WIDOPEDIA
Een blog over Frans-Vlaanderen, de Nederlanden en Europa
Wido Bourel

Meest recente berichten
Archieven
Kernwoorden

Archieven voor week 24, 2026

Het boek dat een halve eeuw op zijn kans wachtte

Op 14 juni 2025, precies één jaar geleden, reed ik naar de drukker om mijn boek De Drie Maagdekens van Kaaster – De geheimen van een vergeten cultus te laten drukken.

Notities over de heidense cultus van de Drie Maagdekens verzamelde ik al sinds mijn vijftiende. Over de oude Nederlandstalige teksten in de kapel schreef ik ooit een van mijn eerste artikels. Het stelde niet veel voor en was geschreven in moeizaam Nederlands. Maar elk begin is moeilijk.

Zoals dat gaat met nota’s en paperassen, lag deze documentatie vervolgens bijna een halve eeuw te sluimeren in mijn archief. Ik vond nooit de moed om er echt werk van te maken. Jarenlang was mijn excuus dat ik als bedrijfsleider geen tijd meer had om te schrijven.

Tot ik in 2010 een oplossing vond: dunne boekjes schrijven en die in eigen beheer uitgeven. Eén per jaar. Twintig uitgaven later zijn die publicaties uitgegroeid tot volwaardige boeken. Het pensioen en wat meer vrije tijd hebben daarbij zeker geholpen.

Mijn boek over de Drie Maagdekens schreef ik nog volgens die beproefde methode: in eigen beheer en met een doel. De bescheiden opbrengst gaat naar de restauratie van waardevol bouwkundig erfgoed in Frans-Vlaanderen.

Een boek over de kapel van Kaaster uitgeven had ik ooit beloofd aan mijn mentor, Cyriel Moeyaert. Als priester wist Cyriel dat ik ook de voorchristelijke oorsprong van de kapel zou onderzoeken. Toch moedigde hij mijn werk altijd aan. Dat is nooit een discussiepunt tussen ons geweest.

WAAROVER GAAT DIT BOEK?

In het hart van het Frans-Vlaamse Kaaster ligt een eeuwenoude kapel met een intrigerende naam: de Kapel van de Drie Maagden. Ooit was zij het centrum van een belangrijke volksverering. Tijdens de jaarlijkse ommegang trok de kapel meer dan 20.000 bedevaarders.

De christelijke legende die met de kapel verbonden is, voert ons terug naar een veel oudere wereld, waarin vrouwelijke godheden een belangrijke rol speelden. De zoektocht begint in Kaaster, maar leidt de lezer verder door Europa en naar het Indo-Europese pantheon.

NU ZONDER VERZENDKOSTEN

Het boek is in Vlaanderen uitsluitend verkrijgbaar bij de auteur. Het betreft een tweetalige uitgave (Nederlands-Frans) van 124 pagina’s, formaat 14 x 26 cm, met 23 illustraties.

De prijs bedraagt € 19,95. Normaal komen daar € 6 verzendkosten bij , maar wie vóór midden juli bestelt, betaalt geen verzendkosten.

Interesse? Stuur mij een bericht via Messenger of mail naar widopedia@hotmail.com.

Elk exemplaar dat rechtstreeks bij de auteur wordt besteld, wordt desgewenst persoonlijk gesigneerd op uw naam of op de naam van degene aan wie u het boek wilt schenken.

Met uw aankoop steunt u bovendien de restauratie van waardevol erfgoed in Frans-Vlaanderen.

Gepubliceerd

14.06.2026

Kernwoorden
Reacties

Een kleine geschiedenis van het jakobinisme

Wie mijn teksten leest, komt geregeld de begrippen jakobinisme en jakobijnen tegen. Meer dan eens krijg ik de vraag wat die termen precies betekenen en of men vandaag nog jakobijn kan zijn. Daarom volgt hier een beknopte geschiedenis van het jakobinisme.

Deze tekst schreef ik enkele jaren geleden voor Doorbraak. Voor mijn lezers heb ik hem nu bijgewerkt en aangevuld.

De geschiedenis van deze beweging begint al in april 1789, drie maanden vóór de bestorming van de Bastille, die geldt als het begin van de Franse Revolutie. Bretoense afgevaardigden verzamelen zich onder de naam ‘Club breton’. Wanneer de Nationale Vergadering in oktober naar Parijs verhuist, nemen zij de naam ‘Genootschap van de Vrienden van de Grondwet’’ aan. Hun vergaderplaats vinden zij in het voormalige dominicanenklooster van de jakobijnen in Parijs.

In 1792 worden zij, onder de naam ‘Genootschap der jakobijnen, Vrienden van Vrijheid en Gelijkheid’, de machtigste politieke drukkingsgroep van Frankrijk. In Parijs zijn zij niet de enige revolutionaire club. Hun rivalen, de Feuillants, vergaderen in een ander voormalig klooster.

De jakobijnen slagen er echter als geen andere groep in uit te groeien tot een geduchte politieke denktank en een uitstekend georganiseerd nationaal netwerk. Eind 1793 telt Frankrijk naar schatting meer dan 5.000 jakobijnse clubs.

De eerste terroristen

Vóór 14 juli 1789 geniet het gedachtegoed van deze revolutionaire agitatoren slechts beperkte steun. De club wordt voornamelijk bezocht door de gegoede burgerij, maar voedt zich tijdens verhitte debatten met de energie van de straatrevolutie.

Zelfs in hun zogenaamd gematigde fase waren de jakobijnen allesbehalve gematigd. Al in 1790 stoten zij geleidelijk hun minder radicale leden af. Wat overblijft, is de harde kern: Grégoire, Saint-Just, Fouché, Sieyès, Collot d’Herbois, Billaud-Varenne en hun leider Robespierre.

Wie deze namen opzoekt in de geschiedenisboeken, merkt dat zij een hoofdrol spelen in de bloedigste en meest barbaarse episodes van de Franse Revolutie.

Tijdens deze zogenaamde heroïsche periode bereiden zij een totalitair bewind voor. Dat mondt uit in het Schrikbewind van 1793-1794, zodra de jakobijnen de volledige macht naar zich toe trekken. De uitvoerders van deze Terreur worden als eersten letterlijk terroristen genoemd. Stalin en Pol Pot zouden later tot hun bewonderaars behoren.

Het ware totalitaire karakter

Het totalitaire karakter van de jakobijnse doctrine blijkt ook uit de oorspronkelijke versie van de leuze van de Franse Republiek: Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap of de Dood.

Dat laatste deel — of de dood — werd later geschrapt om de Revolutie beter verteerbaar te maken voor een breder publiek. De formule verschijnt voor het eerst in 1790 in een Discours sur l’organisation des gardes nationales van Robespierre.

Reeds in haar oorspronkelijke vorm bevatte de jakobijnse ideologie enkele opvallende kenmerken:

  1. de geschiedenis uitwissen als overblijfsel van de feodaliteit;
  2. woke avant la lettre;
  3. het Frans verplichten en andere talen op Frans grondgebied bestrijden;
  4. alle macht in Parijs centraliseren;
  5. echte of vermeende tegenstanders liquideren.

De geschiedenis uitwissen

Het utopische denken is van bij het begin aanwezig. Een van de eerste radicale voorstellen om alle historische benamingen en indelingen af te schaffen, kwam in september 1789 van een zekere Thouret. Hij stelde een cartesiaanse, geometrische indeling van Frankrijk voor: tachtig gelijke, volmaakte vierkante departementen, elk verdeeld in negen vierkante gemeenten, die op hun beurt opnieuw zouden worden onderverdeeld in negen eveneens vierkante kantons.

Wat uiteindelijk werd ingevoerd, was nauwelijks minder revolutionair. Een van de stichters van de jakobijnen, de priester Sieyès, stond aan de wieg van het systeem van de huidige departementen. Het doel was niet alleen een administratieve herindeling van Frankrijk. Men wilde vooral alle historische benamingen definitief van de kaart vegen en daarmee ook het collectieve geheugen van de Fransen aantasten.

Een Artesiër verloor zijn identiteit om een anonieme inwoner van het departement Pas-de-Calais te worden. Mijn Vlaamse voorouders werden plots inwoners van le Nord. Zo moesten hun nakomelingen vergeten dat zij Vlamingen in Frankrijk waren.

Woke avant la lettre

De jakobijnen waren woke voordat het woord bestond. Familienamen met een adellijke connotatie werden geproletariseerd. De meest fanatieke revolutionairen gaven hun kinderen revolutionaire voornamen: Victoire, Liberté-Chérie,  Amour-de-la-Patrie, en ook Potiron en Artichaut. De aanspreekvormen Monsieur en Madame werden verboden en vervangen door Citoyen en Citoyenne. In naam van de gelijkheid moest iedereen elkaar voortaan tutoyeren.

Ook duizenden plaatsnamen werden aangepast. Meer dan 3.000 gemeenten waarvan de naam verwees naar een heilige, een kerk of een religieuze traditie, kregen een nieuwe naam. Sint-Omaars werd Morin-la-Montagne, Duinkerke werd Dune-Libre.

Steden die zich niet voldoende schikten naar de eisen van de Revolutie werden symbolisch gestraft. Marseille werd Ville sans nom. Lyon werd, na de repressie en de massale executies, omgedoopt tot Ville affranchie.

De kampioen van deze semantische deconstructie was de journalist Marat in zijn blad L’Ami du peuple. De revolutionaire dialectiek verbood talloze woorden en introduceerde een hele reeks nieuwe termen. De tegenstander  werd voortaan een antipatriote, affameur, accapareur, complotiste, despote, tyran, modérantiste, brigand, contre-révolutionnaire of anti-populaire.

Tijdens de Franse Revolutie werkten de zogenaamde actieve burgers (citoyens actifs) aan het gemeenschappelijk geluk (bonheur commun), al dansend rond de vrijheidsboom — of, wanneer het anders liep, rond de guillotine.

Het Frans verplichten

Een ander hardnekkig lid van de jakobijnen was eveneens priester: Henri Grégoire, beter bekend als Abbé Grégoire. Hij besefte dat de boodschap van de Revolutie nooit volledig zou doordringen zolang een groot deel van de bevolking haar niet begreep.

Frankrijk telde in 1790 ongeveer 28 miljoen inwoners. Slechts zes miljoen spraken Frans. Nog eens zes miljoen konden de taal verstaan zonder ze echt te spreken. De overgrote meerderheid gebruikte tientallen andere talen en dialecten.

Al in 1790 begon Grégoire een grootschalige enquête naar de talen die op Frans grondgebied werden gesproken. Niet om ze te beschermen, zoals sommige naïevelingen dachten, maar om ze efficiënter te bestrijden.

Op 4 juni 1794 publiceerde hij zijn beruchte ‘Rapport over de noodzaak en de middelen om de streektalen uit te roeien en het gebruik van de Franse taal universeel te maken’. Opvallend is het gebruik van het woord uitroeien, een term die in het revolutionaire vocabularium geregeld terugkeert.

Grégoire werd de vader van de mythe dat het Frans, als taal van de Revolutie, de enige taal van de Franse natie moest zijn en dat alle andere talen op het grondgebied moesten verdwijnen.

Dat verklaart mede waarom deze jakobijn van het eerste uur op het einde van zijn leven door Napoleon in de adelstand werd verheven. Het verklaart ook waarom de Franse president François Mitterrand, ondanks protesten, zijn stoffelijk overschot in 1989 naar het Panthéon liet overbrengen.

Alle macht aan Parijs

Mijn oude mentor Nicolas Bourgeois, jurist, historicus en oud-leerling van de École Normale Supérieure, schreef ooit spottend: “Het jakobinisme is een authentieke vrucht van Parijse bodem, zoals de vaudeville op de boulevards of de geest van Montmartre.”

Niet zozeer het koningschap als wel de Franse Revolutie heeft de Franse regio’s voor lange tijd verlamd. De fysieke liquidatie van de Girondijnen — de meer gematigde en regionalistisch geïnspireerde revolutionairen — maakte van Parijs het centrum van een dictatoriale macht die zich tegen de provincies keerde.

De Franse filosoof Michel Onfray noemt zichzelf in zijn strijd tegen het jakobinisme graag een erfgenaam van de Girondijnen.

De pretentie om vanuit de hoofdstad de provincies onder de revolutionaire knoet te houden, leidde al snel tot verzet en uiteindelijk tot burgeroorlog. De breuklijn liep niet altijd tussen monarchisten en republikeinen. Vaak lag de oorzaak in het verzet tegen de verplichte dienstplicht.

De repressie die daarop volgde, veroorzaakte een escalatie van geweld en mondde uit in een bloedige terreur in verschillende provincies. Vooral de Vendée werd zwaar getroffen.

Napoleon, het vrijgevochten geesteskind van de Franse Revolutie, zou deze centralistische politiek van de oude jakobijnen overnemen en verfijnen. Hij versterkte haar met een politioneel en controlerend staatsapparaat, waarin een oppermachtige prefect boven de verkozen vertegenwoordigers van het volk stond en zijn bevelen rechtstreeks ontving van de centrale macht.

Geweld en terreur: een ideologische voorgeschiedenis

Een vergeten voordenker van de Franse Revolutie is de priester-dichter Étienne-Gabriel Morelly (1717-1778), auteur van Code de la Nature ou le Véritable esprit de ses lois de tout temps négligé ou méconnu. Het werk verscheen in 1755, overigens in Nederland.

Deze méconnu des Lumières, zoals hij soms wordt genoemd, stelde onder meer voor om andersdenkenden te isoleren in speciale instellingen. In de voormalige Sovjet-Unie werden later zelfs scholen naar hem genoemd.

Morelly, van wie sommige critici beweerden dat hij een pseudoniem van Diderot was, kan worden beschouwd als een voorloper van het utopische socialisme — of, zo men wil, van het communisme.

Een van de voorzitters van de Club der Jakobijnen, Pierre-Antoine, markies d’Antonelle (1747-1817), verdedigde een égalité approximative des propriétés als fundament van de republiek. Daarvoor moest men volgens hem, ik citeer, “een derde van de bevolking doen verdwijnen”.

Dat ging voor de calvinistische dominee André Jeanbon Saint-André (1749-1813) nog niet ver genoeg. Hij wilde de helft van de Franse bevolking laten verdwijnen.

De onbetwiste winnaar van deze macabere competitie was echter Armand-Joseph Guffroy (1742-1801), die in Frankrijk slechts vijf miljoen inwoners wilde overlaten.

Geweld en terreur: enkele cijfers

Historici zijn het niet eens over het aantal slachtoffers van de Franse Revolutie. De schattingen lopen uiteen van 400.000 tot 1 miljoen doden. Dat komt overeen met ongeveer één tot drie procent van de totale Franse bevolking van die tijd.

Alleen al in Parijs spreekt men van 50.000 tot 75.000 slachtoffers in amper drie maanden tijdens de terreurperiode van 1793-1794.

Het ging niet uitsluitend om politieke tegenstanders. Onder de slachtoffers bevonden zich ook kinderen, adolescenten, geesteszieken, gewone gevangenen en prostituees. Velen werden gedood omdat de gevangenissen overvol zaten.

Voor deze slachtoffers was er vaak zelfs geen tijd meer voor een proces of voor de guillotine. Er werd op grote schaal gedood met bijlen, speren en andere wapens, vaak voorafgegaan door zware mishandelingen, verkrachtingen en andere vormen van geweld.

De Vendée en de verdrinkingen van Nantes

Vanuit Parijs werden ook de revolutionaire en militaire operaties in Lyon geleid, evenals de georganiseerde verdrinkingen in Nantes, waarbij ongeveer 4.000 mensen om het leven kwamen.

Nog bloediger was de repressie in de Vendée. Volgens sommige schattingen vielen daar ongeveer 250.000 doden, wat overeenkomt met 20 à 25 procent van de bevolking van de betrokken regio.

Volledige dorpen werden in brand gestoken. Vrouwen, kinderen en ouderen werden op vaak bijzonder gewelddadige wijze gedood. Volgens verschillende getuigenissen werden lijken zelfs gevild door legerchirurgen.

Generaal Turreau, bevelhebber van de beruchte Colonnes infernales, verklaarde later in een verslag aan de Nationale Vergadering: “Ik heb de kinderen verpletterd onder de poten van mijn paarden.”

Na de Terreur werd Turreau nauwelijks gestraft. Enkele jaren later stapte hij probleemloos over naar het keizerlijke leger van Napoleon. Zijn naam prijkt vandaag nog steeds op de Arc de Triomphe.

Frankrijk heeft de helden die het verdient.

Het jakobinisme vandaag

Het jakobinisme leeft vandaag nog steeds voort in Frankrijk, over de partijgrenzen heen. Men vindt het terug van extreemlinks tot extreemrechts. De bekendste kenmerken zijn de centralisatie van de macht in Parijs en het blokkeren van elke poging tot meer zelfbestuur voor de regio’s, volkeren, talen en culturen die samen de werkelijke diversiteit van de Franse staat vormen.

Ook elders in Europa, en binnen de afzonderlijke Europese staten, draagt elke poging om alles van bovenaf te organiseren, te sturen of op te leggen een jakobijnse erfenis in zich.

Ook de Vlamingen doen er goed aan zich blijvend af te vragen wat het betekent om van onder naar boven te werken in plaats van omgekeerd. Het Zwitserse model blijft in dat opzicht een interessante bron van inspiratie.

Gepubliceerd

13.06.2026

Kernwoorden
Reacties

René De Clercq: Niet iedereen kan heiden zijn

Op 12 juni 1932 overleed in Maartensdijk, in de provincie Utrecht, de Vlaamse dichter René De Clercq. Hij werd geboren in Deerlijk in 1877. De Clercq moest Vlaanderen voor Nederland verruilen vanwege zijn activisme als lid van de Raad van Vlaanderen tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Als dichter droeg De Clercq bij aan de Vlaamse bewustwording, zij het vanuit een Groot- en Heel-Nederlandse gedachte. Mijn favoriete gedicht van hem is binnen zijn oeuvre wat op de achtergrond geraakt. Ik vermoed zelfs dat zijn werk postuum in sommige uitgaven enigszins werd ‘gezuiverd’ door de heilige geest. Jammer, als ik dat zo mag noemen. Daarom hier, vandaag, dit krachtige heidense geluid:

NIET IEDEREEN KAN HEIDEN ZIJN

Niet iedereen kan heiden zijn
Daartoe hoort kracht en moed;
een vast geloof in zon en wijn,
en blijde lust in ’t bloed.
Niet iedereen voelt zijn verlangst
voldaan op aardes schoot;
schrijdt door het leven zonder angst,
en zonder klacht ten dood.
Den aardeling heeft aarde schier
te moederlijk verwend.
De heiden leeft zijn leven hier
in schoonheid tot het end.
De leeuwerik zingt van ’s ochtends vroeg.
De hemel, waar hij vliegt,
is hoog genoeg, is schoon genoeg.
Elk’ and’re hemel liegt.
Elk’ and’re hemel is een waan.
Alleen het luchtgewelf,
de diepten, waar de sterren staan,
bloeit heerlijk in mijzelf.

Ik moet dit gedicht nog ergens in mijn archief hebben, ooit door vriendenhanden gedrukt op deftig papier. Ik ga het opzoeken, inlijsten, een ereplaats geven en het af en toe hardop declameren — ‘in schoonheid tot het end.’

Ik hef het glas op al mijn gelovige vrienden en kijk glimlachend naar de zon. 🌞🍷

Gepubliceerd

12.06.2026

Kernwoorden
Reacties

Jordan Bardella in Brussel: een staatsnationalist ontmoet volksnationalisten

Als Frans-Vlaming doe ik noch in Vlaanderen, noch in Frankrijk aan partijpolitiek. Ik ben geen lid van een partij en ben dat ook niet van plan te worden. Vrij en vrank volg ik wel alles wat Vlaams en Nederlands beweegt, ook politiek, zonder cordon sanitaire en mét een mening. En met bijzondere aandacht kijk ik naar wat mijn niet altijd even dierbare vaderland in Brussel bekokstoofd heeft sinds de oprichting van la Belgique à papa.

Jordan Bardella van het Rassemblement National – president van Frankrijk in spe? – is naar Brussel gekomen op uitnodiging van Vlaams Belang. Op zich heb ik daar geen bezwaar tegen. Dat partijen in Europa met elkaar spreken en samenwerken, lijkt me vanzelfsprekend.

Een andere vraag is hoe het programma van RN inzake talen en culturen van minderheden in Frankrijk te rijmen valt met de visie van een Vlaams-nationale partij. Het begrip nationalisme heeft een brede rug. Het Franse nationalisme van RN opent de deur naar allerlei zaken die ik mijn leven lang heb bestreden en tot mijn laatste snik zal blijven bestrijden. Daarom definieer ik mezelf, met alle respect voor mijn Vlaams-nationalistische vrienden, liever niet als nationalist. Ik heb de Franse versie van het genre van dichtbij meegemaakt en ben er voorgoed tegen ingeënt.

Ik heb enkele vragen voor Bardella. Misschien kan Tom Van Grieken ze doorgeven:

  • Hoe kan een partij als RN, die de mond vol heeft van identiteit, de identiteiten en culturen op Frans grondgebied blijven negeren?
  • Hoe kan diezelfde partij zich verzetten tegen onderwijs in het Bretons, Baskisch, Occitaans, Nederlands of Duits in naam van die zogezegde identiteit?
  • Zijn Bretoenen, Basken, Elzassers, Occitanen, Corsicanen en Frans-Vlamingen dan niet óók de ware gezichten van la France profonde, waar Bardella en zijn partij zo graag naar verwijzen?
  • Wanneer zullen we RN horen pleiten voor minder macht geconcentreerd in Parijs en meer bevoegdheden voor de regio’s?
  • Wanneer komen er duidelijke standpunten tegen het hardnekkige jacobinisme?
  • Wanneer houdt men op met politici die enkel Parijs verlaten voor een weekend aan zee of een verkiezingsmeeting voor de vermeende idioten uit de provincie?

Toegegeven: de andere partijen op het Franse schaakbord lijden grotendeels aan dezelfde kwaal, op enkele uitzonderingen na. Des te meer reden om zich daarvan te onderscheiden. Wie de klucht van het Jakobijnse Frankrijk eindelijk doorbreekt, links of rechts, krijgt misschien ooit mijn stem. Maar voorlopig weet ik al dat ik waarschijnlijk thuis zal blijven.

Ik vergat nog enkele vragen.

Heeft Jordan Bardella ooit gehoord van Frans-Vlaanderen? Misschien kan Tom Van Grieken hem ook vragen of zijn partij bereid is onze eis te steunen voor degelijk onderwijs in het Nederlands in Hauts-de-France: de taal van Vlamingen én Nederlanders, van onze buren dus.

Vragen staat vrij, Tom.

Gepubliceerd

12.06.2026

Kernwoorden
Reacties

Wat is een kolhofkeun

Aan mijn Frans-Vlaamse jaren dank ik niet alleen mijn liefde voor de Nederlandse taal en cultuur, maar ook iets wat wie mij kent misschien niet meteen verwacht: tuinieren.

Mijn vader en mijn beide grootvaders waren echte kolhofkeuns, Frans-Vlaams uit Kaaster voor fanatieke tuiniers. Ik ben dus letterlijk in den kolhof grootgebracht. Daardoor weet ik nog altijd van alles over zaaien volgens de stand van de maan, over wanneer je wat moet planten en welke gewassen elkaar graag gezelschap houden.

Hier in de Kempen heb ik vroeger ook wat geëxperimenteerd. Maar de grond is arm, en mijn gebrek aan tijd én geduld deed de rest. Veel verder dan experimenteren ben ik niet geraakt.

Gelukkig erfde ik van mijn grootvader aan moederskant nog iets anders: een liefde voor bomen en hagen. Zodra hij begon te vertellen over eeken en eisen (eiken en essen), was hij helemaal in zijn element. Mijn winterherinneringen ruiken naar vers hout: bomen zagen, meidoornhagen vlechten en kappen volgens de oude Saksische methode, en bolloards (knotwilgen) rond de pet (put of vijver) knotten met het kapmes.

Zijn leuze was eenvoudig: “Al hagen beschutten wiind.” Die raad heb ik in mijn eigen tuin wel héél letterlijk genomen. Het resultaat? Te veel bomen en hagen op een veel te kleine oppervlakte.

Toch vind ik rust in het werken buiten. Al is mijn gaard niet bepaald onderhoudsvriendelijk. Het heeft soms meer weg van een klein oerwoud.

Gisteren was het tijd voor een grote snoeibeurt. Er moest zelfs professionele hulp aan te pas komen, want alleen krijg ik dit oerwoud niet meer de baas. De weergoden waren ons goed gezind… tot helemaal op het einde. Toen gingen de hemelsluizen open en verschenen er overal blesmers (bliksems) aan de horizon.

Alsof de natuur zelf wilde laten weten dat het werk erop zat.

Gepubliceerd

11.06.2026

Kernwoorden
Reacties

Max Wildiers over de Franse cultuurpropaganda

In De Standaard van 10 juni 1958 verscheen onder de titel “Over Franse cultuurpropaganda” een artikel, ondertekend met SCRUTATOR, een schuilnaam van Max Wildiers (1904-1996), Vlaamse denker, essayist, cultuurhistoricus en wetenschapsfilosoof.

Hij schrijft:

“Wij, Vlamingen, zijn geen vijanden van de Franse taal en cultuur. Wel integendeel  hebben wij alle bewondering voor al het waardevolle dat de Franse cultuur ons te bidden heeft. De liefde, die wij onze taal en cultuur toedragen, heeft niet voor gevolg dat wij andere talen en culturen zouden minachten of haten. Zulk een houding zou van een bekrompen chauvinisme getuigen. Ze is nooit de houding geweest van de leidende kringen in de Vlaamse beweging. Wat wij echter niet kunnen aanvaarden is, dat men de Franse cultuurpropaganda gebruikt als een middel om onze eigen taal en cultuur te bekampen.”

En nog dit:

“Zeker in Frankrijk heeft men het vaak voorgesteld alsof de Vlaamse beweging tegen de Franse cultuur zou gericht zijn. Zulks is te wijten aan het feit dat men in Frankrijk gewoonlijk over de Vlaamse beweging een totaal verkeerde voorstelling heeft gekregen. Het zijn de rabiate anti-Vlaamse kringen in België  die al het mogelijke gedaan hebben om de Vlaamse beweging in het buitenland in een volkomen vals daglicht te plaatsen.”

Gepubliceerd

10.06.2026

Kernwoorden
Reacties

Een vergeten bruggenbouwer: Dr. Jules  E. Van Den Driessche

Op 10 juni 1966, vandaag zestig jaar geleden, overleed in Torkonje dr. Jules E. Van den Driessche. Tijdens zijn leven groeide hij uit tot een van de meest actieve Frans-Vlamingen binnen de regionalistische beweging in Frans-Vlaanderen.

Van den Driessche studeerde rechten en werd advocaat aan de balie van Rijsel. Daarnaast was hij algemeen secretaris van de Kamer van Koophandel en Nijverheid en conservator van het museum van Torkonje. Op 25-jarige leeftijd begon hij Nederlands te studeren aan de Katholieke Universiteit van Rijsel bij prof. Renaat Despicht. In zijn geboortestad richtte hij ook een “Nederlandse Club” op, waarvan hij voorzitter werd. De vereniging organiseerde onder meer cursussen Nederlands.

Zijn naam duikt al vroeg op bij de Jeunesses Régionalistes du Nord de la France, een vereniging die in februari 1922 werd opgericht door de Rijselse regionalisten Achille Glorieux en Henry-Louis Dubly. Mede dankzij de inzet van Van den Driessche ijverde de vereniging voor de heropening van het Museum voor Schone Kunsten van Rijsel na de Eerste Wereldoorlog. Daarnaast organiseerde zij geregeld uitstappen en lezingen over het bouwkundig en artistiek erfgoed van de regio Rijsel en over markante figuren uit de geschiedenis van Frans-Vlaanderen.

Ook in Vlaanderen was Van den Driessche een gewaardeerd spreker. Tijdens het interbellum nam hij deel aan de IJzerbedevaarten en was hij aanwezig op verschillende congressen in Gent.

Als auteur schreef hij over Vlaamse kunst, literatuur en geschiedenis. Vanuit zijn beroepsactiviteiten publiceerde hij bovendien over de lokale economie, in het bijzonder de textielnijverheid, en over de handelsbetrekkingen tussen de regio Rijsel, Vlaanderen, Nederland en Zuid-Afrika. Als kenner van de textielindustrie van de regio Rijsel-Torkonje verwierf hij bovendien een reputatie als deskundige op het vlak van economische ontwikkeling en grensoverschrijdende handelsrelaties. Zijn bijdragen verschenen in tal van tijdschriften en publicaties, waaronder die van het Vlaams Verbond van Frankrijk, de voornaamste Frans-Vlaamse culturele vereniging van die periode. Hij schreef eveneens over grote namen uit de Nederlandstalige literatuur, zoals Vondel, Gezelle, Rodenbach, Timmermans, Moens en Nahon.

Na de Tweede Wereldoorlog behoorde Van den Driessche tot de eerste Frans-Vlamingen die samenwerkten met het Comité voor Frans-Vlaanderen. Hij was betrokken bij de oprichting van het tijdschrift Notre Flandre en werkte mee aan de eerste jaargangen van Ons Erfdeel.

Mensen die hem goed hebben gekend, onder wie Luc Verbeke van het Comité voor Frans-Vlaanderen en Jozef Deleu van Ons Erfdeel, beschreven hem als een bescheiden man die liever op de achtergrond bleef. Tegelijk was hij een veelzijdig denker met belangstelling voor economische, sociale, historische en politieke vraagstukken. Alles werd echter samengehouden door één centrale overtuiging: de culturele verbondenheid van de Nederlanden. Voor Van den Driessche vormden Frans-Vlaanderen, Vlaanderen en Nederland geen afzonderlijke werelden, maar delen van eenzelfde Nederlandse cultuurruimte, verbonden door geschiedenis, taal en cultuur.

Voor zijn inzet werd hij in 1961 als eerste Frans-Vlaming benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau.

Een blijvend monument van zijn werk is zijn omvangrijke Histoire de Tourcoing, gepubliceerd in 1928. Tot vandaag geldt dit werk als een van de belangrijkste boeken over de geschiedenis van Torkonje.

Zestig jaar na zijn overlijden blijft Jules E. Van den Driessche een inspirerend voorbeeld van een Frans-Vlaming die bruggen bouwde tussen Frans-Vlaanderen, Vlaanderen en Nederland, gedreven door kennis, cultuur en een diep besef van de verbondenheid van de Nederlanden.

Gepubliceerd

10.06.2026

Kernwoorden
Reacties

Curzio Malaparte: Degene die aan de verkeerde kant stond

Op 9 juni 1898 werd in de Toscaanse stad Prato de oorlogscorrespondent, schrijver, maar ook activist, futurist, regionalist, traditionalist en bovenal non-conformist Curzio Malaparte geboren. Curzio Malaparte was het pseudoniem van Kurt Erich Suckert. Zijn vader was Oostenrijks, zijn moeder Italiaans, een afkomst die zijn leven en denken een blijvende ambivalentie meegaf. Zijn pseudoniem betekent het tegenovergestelde van Bonaparte: ‘degene die aan de verkeerde kant staat’.

Als jonge man sloot hij zich aan bij het syndicalistische vrijwilligerslegioen van Peppino Garibaldi. Tijdens de Eerste Wereldoorlog meldde hij zich als vrijwilliger en vocht hij aan Italiaanse zijde aan het front. In 1919 leidde hij het Italiaanse persbureau in Versailles en werd vervolgens cultureel attaché in Warschau, waar hij getuige was van de bolsjewistische opmars tijdens de Pools-Russische Oorlog.

Na zijn terugkeer naar Italië in 1921 werkte hij voor het futuristische tijdschrift Valori Plastici. Hij schreef Viva Caporetto!, een pamflet genoemd naar de plaats van de grote Italiaanse nederlaag van 1917, die voor hem symbool stond voor het falen van de militaire en politieke elite. In 1922 werd hij lid van de fascistische partij, zij het als een kritisch en onafhankelijk denkend lid. Hij werkte mee aan het blad La Conquista dello Stato, maar dat verhinderde hem niet om Italia barbara te publiceren bij de antifascistische uitgever Piero Gobetti.

Zijn verhouding tot het fascisme werd steeds meer gekenmerkt door onvrede over de ingeslagen koers. In 1926 schreef hij de satire Don Camaleo, romanzo di un camaleonte, een verkapte aanval op Mussolini. Het werk verscheen pas twintig jaar later in boekvorm. In 1929 vertrok hij als correspondent van La Stampa naar de Sovjet-Unie. Daar ontmoette hij Stalin, Gorki en Majakovski. In die periode schreef hij Techniek van de staatsgreep, het boek dat hem internationale bekendheid bezorgde.

In 1933 publiceerde hij een satire op Italo Balbo. Dat bleek een stap te ver. Hij viel uit de gratie bij het regime van Mussolini en werd veroordeeld tot vijf jaar verbanning op het eiland Lipari. Dankzij de tussenkomst van Galeazzo Ciano, Mussolini’s schoonzoon, mocht hij na één jaar naar Ischia verhuizen en later naar Forte dei Marmi in Toscane.

Om in zijn levensonderhoud te voorzien schreef hij onder tal van pseudoniemen voor uiteenlopende publicaties, onder meer voor het door hem opgerichte tijdschrift Prospettive, waarin ook antifascistische intellectuelen aan het woord kwamen. In die periode verschenen eveneens werken als Fuga in prigione (1936) en Sangue (1937).

In 1939 werd hij correspondent van de Corriere della Sera in Ethiopië. Hij was wellicht de enige oorlogscorrespondent die onder permanente politiebewaking werkte. In dezelfde periode liet hij zijn beroemde futuristische villa op Capri bouwen. In 1963 werd Casa Malaparte gebruikt als decor voor de Frans-Italiaanse film Le Mépris van Jean-Luc Godard, met Brigitte Bardot in de hoofdrol. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hij opnieuw opgeroepen voor militaire dienst. Als officier verbleef hij aan de fronten in Frankrijk, Duitsland, Polen en Rusland. Zijn ervaringen uit die jaren verwerkte hij later in zijn beroemde boek Kaputt, waarvan het grootste deel tussen 1941 en 1943 werd geschreven en dat in 1944 verscheen.

Na de afzetting van Mussolini in juli 1943 keerde Malaparte vanuit Finland terug naar Italië. Daar werd hij, vanwege zijn fascistische verleden, meerdere keren gearresteerd. Dat lot zou hem ook na de oorlog blijven achtervolgen. Hij zocht toenadering tot de Communistische Partij en werd in 1944 verbindingsofficier bij de geallieerden. Deze ervaringen vormden de basis voor zijn roman La pelle (De Huid, 1949), die een schandaal veroorzaakte en door de Katholieke Kerk op de Index werd geplaatst.

Vervolgens verbleef hij enige tijd in Parijs, waar hij onder meer aan theaterproducties werkte. Teruggekeerd naar Capri zorgde ook zijn film Il Cristo proibito (De Verboden Christus) voor controverse. Zijn laatste grote prozawerk, Maledetti Toscani (Vervloekte Toscanen), werd een overweldigend succes.

Op verzoek van verschillende regeringen ondernam Malaparte later nog reizen naar de Sovjet-Unie en China. In Peking werd bij hem een tumor vastgesteld, waarna hij naar Italië werd gerepatrieerd. Na een langdurig ziekbed overleed hij op 19 juli 1957. In zijn laatste levensjaren onderhield hij banden met zowel de Republikeinse als de Communistische Partij en zocht hij tevens opnieuw toenadering tot het katholicisme, wat zijn politieke en intellectuele ongrijpbaarheid nogmaals illustreerde.

Zijn Nederlandse vertalers Frans Denissen en Peter Westerlaken vatten in de inleiding van Techniek van de staatsgreep zijn leven als volgt samen:

“Misschien valt er in heel die frenetieke activiteit slechts één constante te ontdekken: een panische angst voor het centrum, voor de gematigdheid en de ‘kruideniersmentaliteit’ van die kleine burgerij waarvan hij zelf een telg is.”

De Nederlandse schrijver Jan Cremer beschouwde Malaparte als een van de grote Europese stilisten van de twintigste eeuw en noemde zijn werk:

“Meesterwerken zijn het. Heldere, rechttoe-rechtaan verslaggeving. Een scherpe, koele en harde, maar tegelijk romantische en gevoelige weergave van sferen en feiten. Een schrijver met een diepe ziel.”

Gepubliceerd

09.06.2026

Kernwoorden
Reacties