijven er dus hiaten in zijn levensverhaal bestaan.

Sint-Omaars was daarmee meer dan zomaar een halte op zijn levensweg. Het was een plaats waar Brugman theologisch onderricht gaf en waar we hem kunnen situeren in de bredere wereld van de franciscaanse hervorming en de laatmiddeleeuwse vroomheid.

 DE PREDIKER WAS OOK EEN SCHRIJVER EN DICHTER

Brugman schreef verschillende teksten en traktaten. Zijn levensverhaal van Lidwina werd later ook in druk verspreid en droeg bij aan de bekendheid van deze bijzondere vrouw.

Brugman was niet alleen een begenadigd prediker, maar ook een dichter. In de volgende verzen klinkt een persoonlijk afscheid van het verleden door, met het voornemen om een nieuwe weg in te slaan:

Hadieu der werelt minnen,
Hadieu, tis al ghedaen!
Ic heb in minen sinnen
Wat niewes aen te gaen.
Ic wil gaen avonturen
Te gaen een anderen ganc,
Al solt mi werden sure.
Och ewich is so lanc!

Een dichter, een prediker en een man die urenlang kon spreken: Johan Brugman heeft zijn naam niet voor niets aan onze taal nagelaten.

En nu ben ik benieuwd: kende jij Johan Brugman al, of is hij ook voor jou een ontdekking? En kende je de uitdrukking ‘praten als Brugman’?

Gepubliceerd

19.10.2026

Kernwoorden
Reacties

MIJN BOEK  TAALMOORD: LEZINGEN & DEBATTEN

Een reeks ontmoetingen over taal, identiteit en gemeenschap.

📍 Melle 🗓️ Vrijdag 13 november — 19.00 u Lezing — De Orde van den Prince (Gent Prinsenhof) ➡️ Salons Groenhof

📍 Antwerpen 🗓️ Vrijdag 27 november — 14.00 u Lezing & debat — Seniorenforum ➡️ Amerikalei 98

📍 Beauvoorde 🗓️ Zondag 29 november — 11.00 u Interview & debat — Orde Drie Koningen ➡️ Hotel Drie Koningen, Wulveringemstraat 40

📍 Ieper 🗓️ Donderdag 28 januari — 19.30 u Lezing — Iepers Kwartier ➡️ Cultureel Centrum Het Perron, Fochlaan 1

ℹ️ Sommige activiteiten zijn exclusief voor leden. Voor meer info: contacteer de organiserende verenigingen.

Gepubliceerd

19.10.2026

Kernwoorden
Reacties