WIDOPEDIA
Een blog over Frans-Vlaanderen, de Nederlanden en Europa
Wido Bourel

Meest recente berichten
Archieven
Kernwoorden

Archieven voor week 38, 2026

Het einde van het beleg van Oostende

Op 20 september 1604 komt er een einde aan het Beleg van Oostende. De Spaanse en hun bondgenoten belegeren de stad sinds begin juli 1601. Na ruim drie jaar beleg capituleert Oostende en komt de stad opnieuw onder katholiek gezag.

Volgens de overlevering beloofde aartshertogin Isabella dat ze haar hemd niet meer zou verwisselen zolang Oostende niet was ingenomen. Door de lange duur van het beleg zou haar hemd een geelachtige kleur hebben gekregen. Zo zou — althans volgens de legende — de kleur izabel of isabel zijn ontstaan. Van Dale omschrijft izabel als een geelwitte kleur, waarbij het geel overheerst.

Maar klopt dat verhaal eigenlijk? Is het bijvoeglijk naamwoord izabel werkelijk ontstaan uit deze opmerkelijke belofte van Isabella?

Historisch gezien is dat zeer twijfelachtig. De benaming isabelle of isabella-kleur blijkt namelijk al vóór het Beleg van Oostende te zijn gebruikt. Zo zijn er vermeldingen van stoffen in couleur d’isabelle uit de jaren 1590. De bekende legende over Isabella en haar hemd duikt pas veel later, omstreeks 1800, in de literatuur op. De precieze etymologische oorsprong van de kleurnaam is daarom onzeker.

De menselijke tol van het beleg was enorm. Het exacte aantal slachtoffers is moeilijk vast te stellen, mede doordat tijdgenoten en latere historici verschillende cijfers hanteren en ziekte een belangrijke doodsoorzaak was. Het Archief van Oostende raamt de verliezen op ongeveer 45.000 doden aan de kant van de Spaanse belegeraars en hun bondgenoten en ongeveer 52.000 aan de kant van de belegerden.

Oostende zelf werd tijdens het beleg vrijwel volledig verwoest en moest na de overgave grotendeels worden heropgebouwd.

De val van Oostende was bovendien een belangrijk keerpunt in de geschiedenis van de Zuidelijke Nederlanden. Met de overgave verdween de laatste belangrijke protestantse vesting in het zuiden. De stad kwam opnieuw onder katholiek gezag en maakte voortaan deel uit van de door Spanje gecontroleerde Zuidelijke Nederlanden. De katholieke herovering van het zuiden ging gepaard met een langdurige uittocht van protestanten naar onder meer de Noordelijke Nederlanden, Engeland en Duitsland. Het vaak genoemde cijfer van ongeveer 250.000 protestantse vluchtelingen moet daarbij worden gezien als een brede schatting voor deze langdurige migratie, en niet als een rechtstreeks gevolg van de val van Oostende alleen.

Gepubliceerd

20.09.2026

Kernwoorden
Reacties

De Kathedraal van Reims in brand geschoten

Op 19 september 1914 wordt de dertiende-eeuwse kathedraal van Reims door Duitse artillerie beschoten en in brand geschoten. De gotische kathedraal wordt daarbij zwaar getroffen. Talrijke eeuwenoude beelden en glasramen gaan verloren.

Door de beschieting van de kathedraal van Reims beseft Europa plots hoe ernstig de situatie is. Op verschillende plaatsen worden uit voorzorg kunstwerken en waardevolle voorwerpen uit historische gebouwen verwijderd en in veiligheid gebracht.

Ooit was de vloer van de kathedraal versierd met een labyrint. Dit labyrint werd overigens niet door de Duitsers vernield, maar reeds in 1779 verwijderd na een ongelukkige beslissing van het plaatselijke kapittel.

Tegenwoordig wordt de tekening van het verdwenen labyrint op de vloer van de kathedraal geprojecteerd. De afbeelding van dit middeleeuwse labyrint kreeg bovendien een tweede leven: ze werd in Frankrijk gekozen als logo voor de aanduiding van historische monumenten.

Gepubliceerd

19.09.2026

Kernwoorden
Reacties

Tijl bij de Sovjets

19 september 1350 geldt volgens de overlevering als de vermoedelijke sterfdatum van Tijl Uilenspiegel in Mölln (Holstein). Tijl, de legendarische en spottende volksfiguur uit de eeuwenoude traditie van Nedersaksen, werd door De Coster omgevormd tot een Vlaamse vrijheidsheld. Zijn naam roept symbolisch zowel de wijsheid van de uil als de spiegel op: een symbool van speelse zelfreflectie.

Ik bezit nog altijd in mijn bibliotheek een uitgave van het verhaal van Tijl Uilenspiegel: ‘La légende et les aventures héroïques, joyeuses et glorieuses d’Ulenspiegel et de Lamme Goedzak au pays de Flandres et ailleurs.’ Een goedkope — en, naar ik vermoed, in grote oplage gedrukte — Sovjetuitgave van de ‘Éditions du Progrès’, uit 1973. Het boek bevat een voorwoord van de Franse schrijver Romain Rolland, een uitgesproken ‘compagnon de route’ van het communisme.

Het is een merkwaardig tijdsdocument: door een Franse linkse schrijver gelezen als universeel symbool van vrijheid, verzet tegen onderdrukking en als zodanig omarmd in de Sovjetcontext. De communisten van toen gebruikten blijkbaar zelf geen spiegel: ze zagen wel de splinter in het oog van de ander, maar niet de bloedige balk in hun eigen oog.

Romain Rolland ziet in Uilenspiegel twee vaderlanden: Duitsland en Vlaanderen. Dat is op zichzelf een merkwaardige formulering, want de historische ontwikkeling van de figuur loopt precies van een Nederduitse volksboektraditie naar de uitgesproken Vlaamse held die Charles De Coster er in de negentiende eeuw van maakte.

Ook twee plaatsen claimen zijn graf: Mölln bij Lübeck en Damme, aan de voet van de beroemde toren.

Voor Rolland is Uilenspiegel de geest en de ziel van Vlaanderen, de vendeldrager van een volk dat hij zelfs ‘een ras’ noemt: “een sluwe vos met de tanden van een wolf, vrolijk én woedend, lachend en droevig, trouw en wreed”. Maar altijd rechtvaardig.

Welke waardevolle symbolen ziet een linkse pen uit die tijd in het later wereldberoemd geworden verhaal van Charles De Coster?

Rolland noemt Tijl de zanger van “een vrijheidslied en de wreker van een verdrukt volk.” Hij citeert De Coster en merkt op dat diens Tijl door de godsdienstoorlogen goddeloos is geworden. Hij schrijft:

“Ik wil het land van Vlaanderen redden. Ik vroeg het aan de grote God van de hemel en de aarde, maar Hij antwoordde niet.”

Aan het einde van zijn voorwoord geeft Romain Rolland de wind die over Vlaanderen waait de naam vrijheid: — “vrijheid voorbij goed en kwaad”.

En zo besluit hij zijn voorwoord: Tijl is “de epische stem van de vrijheid”.

Tijl was oorspronkelijk geen exclusief Vlaamse figuur. Charles De Coster maakte hem Vlaams. Romain Rolland bevestigde zijn universele waarde als symbool van de vrijheid. Vrijheid die precies werd bezongen in een Sovjetuitgave — een merkwaardige botsing tussen mythe, literatuur en politieke ideologie.

Gepubliceerd

19.09.2026

Kernwoorden
Reacties

 Arnulf van Gent sneuvelt

Op 18 september 993 komt een einde aan het leven van Arnulf (Arnout) van Gent. De graaf sneuvelt tijdens een veldtocht tegen de West-Friezen. Volgens de traditionele overlevering vindt de slag plaats bij Winkel, in het huidige Noord-Holland, al staat de exacte locatie niet vast. Sommige historici plaatsen de strijd eerder in het gebied rond de monding van de Maas of de Oude Rijn.

Arnulf is op dat moment ongeveer veertig jaar oud. Hij laat zijn vrouw Liutgard van Luxemburg en hun kinderen achter. Zijn dood betekent echter niet het einde van zijn dynastie: zijn zoon Dirk III zal later het grafelijke gezag voortzetten.

Van Gent naar West-Frisia

Arnulf wordt rond 951 in Gent geboren als zoon van Dirk II, graaf in Friesland, en Hildegard van Vlaanderen. Zijn bijnaam Van Gent verwijst dus naar zijn geboorteplaats. Hij is dus geen graaf van Gent in de latere betekenis van het woord, maar een telg uit een familie die sterke banden heeft met Vlaanderen.

Zijn vader heeft in het kustgebied ten noorden van de Maas een aanzienlijke machtspositie opgebouwd. Wanneer Arnulf hem rond 988 opvolgt, wordt hij graaf in West-Frisia.

Daarbij moeten we oppassen met moderne grenzen. West-Frisia is in de tiende eeuw geen provincie met een duidelijk afgebakende grens zoals vandaag. Het gaat in grote lijnen om het kustgebied tussen de Maas en het Vlie, met delen van het huidige Zuid- en Noord-Holland. Het grafelijke gezag is echter niet overal even sterk. Vooral verder naar het noorden behouden  Friese gemeenschappen een grote mate van zelfstandigheid.

Juist daar probeert Arnulf zijn macht uit te breiden.

Een ambizieuse graaf

Arnulf is niet alleen bezig met oorlog en gebiedsuitbreiding. Hij maakt deel uit van de politieke elite van zijn tijd en onderhoudt belangrijke contacten met het Ottoonse keizerrijk.

In 983 reist hij mee met de Duitse koning Otto II en diens zoon Otto, de latere keizer Otto III, tijdens hun tocht naar Italië. Dat illustreert de positie die Arnulf binnen het politieke netwerk van het Duitse rijk inneemt.

Ook zijn gebied wordt onder zijn bewind verder ontwikkeld. In het zuiden verwerft hij onder meer bezittingen in Schieland, waaronder gebieden rond het latere Hillegersberg en Overschie. Een deel daarvan schenkt hij aan de abdij van Egmond, die een belangrijke rol speelt bij de religieuze en economische ontwikkeling van het gebied.

Gebiedsuitbreiding betekent in deze periode dan ook meer dan alleen militaire verovering. Het gaat om grondbezit, ontginning, religieuze instellingen en het versterken van grafelijk gezag.

Tussen Duitsland en Frankrijk

Arnulfs positie wordt ook bepaald door de machtsstrijd tussen het Duitse en Franse koningshuis. Zijn familie heeft banden met zowel Vlaanderen als het Duitse rijk. Arnulf zelf staat dicht bij de Ottoonse vorsten, terwijl hij ook belangen heeft in gebieden die onder Franse invloed staan.

Dat leidt tot spanningen met Hugo Capet, die in 987 koning van Frankrijk wordt. De verhoudingen zijn echter ingewikkeld: de middeleeuwse politieke wereld kent nog geen moderne staatsgrenzen. Een edelman kan tegelijkertijd bezittingen hebben, leenbanden onderhouden en politieke verplichtingen hebben tegenover verschillende vorsten.

Ook zijn huwelijk versterkt Arnulfs positie. Rond 980 trouwt hij met Liutgard van Luxemburg, dochter van Siegfried I, graaf van Luxemburg. Zij is de zus van Kunigunde, die later met keizer Hendrik II zal trouwen. Door dit huwelijk wordt Arnulf verbonden met een machtige familie binnen het Duitse rijk.

De laatste veldtocht

Aan het einde van zijn leven richt Arnulf zijn aandacht opnieuw op het noorden. Zijn gezag over de West-Friese gebieden is niet vanzelfsprekend en hij probeert zijn invloed daar verder te vestigen.

In 993 trekt hij met een leger noordwaarts. De onderneming loopt uit op een nederlaag. Op 18 september wordt Arnulf gedood.

De precieze omstandigheden van de veldslag zijn moeilijk te reconstrueren. De bronnen uit die tijd zijn schaars en latere kronieken vullen de gebeurtenissen soms aan met details die niet met zekerheid kunnen worden gecontroleerd. Daarom is het verstandiger om te spreken van Arnulfs laatste veldtocht tegen de West-Friezen dan om een volledig vaststaand verhaal rond de slag bij Winkel te presenteren.

Na zijn dood neemt Liutgard de zorg voor de dynastieke positie van haar kinderen op zich. Met steun van keizer Otto III blijft de positie van haar zoon Dirk behouden.

Een graaf tussen verschillende werelden

Arnulf van Gent belichaamt daarmee de politieke werkelijkheid van de tiende-eeuwse Lage Landen. Hij wordt geboren in Gent, komt uit een Vlaams grafelijk geslacht, regeert over gebieden in West-Frisia, onderhoudt banden met de Duitse keizers en raakt betrokken bij de machtsverhoudingen rond Frankrijk.

Zijn pogingen om het grafelijke gezag naar het noorden uit te breiden kosten hem uiteindelijk het leven. Toch verdwijnt zijn familie niet van het toneel. Zijn zoon Dirk III zet de dynastie voort en draagt bij aan de verdere ontwikkeling van het gebied dat later bekend zal staan als het graafschap Holland.

Gepubliceerd

18.09.2026

Kernwoorden
Reacties

Identiteit: een erfenis zonder testament

Onlangs schreef prof. dr. Jan Dumolyn, bekende mediëvist aan de UGent en ook bekend om zijn sociaal-marxistische engagement, over het begrip identiteit.

Ik citeer hem even:

“Je ‘identiteit’ bestaat niet. Die is niet echt. Je hebt helemaal geen identiteit. Je identificeert je met iets en dat is een louter ideologische daad, een aanpassing aan het discours van de ander.”

Jan is precies geen fan van Herman van Veen. Die zong ooit: “Alles wat ik weet, weet ik van een ander.”

Ik wel.

En wat ik ook weet, maar dan uit het leven gegrepen: je weet pas wat je ‘identiteit’ is als men ze je ontneemt.

Persoonlijk ben ik niet zo wild van het woord identiteit op zich. Etymologisch is het een beetje dubbelzinnig. In oorsprong ging het meer over gelijkvormigheid of eenzelvigheid. Pas later werd het: wat een persoon of groep onderscheidt van een ander. En dus ook uniek maakt. Deze vaststelling doet me denken aan een Frans administratief controledocument: mijn carte d’identité. In het Frans de naam voor mijn pas.

Maar je moet ergens beginnen. Laat ik dus mijn Franse pas even bekijken.

Ben ik wie ik ben op die foto?  Mijn voornamen en namen? Mijn geboorteplaats en geboortedatum? Ik lees ook de M van masculin. Man dus. En een paar unieke nummers. Is dat mijn handtekening?

Dat voor de voorzijde.

Wat meldt de achterkant van dezelfde identiteitskaart? Naast een paar elektronische chips: mijn lengte. 1,77 meter. En mijn adres.

Op de carte d’identité van mijn grootouders stond vroeger nog meer.De kleur van de ogen.De vorm van de neus.

O ja, ik vergat nog iets.Een digitaal vierkant met een hoop puntjes naast elkaar.Ik vermoed dat dit mijn vingerafdruk voorstelt. Vroeger gebeurde dat met purperen inkt. Door de ambtenaar van de burgerlijke stand. Eigenhandig op de kaart neergedrukt.

Een magere oogst, nietwaar?

Want ik mis hier van alles wat bij mijn ‘identiteit’ hoort.

Wie waren mijn ouders? En mijn voorouders? Op welke gronden en in welke huizen leefden ze? Uit welke heimat kwamen ze? Welke beroepen oefenden ze uit?Waar en hoe speelde hun leven zich af? Tot welke sportvereniging, club of gilde behoorden ze? Welke taal spraken ze?

Nochtans heb ik van die duizenden voorouders — voor de meesten illustere onbekenden — niet alleen biologisch geërfd. Ook sociaal en cultureel. Arm of rijk. Gezond of ongezond. Helden en schurken. Hun erfenis leeft. Of ik dat nu wil of niet.

Het is de Franse ontdekkingsreiziger Jean Raspail die ooit merkte dat het geheugen van een mens in de meeste families al stopt bij een paar voorbije generaties.Daar houdt de kennis meestal op. Maar toch ook weer niet. Want als ik in de spiegel kijk, zie ik dingen die niet op mijn identiteitskaart staan.

Zelf zie ik het niet altijd. Maar iemand zei me onlangs dat ik met de jaren meer op mijn vader begin te trekken. De ogen van mijn moeder had ik dan weer altijd al. Die had zij op haar beurt van haar overgrootmoeder. En soms neem ik het oude, geroeste boerenalaam van mijn grootvader ter hand. Hij vertelde me ooit dat sommige stukken generaties teruggingen. Daar begint een identiteit die niet op een kaart past.

Met de voorouders kom ik tot lang vervlogen tijden. En daarmee kom ik bij een derde dimensie van mijn definitie. Als je ingeworteld bent in een duizendjarige geschiedenis van je clan en je voorouders…Van een plek. Van een grondgebied. Van een heimat op aarde. Met hun cultuur. Hun taal.Hun tradities.

Dan kunnen oorlogen, bommen en granaten, moord en brand, verdwenen archieven, leugens en verzinsels niets veranderen aan één eenvoudige vaststelling:

Een mens is altijd van ergens.

En dat bepaalt eerst zijn identiteit.

Ik ontken uiteraard niet dat er vandaag ook een invulling ‘à la carte’ bestaat van het begrip identiteit. Maar die kant is al voldoende aan bod gekomen. Ik wou even de vergeten kant van de medaille benadrukken.

Je kan proberen zelf de vakjes te kleuren in het spelletje:

‘Wie ben ik?’

Maar je erfenis weigeren maakt je niet noodzakelijk gelukkig. Ik zie dat de wachtzalen van de psychologen overvol zitten. Deze hyper individualistische visie kweekt een nieuwe mens. Een mens van overal. En van nergens.

 De markt heeft er geen moeite mee. Het levert een mens zonder eigenschappen op die vooral consument is, overal kan wonen in zielloze gebouwen en overal hetzelfde kan kopen.

En de marxisten? Die kunnen er een nieuw contingent identiek gekweekte proletariërs in zien.

De Bretoense schrijver Pêr-Jakez Heliaz schreef in zijn boek Le Cheval d’orgueil (1975):

“Être de son temps, c’est apparemment facile. Il est plus difficile d’être de quelque part.”

Van zijn tijd zijn, is blijkbaar gemakkelijk.
Van ergens zijn, is veel moeilijker.”

Gepubliceerd

17.09.2026

Kernwoorden
Reacties

Waarom het Nederlands ook een regionale taal is in Frans-Vlaanderen

Onze betreurde vriend, de taalkundige en Frans-Vlaanderenkenner Cyriel Moeyaert, heeft het in zijn vele publicaties aangetoond: tot ver in de negentiende eeuw bestond in Frans-Vlaanderen een gevestigde Nederlandse schrijftaaltraditie, en niet een schrijftaal in het gesproken Frans-Vlaams.

Dat Nederlands werd uiteraard geschreven in de soms archaïsch aandoende spelling van die tijd. Hier en daar kwamen woorden en zinswendingen uit de streektaal voor. Sommige auteurs deden ook pogingen om de gesproken taal schriftelijk weer te geven. Maar dat was niet meer of minder dan in andere Vlaamse regio’s. De geschreven taal was Nederlands.

Dat verklaart bijvoorbeeld waarom Petrus Datheen uit Kassel Nederlandse psalmen kon schrijven toen hij naar Nederland vluchtte. Het verklaart ook waarom Plancius uit Dranouter zijn kaarten en astrologische annotaties in het Nederlands kon opstellen en waarom Simon Stevin uit Brugge de Nederlandse taal kon verrijken met wiskundige en natuurkundige terminologie.

Een eeuw later zien we hetzelfde in de gedichten van de Duinkerkse dichter Michiel de Swaen, in het voorschriftboek van de Casselaar Andries Steven en zelfs in de geschreven theaterstukken van de volkse figuur Tisje Tasje.

Niets nieuws onder de zon, maar het wordt tegenwoordig wel helemaal over het hoofd gezien.

In gebieden waar een Germaanse taal werd gesproken, was de gesproken taal eeuwenlang de streektaal van de gemeenschap, terwijl de geschreven taal de standaardtaal was. Dat de standaardtaal geleidelijk ook als gesproken taal aan belang won, had veel te maken met de groeiende contacten, verplaatsingen en verhuizingen buiten de eigen gemeente en regio.

De komst van de trein vanaf het midden van de negentiende eeuw versnelde die ontwikkeling: mensen konden grotere afstanden overbruggen en kwamen daardoor steeds vaker met andere taalvarianten in contact.

In Frans-Vlaanderen speelde daarnaast nog iets anders een belangrijke rol dat naar mijn mening door veel historici over het hoofd wordt gezien.

Na de annexatie door Frankrijk bleef Frans-Vlaanderen nog lange tijd tot het bisdom Ieper behoren. Om precies te zijn: officieel tot 1801, dus meer dan 130 jaar. In de Frans-Vlaamse katholieke schoolinstellingen die van het bisdom Ieper afhingen, werd tot aan de Franse Revolutie onderwijs gegeven met hetzelfde pedagogische materiaal als bijvoorbeeld in Ieper of Veurne.

De Nederlandstalige taal- en spraakkunstboeken waren daardoor aan beide kanten van de Schreve dezelfde.

Het ‘Nieuwen Nederlandschen Voorschriftboek’ van de Casselse onderwijzer Andries Steven (ca. 1678–1747) is daarvan een bijzonder duidelijk voorbeeld. Het werk verscheen in 1714, werd meermaals herdrukt en werd zowel in Frans-Vlaanderen als in West- en Oost-Vlaanderen veelvuldig gebruikt.

Dat betekent concreet dat leerlingen in Frans-Vlaanderen binnen deze Nederlandstalige schooltraditie Nederlands leerden lezen en schrijven. Op de speelplaats spraken zij hun Frans-Vlaamse streektaal; tijdens de lessen leerden zij Nederlands.

Toegegeven, slechts een beperkte groep kinderen ging toen naar school. Maar dat was aan de andere kant van de Schreve niet anders. Dat verandert dus niets aan het feit dat het Nederlands de geschreven taal was die zij op school leerden.

Veelzeggend is bovendien de titel van Stevens boek: ‘Nieuwen Nederlandschen Voorschriftboek’. Steven, afkomstig uit Kassel, plaatste zijn schoolboek daarmee duidelijk binnen de Nederlandse schrijftaaltraditie. Dat hij elders in hetzelfde werk ook over de ‘Vlaemsche Tael’ spreekt, doet daar niets aan af: voor hem sloten beide begrippen elkaar niet uit.

Cyriel Moeyaert stelde bovendien in het Jaarboek De Franse Nederlanden (1985) vast dat Stevens taal dichter bij het toenmalige algemeen Nederlands stond dan die van bepaalde uitgaven uit dezelfde periode aan de andere kant van de Schreve.

Wie de geschiedenis van Frans-Vlaanderen en zijn taal ernstig neemt, kan dus moeilijk volhouden dat het Nederlands daar altijd een vreemde taal is geweest.

Het zou de zelfverklaarde taalkundigen en andere académiciens van het Frans-Vlaams dan ook sieren zich wat meer te interesseren voor geschiedenis in het algemeen en voor taalgeschiedenis in het bijzonder.

En van stilaan te landen bij een eenvoudige historische vaststelling:

Het Nederlands is in Frans-Vlaanderen geen ‘vreemde’ taal. Het is eeuwenlang de geschreven taal van de streek geweest.

Precies daarom is de huidige eis van bepaalde Frans-Vlaamse groepen om naast het reeds erkende Frans-Vlaams ook het Nederlands als regionale taal te erkennen.

Het Frans-Vlaams en het Nederlands hebben in de geschiedenis van de streek immers een, elkaar aanvullende rol gespeeld: het Frans-Vlaams als gesproken streektaal, het Nederlands als geschreven taal.

Dat het ene vandaag erkenning geniet, nu het  zo goed als verdwenen is,  betekent niet dat het Nederlands mag worden weggeschreven. Integendeel.

Ook in de Elzas wordt het historische taalverhaal niet gereduceerd tot één taal: naast het Elzassisch bestaat er ook erkenning en bescherming van het Duits als historische taal van de regio.

Waarom zou wat daar mogelijk is, in Frans-Vlaanderen onmogelijk zijn?

Gepubliceerd

16.09.2026

Kernwoorden
Reacties

Van Volksgeist tot natiestaat

Na verschillende debatten en interviews aan Frans-Vlaamse kant de afgelopen dagen, blijf ik verbaasd over de moeilijkheid om bepaalde termen — en vooral bepaalde fundamentele nuances — in de taal van Molière uit te leggen. Laten we het woord ‘nationalisme’ nemen. Wat is nationalisme in het Frans en wat met het ‘volksnationalisme’ binnen de Vlaamse Beweging?

Laat ons beginnen met het begrip ‘volksnationalisme’ en de vraag hoe dit in het Frans te vertalen is. Al bij het eerste onderdeel van het woord, ‘Volk’, duikt een moeilijkheid op. Het begrip Volk laat zich niet zonder meer vertalen door het Franse peuple. In de betekenis die het binnen de Vlaamse Beweging en de herderiaanse traditie heeft gekregen, gaat het om méér dan een politieke of sociale categorie. Het verwijst naar een historisch gegroeide gemeenschap die door taal, cultuur, tradities, herinneringen, afkomst, een gedeelde geschiedenis en gemeenschappelijke wortels met elkaar verbonden is.

Om die specifieke betekenis in het Frans weer te geven, vind ik ‘communauté organique’ een betere benadering dan peuple. Met ‘organisch’ bedoel ik hier een gemeenschap die niet door een politieke beslissing of een staatsconstructie tot stand is gekomen, maar doorheen de geschiedenis is gegroeid en waarin taal, cultuur, tradities, herinneringen, afkomst en gemeenschappelijke wortels met elkaar verweven zijn.

Om dit alles goed te begrijpen, is een verwijzing naar de filosoof Johann Gottfried Herder (1744–1803) onmisbaar. Herder geldt als een van de belangrijkste grondleggers van het begrip Volksgeist: het idee dat iedere gemeenschap een eigen, historisch gegroeide geest bezit, gevormd door gedeelde taal, geschiedenis, gewoonten en herinneringen.

Voor Herder was het Volk geen administratieve categorie, maar een levende gemeenschap die zich door de tijd heen ontwikkelt en waarvan de taal een van de diepste uitdrukkingen vormt. In zijn visie is een gemeenschap niet te reduceren tot een verzameling individuen binnen bepaalde staatsgrenzen, maar vormt zij een historisch gegroeide eenheid met een eigen innerlijke samenhang.

Het is precies deze gedachte — dat een Volk een organisch gegroeide, cultureel bepaalde gemeenschap is — die later een belangrijke inspiratiebron zou vormen voor vormen van volksnationalisme in de Lage Landen, Scandinavië en Duitsland.

Deze tegenstelling tussen een organisch gegroeide gemeenschap en een op afspraken, belangen en instellingen gebaseerde maatschappij krijgt een bijzonder heldere sociologische formulering bij de Duitse socioloog Ferdinand Tönnies* (1855–1936). In zijn klassieke onderscheid tussen Gemeinschaft en Gesellschaft beschrijft hij twee verschillende vormen van menselijke samenhang. Gemeinschaft verwijst naar een gemeenschap waarin mensen met elkaar verbonden zijn door verwantschap, traditie, taal, gewoonten en een gedeeld leven. Gesellschaft daarentegen verwijst naar een maatschappij waarin individuen primair met elkaar verbonden zijn door afspraken, belangen, formele regels en rationeel georganiseerde instellingen.

Tönnies ontwikkelde dit onderscheid als een sociologische typologie en niet als een theorie van nationalisme. Toch is het bijzonder bruikbaar om het verschil tussen volksnationalisme en staatsnationalisme te begrijpen. Waar het volksnationalisme vertrekt vanuit de Gemeinschaft, de organische gemeenschap, vertrekt het staatsnationalisme vanuit de Gesellschaft: de politieke maatschappij die individuen binnen dezelfde staatsstructuur verenigt.

Daartegenover staat de Franse, meer voluntaristische natieopvatting, waarvan Ernest Renan (1823–1892) een van de bekendste vertolkers werd. In zijn beroemde voordracht Qu’est-ce qu’une nation? uit 1882 omschrijft Renan de natie niet in de eerste plaats als een etnische, taalkundige of genealogische gemeenschap, maar als een historische politieke formatie die berust op een gedeeld verleden én op de actuele wil om samen verder te leven. Zijn bekende beeld van de natie als een ‘dagelijks plebisciet’ vat die voluntaristische benadering kernachtig samen.

Hier ligt een fundamenteel verschil. Waar Herder het accent legt op de organisch gegroeide gemeenschap, legt Renan het accent op de politieke en vrijwillige keuze om een natie te vormen en in stand te houden. Tönnies biedt vervolgens de sociologische begrippen om dit onderscheid scherper te formuleren: Gemeinschaft tegenover Gesellschaft, gemeenschap tegenover maatschappij.

Het ‘volksnationalisme’ staat daarmee tegenover het staatsnationalisme: een opvatting waarbij individuen zich binnen de natiestaat verenigen in een politieke maatschappij en zich herkennen in haar instellingen, wetten en waarden, onafhankelijk van hun etnische of historische oorsprong. De maatschappij van de natiestaat wordt daarmee het primaire kader van nationale verbondenheid, terwijl de organische gemeenschap naar de achtergrond verdwijnt.

De organische gemeenschap maakt dan in versneld tempo plaats voor een meer kunstmatig georganiseerde maatschappij, die het verlies aan onderlinge samenhang probeert te compenseren met meer wetten, meer regels en meer sancties, maar ook met het pamperen van de nieuwkomers om de boel draaiende te houden — zonder veel enthousiasme van laatstgenoemden overigens, en dus zonder veel kans op succes.

Nog een essentiële opmerking: het ‘volksnationalisme’ is niet verbonden aan staatsgrenzen en denkt en verbindt los van de bestaande staten. Men kan dus Vlaams ‘volksnationalist’ zijn zonder Vlaamse staat, bijvoorbeeld.

In het Frans bestaan er nog andere termen zoals ‘nationaal-populisme’ of ‘identitair denken’, die sommigen graag uitwisselbaar of gelijkwaardig zouden willen maken aan het ‘volksnationalisme’. In werkelijkheid dekken ze nog andere zaken dan het ‘volksnationalisme’, ook al zijn verbanden niet uitgesloten.

Ten slotte wil ik nog toevoegen dat het ‘volksnationalisme’, omdat het organisch is, noch rechts, noch links, noch centrum is. Het Catalaanse of Schotse ‘volksnationalisme’ bevindt zich eerder links, terwijl dat van Vlaanderen zich rechts bevindt.

De staatsnationalisten — en ruimer alle tegenstanders van het volksnationalisme — zullen niet nalaten te benadrukken dat elke poging tot organische definitie, gebaseerd op een volksgemeenschap, moet worden ondergebracht bij uiterst rechts, waarbij ze de noties van identitair denken, populisme en racisme naar boven halen om het te diskwalificeren. Nogmaals, dat is niet de mening van de linkse Catalanen, de Schotten, de Ieren enzovoort.

In Vlaanderen vergeten sommigen ter rechterzijde graag deze fundamentele onderscheidingen tussen staatsnationalisten en volksnationalisten wanneer het hen uitkomt en voor de foto. Ze houden het dan bij het vage woord ‘nationalist’.

Uiteraard kan het volksnationalisme bepaalde waarden delen met de staatsnationalisten. Op het ideeënfront staan ze wel elk aan de andere kant van de barricade.

Gepubliceerd

15.09.2026

Kernwoorden
Reacties

Taalmoord: interview in La Voix du Nord

Hieronder vindt u mijn interview dat vandaag verscheen in La Voix du Nord.

Een belangrijke kanttekening bij het artikel: de journaliste vermengt de girondijnen met de jacobijnen. Nochtans is dat onderscheid essentieel. De girondijnen stonden voor decentralisatie en een grotere regionale autonomie, terwijl de jacobijnen juist voor een sterk gecentraliseerde staat stonden en de drijvende politieke kracht vormden achter het Terreur-bewind tijdens de Franse Revolutie. Het waren bovendien de jacobijnen die de aanstokers waren van de taalgenocide op de streektalen in Frankrijk.

Ook in de reactie van de woordvoerder van de AVNT blijft naar mijn mening een essentieel punt onderbelicht: de noodzaak om het Nederlands als regionale taal in Frans-Vlaanderen te erkennen en te versterken, naast het langzaam verdwijnende Frans-Vlaams.

Daarbij is het belangrijk om beide talen niet tegenover elkaar te plaatsen. Integendeel: het Nederlands kan juist een belangrijke hefboom zijn voor het behoud en de herwaardering van het Frans-Vlaams. Het Frans-Vlaams is ons historische lokale taalerfgoed; het Nederlands biedt daarnaast de mogelijkheid om die Vlaamse taalkundige identiteit opnieuw een bredere, hedendaagse toekomst te geven, onder meer via onderwijs, cultuur en publieke erkenning.

Daarbij moet men denken aan de woorden van Antonio Gramsci in Lettere dal carcere (Celbrieven): “Il pessimismo dell’intelligenza, l’ottimismo della volontà.” In het Nederlands: “Pessimisme van het intellect, optimisme van de wil.”

Het intellect dwingt ons de werkelijkheid onder ogen te zien: het Frans-Vlaams verdwijnt langzaam. Maar dat hoeft geen reden te zijn om bij de pakken neer te zitten.

Mijn optimisme voor de toekomst loopt via het Nederlands. Juist door het Nederlands opnieuw een plaats te geven in Frans-Vlaanderen, kunnen we volgens mij betere voorwaarden scheppen om ook het Frans-Vlaams te bewaren, te herwaarderen en door te geven aan toekomstige generaties.

Dat biedt naar mijn overtuiging meer perspectief dan uitsluitend inzetten op beperkte taalinitiatieven.

Gepubliceerd

14.09.2026

Kernwoorden
Reacties