WIDOPEDIA
Een blog over Frans-Vlaanderen, de Nederlanden en Europa
Wido Bourel

Meest recente berichten
Archieven
Kernwoorden

Archieven voor week 36, 2026

De hondennest: nostalgie rond een veldkapel

Zaterdag was een bijzondere dag. In de voormiddag vierde ik de restauratie van de kapel van de Hondennest in Kaaster, het dorp van mijn jonge jaren. In de namiddag trok ik naar Kassel voor een debat over mijn nieuwste boek Taalmoord in het stadhuis.

Bij de kapel van de Hondennest was opvallend veel volk opgedaagd: meer dan honderd enthousiaste aanwezigen, met de burgemeester, de pastoor en de plaatselijke harmonie voorop. Zoveel mensen verzameld midden in de velden, in het open landschap, deden me even denken aan de hagenpreken in open veld die we kennen van oude schilderijen.

Mijn nicht Eva Bourel, die samen met een groep jonge vrijwilligers het initiatief nam om de kapel te restaureren, nam het woord. Ook vriend Karel Appelmans was van de partij, samen met zijn mensen van Euvo. Zij zorgden ervoor dat opnieuw een Nederlandstalig bord werd aangebracht – ditmaal bij deze historische veldkapel én langs de straat die ernaartoe leidt.

Terecht, want zelfs de slecht verfranste naam van de wijk – Le Nid de Chien – kan de oorspronkelijke, oeroude Vlaamse toponiem niet uitwissen. Un nid de chien bestaat trouwens niet als correcte Franse uitdrukking voor een dierennest of een nest jonge dieren; nichée zou daarvoor eerder het Franse woord zijn. De verfransing is dus niet alleen ongelukkig, maar ook taalkundig mank.

Op nog geen vijfhonderd meter van de kapel staat een prachtig achttiende-eeuws huis dat al sinds lang vervlogen tijden bekendstond als de Herberg van de Hondennest. Ik heb die herberg nog gekend als een sfeervol Vlaams estaminet waar de tijd leek te hebben stilgestaan.

Ik kwam er wel eens met mijn grootvader, die ik dikwijls vergezelde tijdens zijn leerrijke wandelingen door de velden en weiden. Het zijn herinneringen die vandaag nog altijd sterk verbonden zijn met deze plek.

En wat heeft de Hondennest te maken met mijn boek Taalmoord?

Veel meer dan men op het eerste gezicht zou denken. Een van de meest illustere bewoonsters van de wijk was mijn groottante Margriet, Margriet van Merris, bijgenaamd Margriet Stolkarette. In Taalmoord wordt ze uitvoerig geciteerd om de rijkdom van haar Vlaamse streektaal te illustreren. Ze sprak die taal vloeiend en bezat een indrukwekkende woordenschat.

Ook de taalkundige Cyriel Moeyaert was vriend aan huis bij tante Margriet. Hij noteerde er menig taalpareltje uit haar rijke streektaal.

Margriet is er al lang niet meer. Maar wie vandaag bij de kapel van de Hondennest staat, kan in de verte nog altijd haar oude huis ontwaren, verscholen in een oase van groen. Het huis met zijn strodak is zonder twijfel een van de oudste huizen van Kaaster.

Wie meer wil weten over de taal van tante Margriet en over de rijke Vlaamse streektaal die in deze streek ooit vanzelfsprekend was, nodig ik uit om Taalmoord te lezen.

Meer info: widopedia.eu

En tot slot: een dikke proficiat aan Eva en haar vrijwilligers voor deze geslaagde restauratie. En ook aan Karel en zijn makkers van Euvo voor hun inzet voor het eerherstel van een stukje van ons Vlaamse taal- en cultuurerfgoed.

De Hondennest is meer dan een kapel. Het is een plek waar landschap, geschiedenis, de Vlaamse streektaal en herinneringen samenkomen. Maar bovenal is het voor mij een dierbare plek uit mijn jeugd, verbonden met mijn grootvader, mijn familie en de wandelingen door het vertrouwde landschap van Kaaster.

Gepubliceerd

06.09.2026

Kernwoorden
Reacties
Jef Bogaert
12.10.2026 - 01:07

Op 1 oktober (2026) is een belangrijke medewerker van EUVO, Edgard Stubbe uit Ruddervoorde, overleden. Op vele plaatsen in Frans-Vlaanderen (maar ook in West-Vlaanderen) bracht hij een EUVO-naambordje aan of haalde hij oude teksten terug boven en zorgde er voor dat ze goed leesbaar werden. Zo zette hij het Vlaamse karakter duidelijker op de kaart.

Antwoord

Van de Nederlanden tot de Benelux en terug

Op 5 september 1944 tekenen België, Nederland en Luxemburg in Londen de Douaneovereenkomst. De drie Benelux-landen vormen vanaf dan de basis voor een douane-unie, die in 1948 in werking treedt: een eerste belangrijke stap in de richting van de Benelux Economische Unie. Het verdrag tot oprichting daarvan wordt op 3 februari 1958 ondertekend en treedt op 1 november 1960 in werking voor een termijn van vijftig jaar. In 2008 wordt een vernieuwd Benelux-Verdrag ondertekend, dat op 1 januari 2012 in werking treedt. 

Deze toenadering tussen de landen die ooit tot de Nederlanden behoorden, nog tijdens de Tweede Wereldoorlog tot stand gekomen, is een krachtig signaal voor het naoorlogse Europa. Enkele cijfers om te begrijpen wat deze Benelux-landen samen betekenen: ongeveer 30,6 miljoen inwoners en een bbp van circa 1.911 miljard euro, goed voor ongeveer 10,2 procent van het bbp van de Europese Unie. 

Met deze cijfers kan men zich terecht afvragen waarom de Benelux-unie stilaan op de achtergrond is geraakt. Op het eerste gezicht luidt het goedkope antwoord: de opmars van Europa. Maar zo eenvoudig is dat niet. Na aanvankelijk voorstander te zijn geweest van Benelux – zie de namen van de ondertekenaars van het verdrag van 1944 – zijn de Franstaligen in dit land bang geworden voor een nog grotere minorisering in Benelux-verband. In Franstalig België leeft men nog liever, steunend op Frankrijk, in een virtueel failliet land. Franstalig België verkiest failed state België onder de uitgestoken vleugels van grote broer Frankrijk.

De rol van Frankrijk achter de schermen om Benelux te kelderen mag je niet onderschatten. De cijfers hierboven spreken verder voor zich: als deze economische macht wordt omgezet in een metapolitieke entente cordiale, dreigt Frankrijk zijn invloedrijke rol in België en het Groothertogdom Luxemburg  te verliezen, de landen die men in Parijs tot zijn geopolitieke invloedssfeer rekent.

Het idee van Benelux als hedendaagse erfgename van de historische Nederlanden is het einde van de Franse droom met tentakels tot aan de Rijn. Toegegeven, de naam Benelux, die lijkt op het merk van een wasmiddel, is wellicht minder inspirerend en voor verbetering vatbaar. Maar een doorgedreven samenwerking tussen de landen die Willem I tussen 1815 en 1830 samenbracht, blijft een interessante piste om te beletten dat de grens met Frankrijk ooit door het Zoniënwoud zou gaan lopen en om meer gewicht in de schaal te leggen in het zootje dat de Europese Unie heet.

Gepubliceerd

05.09.2026

Kernwoorden
Reacties

Nicolas Bourgeois: over de taal van het hart en de taal van het verstand.

Op 4 september 1896 werd in Rijsel de Frans-Vlaamse voorman, schrijver en mentor Nicolas Bourgeois geboren. Nicolaas, voor de vrienden.

Een bijzonder knappe kop was hij. Oud-leerling van de befaamde École Normale Supérieure, waar hij politieke wetenschappen en geschiedenis studeerde en later doctoreerde in de rechten.

Hij bleef bovendien zijn leven lang contact houden met zijn studiemakkers van de ‘Normale Sup’: de historicus Pierre Gaxotte, de fysicus en Nobelprijswinnaar Alfred Kastler en de specialist in de Indo-Europese studies Georges Dumézil.

Zijn naam is verbonden met zowat alle mogelijke initiatieven voor zelfbestuur en tegen het jakobijnse centralisme in Frankrijk. Hij was secretaris van de Franse Federalistische Federatie van Charles-Brun, rechterhand van Jean-Marie Gantois in het Vlaams Verbond van Frankrijk en verbindingsman tussen allerlei regionalistische stromingen vanaf de jaren twintig.

Maar Nicolaas had nóg een bijzondere gave: hij schreef sneller dan zijn schaduw.

Zijn leven lang schreef hij voor Frans-Vlaamse bladen en tijdschriften. Tijdens het interbellum, toen hij nog in Parijs woonde en werkte, was hij correspondent van De Standaard. Als secretaris van de Parijse gemeenteraad schreef hij bovendien teksten voor Franse politici van allerlei pluimage. Ghostwriter avant la lettre, dus.

Hij noemde zichzelf daarom weleens ‘de papegaai van Parijs’.

De naam Nicolas Bourgeois kom je vandaag evenwel niet zo vaak tegen. Veel van zijn artikelen, onder meer in Le Lion de Flandre, verschenen onder een schuilnaam of gewoon anoniem. Niet onlogisch: een goede ghostwriter loopt nu eenmaal liever achter de schermen.

Ooit heb ik samen met Nicolaas geprobeerd de lange lijst van zijn schuilnamen te reconstrueren. Een moedige onderneming. Maar eerlijk gezegd: het was onbegonnen werk.

Naast talloze artikelen schreef Bourgeois ook een reeks boeken en essays. Zijn bekroonde doctoraat verscheen in boekvorm als Proudhon, le fédéralisme et la paix en bleef lange tijd een referentiewerk voor de studie van Proudhon en het federalistische gedachtegoed.

Ook als romanschrijver werd hij door de stad Rijsel bekroond, voor Le berceau sous le Beffroi.

En Frans-Vlamingen van mijn generatie herinneren zich ongetwijfeld zijn latere boeken: La vie légendaire et véridique de Tisje-Tasje, dat tijdens de Tweede Wereldoorlog al als vervolgverhaal verscheen in La Vie du Nord, en Les Hexagons, een anekdotische geschiedenis van Frankrijk die komaf maakt met de jakobijnse mythe van het eeuwige, onveranderlijke Frankrijk.

In de jaren zeventig had ik het geluk Nicolaas bijna wekelijks te ontmoeten. Aan die ontmoetingen heb ik later ook een boek gewijd.*

Een van onze gesprekken ging over onze Vlaamse streektaal en over het Nederlands.

Ik vroeg hem hoe hij die twee talen tegenover elkaar zag.

Zijn antwoord kwam prompt:

‘Beide verdienen onze inspanningen. Onze streektaal is de taal van het hart, en het Nederlands is de taal van het verstand. Het Vlaamsch mogen we koesteren. Het Nederlands hebben we broodnodig en moeten we leren voor de toekomst.’

Een uitspraak die mij is bijgebleven.

Misschien omdat er iets ontwapenend eenvoudigs in zit. Geen taalstrijd om de taalstrijd, maar een onderscheid tussen wat ons raakt en wat ons vooruithelpt.

De taal van het hart én de taal van het verstand.
Nicolaas Bourgeois had er alvast geen moeite mee om beide een plaats te geven.

Gepubliceerd

04.09.2026

Kernwoorden
Reacties

Taalmoord gelanceerd in Kortrijk – een boeiend debat over taal, identiteit en gemeenschap

Gisteren zat de zaal goed vol voor het debat naar aanleiding van de lancering van mijn boek TAALMOORD over taal, identiteit en gemeenschap.

Samen met uitgever Karl Drabbe, voormalig minister-president Geert Bourgeois en taalkundige prof. Freek Van de Velde gingen we in gesprek over de taalmoord die in Frans-Vlaanderen op onze taal werd gepleegd. Een boeiend debat, met heel wat stof tot nadenken!

Wie er niet bij kon zijn: TAALMOORD ligt sinds deze week in de boekhandel. 📚

Wie graag een gesigneerd exemplaar wil, kan rechtstreeks bij mij terecht. Meer informatie vind je ook op mijn blog: widopedia.eu.

Als voorproefje alvast mijn definitie van wat ik met taalmoord bedoel:

“Ik gebruik het begrip taalmoord niet als een emotionele vloek of een brutaal scheldwoord, maar om een langdurig proces aan te klagen waarbij een taal opzettelijk of systematisch uit het bestuur, het onderwijs, de kerk, de publieke ruimte en uiteindelijk uit het dagelijkse leven wordt teruggedrongen, verboden of vernietigd door beleid, wetgeving en politieke en sociale druk van de staat. Dat is de beschrijving van de taalmoord die door de Franse staat werd gepleegd.”

Interesse in het boek? Laat het me weten!

En natuurlijk: bedankt aan iedereen die erbij was en van deze lancering een mooie avond maakte, én aan uitgever Ertsberg voor de fijne samenwerking en de uitstekende verzorging van het boek. 🙏

Gepubliceerd

03.09.2026

Kernwoorden
Reacties

Hier, daar en aan de overkant  — Dat is Baskenland

Ik keek deze week naar het nieuwe programma van Arnout Hauben. Ooit had ik gehoord dat hij Frans-Vlaanderen zou aandoen. Maar neen hoor: het werd “Dwars door de Pyreneeën”.

Arnout en zijn mannen starten hun tocht in Baskenland — en dat hebben we geweten. Iedereen die hij op straat aanspreekt, antwoordt op de vraag “Spanje of Frankrijk?” zonder één tel nadenken: “Dit is Baskenland.” Punt. De grens daar, die net als hier rivieren, straten en zelfs huizen doormidden snijdt, is volgens hen niet meer dan een kunstmatige streep. De Basken trekken zich daar niets van aan.

Ook in Frans-Vlaanderen kronkelt de schreve onzichtbaar door het landschap. Maar hier reageren mensen totaal anders. Hoeveel Vlamingen aan beide kanten spreken niet over “Fransen” en “Belgen”, in plaats van gewoon over Vlamingen? En wat moeten we dan met een Belgische kust die Vlaams is, een Noord-Frankrijk dat eigenlijk het zuiden van de Nederlanden vormt, en de taal van de Vlamingen die… tja… nooit grenzen kende?

Als Spanjaarden én Fransen in de westelijke Pyreneeën allemaal Basken zijn, waarom doen wij dan zo krampachtig? Onze Baskische vrienden weten beter. Er valt veel in de plooi zodra men zich eerst — en alleen — Vlaming weet. Gewoon uitspreken. En ernaar leven.

Hier, daar en aan de overkant: allemaal Vlamingen, allemaal Basken. Een andere blik. Een wereld van verschil voor de toekomst.

Zullen we dat samen afspreken?

Gepubliceerd

02.09.2026

Kernwoorden
Reacties

Roger Casement, een Ierse revolutionair…

Op 1 september 1864 wordt Roger Casement geboren in Sandycove, een voorstad van Dublin. Hij zou uitgroeien tot diplomaat, mensenrechtenactivist, Iers nationalist en uiteindelijk revolutionair.

Casement begon zijn loopbaan in dienst van het Britse Rijk. Hij werkte onder meer als consul in Afrika en werd een scherpe criticus van de koloniale uitbuiting. In de Vrijstaat Congo, die persoonlijk eigendom was van de Belgische koning Leopold II, stelde hij de gruwelijke behandeling van de plaatselijke bevolking aan de kaak. Zijn rapport uit 1904 over de misstanden in Congo maakte internationaal grote indruk.

Zijn ervaringen in Afrika veranderden ook zijn kijk op Ierland. Casement begon parallellen te zien tussen de onderdrukking van bevolkingen in de kolonies en de politieke onderwerping van zijn eigen land aan Groot-Brittannië. Hij raakte steeds sterker overtuigd van het recht van Ierland op zelfbestuur en onafhankelijkheid.

In 1913 sloot hij zich aan bij de Irish Volunteers, een nationalistische paramilitaire beweging die was opgericht om de strijd voor Iers zelfbestuur te ondersteunen. Toen in augustus 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, zag Casement daarin een historische kans voor Ierland.

Zijn redenering was eenvoudig: als Groot-Brittannië in Europa verzwakt zou raken door de oorlog, kon Ierland misschien zijn onafhankelijkheid verwerven. Daarom zocht hij steun bij Duitsland, dat op dat moment oorlog voerde tegen Groot-Brittannië.

Casement reisde naar Duitsland en probeerde de Duitse regering ervan te overtuigen de Ierse onafhankelijkheidsstrijd te steunen. Hij hoopte onder meer op Duitse wapens voor de Irish Volunteers en probeerde Ierse krijgsgevangenen van het Britse leger te winnen om zich bij de Ierse zaak aan te sluiten. Hij wilde zelfs een Ierse brigade vormen uit Ierse krijgsgevangenen in Duitsland.

Zijn contacten met Duitsland waren dus niet ingegeven door sympathie voor het Duitse keizerrijk, maar vooral door zijn overtuiging dat “de vijand van mijn vijand” tijdelijk een bondgenoot van de Ierse onafhankelijkheidsbeweging kon zijn. Casement beschouwde de oorlog als een mogelijkheid om Ierland los te maken van de Britse overheersing.

In april 1916 keerde hij vanuit Duitsland naar Ierland terug, kort vóór de Paasopstand in Dublin. Hij werd echter vrijwel onmiddellijk gearresteerd door de Britten. De opstand zelf werd neergeslagen en de leiders werden geëxecuteerd.

Casement werd beschuldigd van hoogverraad wegens zijn contacten met Duitsland en zijn pogingen om tijdens de oorlog steun te verkrijgen voor een opstand tegen Groot-Brittannië. Hij werd ter dood veroordeeld en op 3 augustus 1916 opgehangen in de gevangenis van Pentonville in Londen.

Zijn executie maakte van hem een martelaar voor de Ierse onafhankelijkheidsbeweging. Toch bleef zijn reputatie lange tijd omstreden, onder meer door de publicatie van de zogenaamde Black Diaries, waarin Britten belastende passages over zijn privéleven openbaar maakten.

Pas in 1965 werden zijn stoffelijke resten door Groot-Brittannië aan Ierland overgedragen. Roger Casement kreeg vervolgens in Dublin een staatsbegrafenis en werd bijgezet op de begraafplaats van Glasnevin.

De Peruaanse schrijver Mario Vargas Llosa zou veel later een roman aan zijn leven wijden: El sueño del celta (De droom van de Kelt). Het boek vertelt het verhaal van een man die eerst de excessen van het Europese kolonialisme in Afrika en Zuid-Amerika aanklaagde en uiteindelijk besloot zijn eigen land, Ierland, te helpen bevrijden van de Britse overheersing.

Gepubliceerd

01.09.2026

Kernwoorden
Reacties

Van de Gentse tapkast naar het leger van Napoleon

Op 31 augustus 1840 overlijdt in Menen Maria Schellinck. Ze maakte naam als vrouwelijke soldaat in het mannenleger van Napoleon.

Maria werd in 1757 in Gent geboren en groeide er op. Als ongeletterde jonge deerne stond ze vanaf haar zestiende achter de tapkast van cabaret Het Haasken aan het Koophandelsplein in Gent. Daar kwam ze in contact met de Franse revolutionaire bezetter.

In 1792 trad ze, verkleed als man, in dienst van het Franse revolutionaire leger. Datzelfde jaar nam ze deel aan de Slag bij Jemappes tegen de Oostenrijkers. Vanuit hedendaags perspectief zouden we dat samenwerking met de bezetter of collaboratie noemen.

Later ging ze over naar het leger van Napoleon I en nam ze deel aan tal van veldslagen van de Franse keizer. Ze vocht onder meer bij Jemappes (1792), Arcole (1796), Marengo (1800), Austerlitz (1805), Jena (1806) en tijdens de veldtocht in Polen.

Collaboratie of niet: moed tonen deed ze wel. In zeventien jaar militaire dienst nam ze deel aan twaalf veldslagen, raakte ze acht keer gewond, werd ze meermaals op de dagorde vermeld en bracht ze het uiteindelijk tot onderluitenant.

Het duurde opmerkelijk lang voordat haar ware identiteit aan het licht kwam. Volgens de overlevering gebeurde dat bij de Slag bij Austerlitz in 1805, waar ze aan de dij gewond raakte. Een militaire geneesheer die haar verzorgde, ontdekte dat de soldaat die al dertien jaar in het Franse leger diende, in werkelijkheid een vrouw was.

Napoleon werd op de hoogte gebracht en zou onder de indruk zijn geweest van haar staat van dienst. Tegen de militaire voorschriften in mocht Schellinck bij het leger blijven.

In 1808 zwaaide Maria Schellinck af. Ze kon daarna nog jarenlang genieten van een Frans militair pensioen van 700 frank. Ze vestigde zich met haar echtgenoot in Rijsel. Later kwam ze in Menen terecht, waar ze op 31 augustus 1840 overleed.

Of Schellinck in 1808 daadwerkelijk persoonlijk door Napoleon met het Legioen van Eer werd onderscheiden, blijft onderwerp van historische discussie. Het verhaal bestaat al lang en er is zelfs een brevet dat de toekenning vermeldt. Toch wordt de authenticiteit ervan betwist. De Fransen hebben blijkbaar liever dat een echte Franse vrouw met die eer gaat.

In 2001 werd Maria Schellinck geëerd met een straatnaam in de Gentse deelgemeente Gentbrugge. Blijkbaar is de ene collaborateur de andere niet. Een overblijfsel van het Franskiljonisme in Gent?

Gepubliceerd

31.08.2026

Kernwoorden
Reacties