WIDOPEDIA
Een blog over Frans-Vlaanderen, de Nederlanden en Europa
Wido Bourel

Meest recente berichten
Archieven
Kernwoorden

Archieven voor week 42, 2026

Historische beurs van de Vlaamse Beweging

Op zondag18 oktober ben ik te gast op de Historische Beurs van de Vlaamse Beweging in Kontich.

Daar signeer ik met veel plezier mijn nieuwe boek:

📕 TAALMOORD Over taal, identiteit en gemeenschap

Een boek over taal en identiteit, over verbondenheid en over de plaats van taal in onze samenleving.

📍 Waar? Zaal ‘Halfdiep’, Duffelsesteenweg 145, Kontich
🕘 Wanneer? Van 9.00 tot 16.00 uur

📚 Ook mijn eerdere boeken zijn erbij!

Voor de liefhebbers breng ik ook een selectie mee van de andere boeken die ik het afgelopen decennium publiceerde. Een mooie gelegenheid dus om je collectie aan te vullen of alsnog een exemplaar te bemachtigen.

Ik ontmoet jullie graag in Kontich voor een babbel, een kennismaking en natuurlijk een gesigneerd boek!

Gepubliceerd

18.10.2026

Kernwoorden
Reacties

Lodewijk de Baecker: de Frans-Vlaming die Frankrijk voor Vondel liet betalen

Een Frans-Vlaming. Een Nederlandse dichter. En een Franse keizer die mee in de buidel tastte!

Het klinkt verrassend. Toch is dit een verhaal uit de geschiedenis.

Op 18 oktober 1867 werd in Amsterdam het standbeeld van Joost van den Vondel ingehuldigd. Dat gebeurde tijdens de grootse viering van de 400ste geboortedag van de beroemde Nederlandse dichter en toneelschrijver.

Onder de aanwezigen bevond zich welgeteld één Frans-Vlaming: Lodewijk de Baecker (1814-1896). Schrijver, filoloog, volkskundige én man met connecties.

De Baecker was bevriend met Louis Royer (1793-1868), de Mechelse beeldhouwer die het Vondelstandbeeld ontwierp. Royer had het ver geschopt. Dankzij zijn uitzonderlijke talent was hij benoemd tot hofbeeldhouwer van de Nederlandse koning Willem I.

Ook De Baecker kende zijn weg in de hogere kringen. Hij beschikte over een uitgebreid netwerk in Vlaanderen, Nederland én Frankrijk.

In Vlaanderen was hij onder meer bevriend met Ferdinand A. Snellaert (1809-1872). Aan de overkant van de Moerdijk was de schrijver en dichter Josephus Alberdingk Thijm (1820-1889) zijn beste vriend.

En toen kwam Vondel in beeld.

De Baecker rook zijn kans. Hij wilde niet zomaar aanwezig zijn bij de inhuldiging. Hij wilde er ook het Franse Tweede Keizerrijk officieel vertegenwoordigen.

Daarvoor richtte hij zich tot keizer Napoleon III. En met succes!

Hij verkreeg financiële steun voor het Vondelmonument. In Amsterdam overhandigde hij plechtig 1.000 Franse frank als bijdrage van het Franse keizerrijk.

Een Frans-Vlaamse tussenkomst met een Nederlands monument als resultaat!

Zijn inspanningen bleven niet onopgemerkt. De Baecker kreeg een ereplaats tussen de Nederlandse minister van Binnenlandse Zaken Jan Heemskerk en Jacob van Lennep, de bekende schrijver van historische romans.

Zo speelde een Frans-Vlaming een opmerkelijke rol bij de totstandkoming van een monument voor een van de grootste Nederlandse dichters. En droeg Frankrijk mee bij aan de financiering ervan.

Een mooi staaltje van Frans-Vlaamse diplomatie avant la lettre!

IN EIGEN BEHEER

In 2014 publiceerde ik in eigen beheer een kleine brochure: DE SAGA VAN LODEWIJK. Over Lodewijk de Baecker, voorvechter van de Nederlandse Gedachte in Frankrijk.

Het boekje kende twee edities.*

Met de bescheiden opbrengst ervan liet ik destijds in Noordpene het graf van Lodewijk de Baecker restaureren. Het kreeg ook een opschrift dat zijn levenswerk treffend samenvat:

‘TROUW AAN DE NEDERLANDSE GEDACHTE.’

Dat gebeurde met de gewaardeerde hulp van Mark Ingelaere.

Ook een kleine brochure kan dus tot iets moois leiden. Zelfs tot de restauratie van het graf van een vergeten Frans-Vlaming!

Mijn boekje is nog steeds verkrijgbaar. Meer informatie vind je op mijn blog widopedia.eu, onder de rubriek ‘Boeken’.

Gepubliceerd

18.10.2026

Kernwoorden
Reacties

Red het langste geheugen

‘De mens van de toekomst is degene met het langste geheugen.’
— Friedrich Nietzsche

Archieven en bibliotheken bewaren wat een gemeenschap niet mag vergeten.

Wat vandaag wordt bewaard, heeft betekenis voor morgen. Wat vandaag wordt verwaarloosd, is morgen misschien voorgoed verdwenen.

Op de foto: de Nottebohmzaal van de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience in Antwerpen: voortaan zonder Vlaamse subsidies. Het ADVN, met de archieven van de Vlaamse Beweging, moet het met de helft minder Vlaamse middelen stellen.

Zal de Antwerpse historicus Bart De Wever wakker schieten en de Vlaamse regering tot de orde roepen? Of telt alleen nog het redden van België?

Een volk dat zijn geheugen verwaarloost, dreigt zichzelf te verliezen. En de partijen die deze politiek steunen, verliezen mijn stem.

Gepubliceerd

17.10.2026

Kernwoorden
Reacties

Vlaams en Nederlands: Hoe pleege je een taalmoord?

In de 19de eeuw stonden de Vlamingen voor een keuze die vandaag opnieuw verrassend actueel is in Frans‑Vlaanderen: verdedig je het dialect, of kies je voor een gestandaardiseerde taal? Die vraag was toen — en is nu — geen academische oefening. Ze gaat over overleven, emancipatie, en toegang tot onderwijs, cultuur, bestuur en macht.

De Vlaamse dialecten waren toen — net als het West‑Vlaams in Frans‑Vlaanderen een eeuw geleden — spreektalen zonder geschreven traditie, zonder standaard, zonder prestige. Ze waren sociaal gedegradeerd en politiek gemarginaliseerd. Ze werden openlijk weggezet als patois, jargon, baragouin, langue de domestiques. Voor de fransquillonse elite was het simpel: een dialect was geen taal van beschaving, geen taal van vooruitgang, geen taal van bestuur.

Daarom kozen de leiders van de Vlaamse Beweging bewust voor het Nederlands als standaardtaal. Niet omdat ze de dialecten verachtten, maar omdat ze begrepen dat een volk zonder standaardtaal geen toekomst heeft. Een taal die enkel wordt gesproken, kan geen universiteit dragen, geen administratie, geen rechtspraak, geen literatuur, geen kranten, geen wetenschap. Een dialect verdedigen betekent een taal verdedigen zonder school, zonder boeken, zonder leerkrachten, zonder geschreven cultuur, zonder internationale status, zonder Europese erkenning, zonder toekomst. Een standaardtaal wel: die creëert intercommunicatie, onderwijs, mobiliteit, vooruitgang.

Die keuze werd gemaakt door de sleutelfiguren van de Vlaamse Beweging:

  • Jan Frans Willems (1830–1846): “Alleen het Nederlands kan de Vlaamse volkstaal verheffen.”
  • Prudens van Duyse (1830–1850): het dialect is geen voertuig van beschaving.
  • Ferdinand Snellaert (1840–1870): een volk zonder standaardtaal kan geen natie zijn.
  • J.B. David (1840–1860): bouwde de eerste wetenschappelijke grammatica van het Nederlands in België.
  • Guido Gezelle (1850–1890): verdedigde het dialect als bron van poëzie, maar schreef zelf in gestandaardiseerd Nederlands.
  • Julius Vuylsteke (1860–1900): het dialect moet opgaan in het Nederlands om vooruitgang mogelijk te maken.
  • Lodewijk De Raet (1890–1910): geen taal, geen volk; geen volk, geen vooruitgang.

Zij begrepen dat de dialecten niet de vijand waren, maar te zwak om de strijd te winnen. Het Nederlands was de enige taal die de streektalen kon redden van totale verdwijning.

En precies dezelfde logica geldt vandaag in Frans‑Vlaanderen. Wie het dialect verdedigt zonder het Nederlands, verdedigt een taal zonder school, zonder boeken, zonder leerkrachten, zonder geschreven cultuur, zonder internationale status, zonder Europese erkenning, zonder toekomst. Wie het dialect wil redden, moet het verbinden met het Nederlands, zoals de Vlaamse Beweging dat in de 19de eeuw deed.

Pas daarna — wanneer de standaardtaal stevig staat — kan het dialect opnieuw bloeien als orale culturele rijkdom, niet als taal van achterstelling.

DE FRANSQUILLONSE MINACHTING: TIEN LETTERLIJKE CITATEN  (1830–1900)

Om te begrijpen waarom de Vlaamse Beweging de dialecten niet kon verdedigen als maatschappelijke taal, volstaat het om te kijken naar hoe de Franstalige elite — en niet van de minsten — in de 19de eeuw over het Vlaams sprak. Deze tien gedocumenteerde citaten tonen hoe diep de minachting zat — en waarom alleen een prestigieuze standaardtaal het Vlaams kon redden.

  1. Charles Rogier (minister, later premier), 1834 “Le flamand est un patois grossier.”
  2. Joseph Lebeau (minister van Buitenlandse Zaken), 1835 “Le flamand n’est pas une langue de civilisation.”
  3. Pierre-Théodore Verhaegen (stichter ULB), 1840 “Le flamand est impropre aux affaires de l’État.”
  4. Jules Malou (minister, later premier), 1846 “Le flamand n’a pas de littérature.”
  5. Edouard Ducpétiaux (inspecteur-generaal), 1843 “Le flamand est la langue des domestiques.”
  6. Louis Hymans (liberaal volksvertegenwoordiger), 1856 “Le flamand est un obstacle au progrès.”
  7. Charles Buls (burgemeester van Brussel), 1880 “Le flamand est une langue morte.”
  8. Paul Janson (liberaal voorman), 1878 “Le flamand n’est bon que pour les chansons de taverne.”
  9. Léon Vanderkindere (rector ULB), 1890 “Le flamand est un idiome sans avenir.”
  10. Edmond Picard (senator, jurist), 1899 “Le flamand est une langue inférieure.”

De foute keuze voor de streektalen versus de standaardtaal heeft dus een lange voorgeschiedenis — niet toevallig bepaald door Franstaligen. L’histoire se répète in Frans‑Vlaanderen, geholpen door een handvol nuttige idioten.

MIJN BOEK TAALMOORD

Meer weten over dit thema? Lees mijn boek TAALMOORD, over taal, identiteit en gemeenschap, verschenen bij uitgeverij Ertsberg. Nu verkrijgbaar in de boekhandel. Voor een gesigneerd exemplaar kan je bij mij terecht.

Wido

Gepubliceerd

16.10.2026

Reacties

Nietzsche: filosoferen met de hamer

Op 15 oktober 1844 werd Friedrich Nietzsche geboren in Röcken, in Saksen, het huidige Saksen-Anhalt.

Waarom noemen we hem de filosoof met de hamer?

Nietzsche gebruikte zelf de uitdrukking ‘filosoferen met de hamer’ als ondertitel van zijn werk Afgodenschemering (Götzen-Dämmerung, 1889).

Zijn hamer was geen wapen om mensen te bestrijden, maar een instrument om de afgoden van zijn tijd aan een kritisch onderzoek te onderwerpen: gevestigde waarheden, heilige huisjes en morele overtuigingen die zelden nog in vraag werden gesteld.

Hij wilde weten wat er schuilgaat achter onze idealen, onze deugden en onze vijandsbeelden. Soms volstaat een tik met de hamer om te horen hoe hol ze klinken.

In deze woelige tijden klinken Nietzsches bedenkingen over oorlog, vijandschap, macht en menselijke zwakte verrassend actueel.

Een beknopte selectie van zijn confronterende gedachten uit mijn lezingen:

  • ‘Wat is slecht? Alles wat voortkomt uit zwakte.’
  • ‘Wees niet deugdzamer dan uw krachten toelaten.’
  • ‘Vaak kiest men voor de aanval en maakt men vijanden om te verbergen dat men zelf zwak staat.’
  • ‘Wanneer men moedige mensen ergens toe wil overhalen, moet men de zaak gevaarlijker voorstellen dan ze is.’
  • ‘Er is geen beter middel tegen de vijand dan nog een vijand.’
  • ‘De haat tegen het boze is de pronkmantel waarmee de farizeeër zijn persoonlijke antipathieën camoufleert.’
  • ‘Velen zijn hardnekkig in de weg die ze zijn ingeslagen, weinigen in het doel dat ze nastreven.’
  • ‘Wie leeft van de strijd met de vijand, heeft er belang bij die vijand te behouden.’
  • ‘Oorlog en moed hebben meer groots tot stand gebracht dan naastenliefde. Niet uw medelijden, maar uw dapperheid heeft tot dusver de slachtoffers gered.’

Nietzsche verheerlijkt hiermee niet zomaar de oorlog. Hij daagt ons uit na te denken over moed, strijd, macht en de waarden waarmee mensen hun handelen — of juist hun niet-handelen — rechtvaardigen. Zijn uitspraken zijn provocerend en vragen om een kritische lezing, niet om blinde instemming.

En vergeet dit niet, beste lezers:

‘Er bestaan geen feiten, alleen interpretaties.’

— Friedrich Nietzsche, nagelaten aantekeningen, 1886–1887 (Nachlass, fragment 7[60]).

Misschien is dat precies de blijvende betekenis van Nietzsche: niet dat hij ons kant-en-klare antwoorden geeft, maar dat hij ons dwingt onze zekerheden te onderzoeken.

Welke afgoden zouden vandaag een tik met de hamer verdienen?

Wido

PS. Enkele van deze uitspraken van Nietzsche bieden volgens mij een interessante invalshoek om het VRT-debat van gisteren, met prof. Tom Sauer, De Gucht en anderen, anders te bekijken. Bij de oorlog tussen Rusland en Oekraïne vertrek ik zelf echter steeds vanuit een eenvoudige vraag: wat wil het Oekraïense volk?

Gepubliceerd

15.10.2026

Reacties

Neutraliteit: Hoe wordt een apenland volwassen?

Op 14 oktober 1936 bevestigde koning Leopold III tijdens de eerste kroonraad dat België opnieuw een strikte neutraliteitspolitiek zou voeren. Minister van Buitenlandse Zaken Paul-Henri Spaak had die koers al eerder voorbereid en liet in Genève aan Groot-Brittannië en Frankrijk weten dat België zich niet langer gebonden achtte aan verdragen zoals dat van Locarno.

Het was een poging om de Belgische onafhankelijkheid en de vrijheid om zelf over oorlog en vrede te beslissen, te herstellen.

LOCARNO: STABILITEIT MET EEN PRIJS

Het Verdrag van Locarno (1925) moest de grenzen in West-Europa garanderen, maar maakte van België tegelijk een bufferstaat tussen Frankrijk en Duitsland. In geval van conflict dreigde België zijn autonomie te verliezen: de Belgische defensie was nauw afgestemd op de Franse belangen.

Spaak en Leopold III zagen dit als een aantasting van de Belgische onafhankelijkheid. Veiligheid door samenwerking bleek immers ook een prijs te hebben: wie zich te sterk aan de strategie van anderen bindt, loopt het risico zijn eigen koers te verliezen.

DE RUHRBEZETTING: GEWELD EN AFHANKELIJKHEID

Tijdens de Frans-Belgische bezetting van het Ruhrgebied (1923–1925) raakte België opnieuw verstrikt in een bondgenootschappelijke logica. Het Duitse passieve verzet ging gepaard met sabotage, aanslagen en gewelddadige confrontaties. Daarbij vielen dodelijke slachtoffers, ook onder Belgische soldaten.

België moest extra troepen inzetten en werd nog afhankelijker van Frankrijk. Het was een harde les in hoe bondgenootschappen een klein land kunnen meesleuren in conflicten die het zelf niet kiest.

WAAROM BELGIË IN 1936 OPNIEUW NEUTRAAL WERD

Locarno en de Ruhrbezetting hadden België in een positie gebracht waarin het:

  1. niet langer volledig autonoom kon beslissen over oorlog en vrede;
  2. strategisch kwetsbaar was als doorgangsland;
  3. politiek afhankelijk bleef van grotere mogendheden.

De terugkeer naar neutraliteit was daarom een bewuste poging om de Belgische handelingsvrijheid te herstellen. Niet omdat neutraliteit alle gevaren kon wegnemen, maar omdat België opnieuw zelf wilde bepalen welke risico’s het bereid was te nemen.

SLOTBESCHOUWING: EEN KLOOTSVOLK IN EEN APENLAND?

De geschiedenis van 1936 leert ons dat een land zijn onafhankelijkheid kan verliezen wanneer het zijn koers te sterk laat bepalen door de belangen van grotere mogendheden. Neutraliteit was voor België een poging om opnieuw zelf te beslissen, in plaats van zich zonder voldoende eigen bewegingsruimte te laten meeslepen door de strategie van anderen.

Maar achter die historische les schuilt een bredere vraag: wat betekent onafhankelijkheid wanneer het politieke bestel niet noodzakelijk samenvalt met de belangen of de aspiraties van het volk dat erin leeft?

De oude uitdrukking ‘een klootsvolk in een apenland’ vat die spanning op een provocerende manier samen. Het Vlaamse volk staat daarin voor een gemeenschap die haar eigen weg wil gaan; het apenland voor een politiek bestel waarin machtsspelletjes, afhankelijkheid en bestuurlijke gewoonten de zelfstandigheid belemmeren.

Misschien begint politieke volwassenheid precies bij het vermogen om dat onderscheid te maken: tussen een volk en zijn bestuur, tussen trouw en volgzaamheid, tussen samenwerking en afhankelijkheid.

Een land wordt niet volwassen door luid te roepen dat het onafhankelijk is, maar door zelfstandig te leren denken, zijn belangen te kennen en de moed te hebben zijn eigen koers te varen.

Een volk hoeft niet kinderachtig te zijn omdat het in een apenland leeft. Maar een volk dat volwassen wil worden, moet uiteindelijk wel de moed vinden om zich af te vragen wie zijn koers bepaalt — en in wiens belang. En vooral: de moed hebben om er ook naar te handelen.

Gepubliceerd

14.10.2026

Kernwoorden
Reacties

Bert Decorte : ‘Omdat ik niemands zolen lik’

Op 13 oktober 2009 overleed in Strijtem, in het Pajottenland, de Vlaamse dichter en vertaler Bert Decorte. Hij was 94 jaar. Geboren in het Kempense Retie op 2 juli 1915, groeide hij uit tot een markante stem in de Vlaamse literatuur. Marnix Gijsen noemde hem ooit het ‘wonderkind in de Vlaamse poëzie’.

Decorte maakte in 1937 een opmerkelijk debuut met ‘Germinal’, een bundel vitalistische verzen die meteen de aandacht trok. Zijn vroege poëzie viel op door haar bruisende taal, krachtige ritme en onstuimige verbeeldingskracht.

Voor ‘Refreinen’ ontving hij in 1945 de August Beernaertprijs. Een jaar later volgde de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie, toegekend voor zijn bundel ‘Een stillere dag’. In 1989 werd zijn gehele literaire oeuvre bekroond met de Sabamprijs.

Decorte was veel meer dan een dichter. Hij ontpopte zich ook tot een gedreven bloemlezer, die met zijn verzamelbundels een rijk stuk literair erfgoed toegankelijk maakte. Zo verschenen ‘Het geuzenlied’ (1951), ‘Van heer Halewijn tot vrouw Griese’ (1959), ‘Gedicht en omgedicht’ (1960) en ‘In ’t zot, in ’t vroed, in ’t amoureus’ (1970), een bloemlezing van rederijkersrefreinen. In 1974 verschenen zijn Verzamelde gedichten.

Ook als autobiograaf, essayist en schrijver van poëtische reisverhalen liet hij zich gelden. Zijn belangstelling voor de internationale literatuur vertaalde zich onder meer in werk van François Villon en Charles Baudelaire. Ook het werk van Guillaume Apollinaire behoorde tot zijn literaire belangstelling.

Daarnaast bleef de literatuur uit eigen bodem hem nauw aan het hart liggen. In 1978 bracht hij een berijmde bewerking van Reinaard de Vos, bedoeld om het middeleeuwse verhaal voor de moderne lezer toegankelijk te maken. Ook ‘Thijl Ulenspieghel’, zijn poëtische bewerking van oude volkse verhalen, verdient vermelding. Dit werk verscheen oorspronkelijk in 1951 en werd in 1986 opnieuw uitgegeven, met de oorspronkelijke houtsneden uit het oude volksboek.

Maar Bert Decorte was niet alleen een begenadigd dichter en vertaler. Hij was ook een eigenzinnige geest, die zich niet zomaar naar de heersende opvattingen plooide.

Zijn gelegenheidswerk vormt daarvan een treffend bewijs. Sommige van die gedichten zijn vandaag nog altijd boeiende tijdsdocumenten. Een sprekend voorbeeld is ‘Aan Gerard Walschap’ uit 1945.

Walschap kreeg destijds in katholieke kringen zware kritiek te verduren wegens de vermeende ‘zedeloosheid’ van zijn werk. Decorte koos onomwonden zijn kant. Hij deed dat niet met omfloerste woorden, maar met een vlijmscherpe pen:

Schrijf, vliege ’t stof in de geburen,
blijf voort den rug der rotzooi schuren,
drijf hun den angel in den balg
stijf op uw stuk, stug in uw walg.

Zij zullen, als voorheen proberen
uw blank gezicht vol blink te smeren,
maar noem, al smijt men u met stront,
een kop een kop, een kont een kont.

Het is Decorte ten voeten uit: recht voor de raap, wars van hypocrisie en niet bereid om de scherpe kantjes van zijn overtuiging af te vijlen.

Ook in een kort gedicht als ‘Nonconform’ verwoordde hij zijn onafhankelijkheid. Het klinkt haast als zijn persoonlijke credo: geen slaafse navolging, geen vleierij, geen blind geloof in systemen.

Als toemaatje: Bert Decorte, de non-conformist in vijf regels.

NONCONFORM

Aan elke lering heb ik lak;
in elk systeem vind ik een lek;
omdat ik niemands zolen lik
en met gevlei geen machtigen lok,
is ’t dat ik niet als andren luk.

— Bert Decorte

Een dichter die zijn eigen weg ging, die de taal naar zijn hand zette en zich niet liet inkapselen door conventies of gezag. Maar die ook meesterlijke verzen schreef, zoals in zijn bundel ‘Een stillere dag’ (1942):

Geen zomerweelde meer en geen geweld
van zon en zilver en azuren vuren,
nu nevelfulp over wegen en veld
waas blaast. Voorbij zijn de avonturen

van wispelturig, vurig minnespel.
De fakkelvlammen luwden tot flambeeuwen
die rouwen rond het lijk van de rebel
die Lente heet. Geluid van verre vogelschreeuwen

als uit verleden eeuwen. Plotseling,
alsof niet alle opstandigheid verging,
de trappeldraf van een paard in de dreven.

Alles ontverft, kwijnt weg en sterft;
om alle heuvels hangen in de herfst
gele guirlanden tussen dood en leven.

Bert Decorte: dichter, vertaler, bloemlezer én dwarsdenker. Een eigenzinnige stem uit de Vlaamse literatuur die het verdient om gelezen en herinnerd te blijven.

Gepubliceerd

13.10.2026

Kernwoorden
Reacties

Over populisme, volkssoevereiniteit en de stem van het volk

Populisme kan worden begrepen als een reactie op de kloof tussen de institutionele organisatie van de democratie en de daadwerkelijke politieke macht van het volk.

Wanneer de stem van burgers in naam van de democratie wordt gemarginaliseerd of als ondemocratisch wordt afgedaan, rijst de vraag of de democratie daarmee niet haar eigen uitgangspunten ondergraaft. Is populisme dan een bedreiging voor de democratie, of is het juist een reactie op het tekortschieten ervan?

Jean-Jacques Rousseau stelt de vraag naar de onvervreemdbare soevereiniteit van het volk. Ernesto Laclau beschouwt het volk als een politieke gemeenschap die door gedeelde eisen en strijd tot stand komt. Alain de Benoist en Michel Onfray stellen de uitholling van de volkssoevereiniteit ter discussie. Jean-Claude Michéa bekritiseert de minachting voor de leefwereld van gewone mensen. Mark Elchardus benadrukt het belang van de daadwerkelijke invloed van burgers op het beleid.

Interessante beschouwingen over populisme laten zich zelden opsluiten in de klassieke tegenstelling tussen links en rechts. Juist waar die scheidslijn wordt overschreden, komen fundamentele vragen over volkssoevereiniteit, politieke macht, de verhouding tussen volk en elite en de werking van de democratie naar voren. De uiteenlopende auteurs die hier aan bod komen, vertrekken vanuit verschillende politieke en filosofische tradities, maar raken aan vraagstukken die zich niet tot één ideologische richting laten herleiden.

Tegelijkertijd klinkt vanuit een andere hoek de kritiek dat populisme de tegenstelling tussen hoger- en lageropgeleiden verscherpt en complexe politieke vraagstukken reduceert tot een conflict tussen het volk en de elite.

De verschillende stemmen die volgen, belichten uiteenlopende kanten van dit spanningsveld: van de verdediging van de volkssoevereiniteit tot de kritiek op populisme en de mogelijke gevaren ervan.

De centrale vraag blijft: wie bezit in een democratie werkelijk de politieke macht — het volk, zijn vertegenwoordigers of de instellingen die namens het volk handelen? En wie bepaalt eigenlijk wat de wil van het volk is?

HET VOLK EN DE ELITE

Daniel Cohn-Bendit — Frans-Duits politicus, voormalig studentenleider en voormalig Europarlementariër:

‘We hebben schoon genoeg van het volk!’

Alain Minc — Frans essayist, econoom en bedrijfsadviseur:

‘Populisme is de overwinning van mensen met weinig opleiding op hoger opgeleiden.’

Ewoud Kieft — Nederlands historicus en schrijver:

‘Het populistische verhaal van één volk met één volkswil is een sprookje.’

HET VOLK ALS POLITIEKE GEMEENSCHAP

Ernesto Laclau — Argentijns politiek theoreticus:

‘Populisme is een manier om het politieke vorm te geven.’

Koen Deschouwer — Vlaams politicoloog en hoogleraar aan de Vrije Universiteit Brussel:

‘Maar tegelijk is populisme een basisingrediënt van democratie, want je moet op de een of andere manier toch proberen te vatten wat het volk wil.’

DE SOEVEREINITEIT VAN HET VOLK

Alain de Benoist — Frans essayist en politiek theoreticus:

‘Populisme is een eis die vanuit het volk vertrekt om politici ertoe te dwingen opnieuw aan politiek te doen.’

Michel Onfray — Frans filosoof en essayist:

‘Demagogie veronderstelt dus dat het volk soms op overdreven wijze zijn soevereiniteit uitoefent.’

DE LEEFWERELD VAN HET VOLK

Jean-Claude Michéa — Frans filosoof en essayist:

‘Het volk is niet het probleem, maar de oplossing.’

DEMOCRATIE EN BURGERINVLOED

Mark Elchardus — Vlaams socioloog en emeritus hoogleraar aan de Vrije Universiteit Brussel:

‘Democratie vereist werkelijke invloed van burgers op het beleid.’

Arthur Moeller van den Bruck — Duits publicist en politiek denker:

‘Niet de staatsvorm maakt een democratie tot een democratie, maar de deelname van het volk aan de staat.’

DE ONVERVREEMDBARE SOEVEREINITEIT

Jean-Jacques Rousseau — Geneefs filosoof en politiek denker uit de achttiende eeuw:

‘De soevereiniteit kan niet worden vertegenwoordigd, om dezelfde reden waarom ze niet kan worden afgestaan.’

Woorden hebben wortels. Achter het woord populisme schuilt een fundamentele vraag die de democratie blijft achtervolgen:

Kan het volk werkelijk soeverein zijn wanneer het zijn macht slechts gedeeltelijk kan uitoefenen via vertegenwoordigers en instellingen?

Gepubliceerd

12.10.2026

Kernwoorden
Reacties