WIDOPEDIA
Een blog over Frans-Vlaanderen, de Nederlanden en Europa
Wido Bourel

Meest recente berichten
Archieven
Kernwoorden

Archieven voor week 17, 2026

Stavele in vuur en vlam: “De dag van elk voor zijn  zelven”

Op Goede Vrijdag 25 april 1794 dringen Franse revolutionaire troepen het dorpje Stavele binnen. Ze plunderen en voeren een waar schrikbewind langs de IJzer, dat aan tientallen onschuldigen het leven kost.

In de dagen voordien staat de hele Westhoek onder spanning. Geallieerde legers liggen verspreid over Vlaanderen, terwijl generaal Jean-Charles Pichegru zijn aanval voorbereidt. De IJzer en omliggende waterlopen vormen een laatste verdedigingslijn. Boeren uit Stavele en omstreken werpen haastig verschansingen op om de vijand tegen te houden.

Op 24 april eisen de Fransen de wapens op, maar de lokale leiders weigeren. De spanning stijgt.

Op 25 april breekt de hel los. Franse troepen stromen massaal toe en breken door de verdediging. De boeren wijken al vechtend terug, terwijl paniek uitbreekt: vrouwen, kinderen en ouderen slaan massaal op de vlucht. De streek wordt overspoeld door chaos en angst. Niet voor niets blijft deze dag bekend als “de dag van elk voor zijn zelven”.

De boerenzoon Carolus De Rache uit Stavele getuigt:

‘ik klom op een boom.Langs alle kanten zag ik niets anders dan vuur, heel Stavele stond in brand… niets ervan bleef gespaard! … Het was waarlijk een zee van vuur… Die aanblik vervulde het hart van de arme vluchtelingen met radeloze schrik.’

Wido

Gepubliceerd

25.04.2026

Reacties

De dichter Klaus Groth: „De Moderspraak is de slaats van dat hart”

Op 24 april 1819 werd in Heide (Ditmarschen, Noord-Duitsland) de Platduitse dichter Klaus Groth geboren.

Groth geldt als de grote vernieuwer van de Nederduitse (Platduitse) literatuur. In een tijd waarin het Platduits vaak als een eenvoudige volkstaal werd gezien, bewees hij dat deze taal ook geschikt was voor verfijnde en diepgaande poëzie. Daarmee gaf hij het Nederduits een volwaardige plaats binnen de Europese literatuur.

Zijn bekendste werk is de dichtbundel Quickborn (1852), die meteen een groot succes werd. In deze bundel beschrijft Groth het leven, de natuur en de gevoelens van het Noord-Duitse platteland in zijn moedertaal. Het werk betekende een doorbraak voor de erkenning van regionale talen als literaire talen. Ook zijn gedicht Min Jehann werd bijzonder populair en wordt tot op vandaag nog gezongen.

Klaus Groth onderhield nauwe contacten met Vlaamse letterkundigen en was meermaals te gast in Vlaanderen. Hij correspondeerde onder meer met figuren uit de Vlaamse beweging zoals Prudens Van Duyse en Jan Frans Willems, die net als hij het belang van de volkstaal verdedigden. Er was wederzijdse waardering: men zag in Groth een geestesgenoot in de strijd voor taal en cultuur.

De componist Johannes Brahms (1833–1897) was een goede vriend van Klaus Groth en zette meerdere van zijn gedichten op muziek, onder meer uit Quickborn.

Binnen de Vlaamse beweging leefde in de 19de eeuw ook het idee om het Nederlands en het Nederduits dichter bij elkaar te brengen. Dit sloot aan bij het bredere “Aldietse” ideaal: een culturele verbondenheid van alle Nederduits-Germaanse gebieden, van Duinkerke tot Königsberg. Dit idee werd onder meer verdedigd door Constant Jacob Hansen, maar bleef uiteindelijk zonder concrete politieke of taalkundige uitwerking. Over deze beweging schreef prof. Ludo Simons later een standaardwerk, De Aldietse beweging: van Duinkerke tot Königsberg.

Wat zijn contacten met Frans-Vlaanderen betreft, is er geen duidelijk bewijs, al was hij misschien in contact met kringen uit die regio. De Frans-Vlaamse voorman Nicolas Bourgeois, die een fervent zeiler was, wist mij te vertellen dat Duinkerkse reders die schepen naar de Oostlanden stuurden graag Vlaamssprekende Frans-Vlamingen aan boord hadden. De reden was dat men zich met het Vlaams van Duinkerke tot in Oost-Pruisen toen vrij vlot verstaanbaar kon maken. Dit werd mij ook bevestigd door mijn grootvader, die tijdens de Tweede Wereldoorlog al vroeg krijgsgevangene was. Hij werd tewerkgesteld op een Oost-Pruisische boerderij, meer bepaald in Allenstein, niet ver van Königsberg. Hij wist me te vertellen dat hij zich aldaar heel vlot verstaanbaar kon maken met zijn Vlaamsch van de Westhoek.

Klaus Groth blijft tot vandaag een sleutelfiguur voor iedereen die zich interesseert voor streektaal, identiteit en literatuur. Zijn werk toont aan dat ook de taal van het volk een krachtige drager kan zijn van cultuur en poëzie. Hij overleed op 1 juni 1899 in Kiel.

Gepubliceerd

24.04.2026

Kernwoorden
Reacties

Water, gerst, hop… en een beetje koppigheid 🍺

Op 23 april 1516 werd in Beieren de eerste bierwet van kracht: het Reinheitsgebot. Een maatregel van hertog Wilhelm IV én een van de oudste voedselwetten in Europa.

Voortaan mocht bier enkel nog gebrouwen worden met water, gerst en hop. Gist was in 1516 nog onbekend en werd pas later toegevoegd.

Het ging vooral om de bescherming van granen: tarwe en rogge waren voorbehouden aan de bakkers, gerst aan de brouwers. Andere kruiden? Die verdwenen uit het brouwproces—mogelijk een reactie tegen oude, heidense gebruiken uit de tijd dat bier ook als heildrank gold. Vooral in Noord-Duitsland en bij specialiteiten zoals kriekenbier kwam dat nog voor.

Voor Weizenbier lag het iets gevoeliger: daar had je tarwe voor nodig. Dat kon… maar enkel met een speciaal hertogelijk privilege.

HET BEWIJS DAT DE ELZAS DUITS IS

Het Reinheitsgebot gold uiteraard ook voor geïmporteerde bieren. Opvallend: de Elzassische brouwerijen voldeden al snel aan de regels, mede omdat het gebied toen Duits territorium was. Zelfs bij latere annexaties door Frankrijk bleven de Elzassers probleemloos hun bier verkopen in het “verloren vaderland”.

Bier: hét bewijs dat de Elzas Duits is 😊

In 1926 kwam er een teugje versoepeling in de regels, maar het principe hield bijna 500 jaar stand. Tot het Europees Hof van Justitie zich er in 1987 mee bemoeide en het als een protectionistische maatregel bestempelde. De Duitsers? Die draaiden rustig rond de pot bier en bleven het gewoon toepassen voor hun eigen brouwerijen.

En zo weet je meteen waarom Duitsland vooral een echt Pilsland is.

Prosit! 🍺

Gepubliceerd

23.04.2026

Kernwoorden
Reacties

De kapel van de Hondenest wordt gered

Voor onze voorouders beschermden de oude Vlaamse kapellen op kruispunten mensen, dieren en planten tegen ziekten en onheil. Ze herinneren ons — onder een dun laagje christelijk vernis — aan een oeroud en heidens bijgeloof uit vervlogen tijden.

In Kaaster, het dorp van mijn jeugd, heeft een groep vrijwilligers, met mijn nicht Eva, het initiatief genomen om zo’n vervallen kapel van de ondergang te redden.

Laat me u even meenemen.

De kapel van de Hondenest, zoals ze vandaag bestaat, dateert uit het begin van de negentiende eeuw. Maar de plek zelf lijkt ouder, alsof ze al lang daarvoor werd gekozen — een kruispunt waar men ooit geloofde dat geesten en krachten samenkwamen. Haar naam dankt ze aan de herberg “De Hondenest”, uitgebaat door de familie Roose, die de kapel liet bouwen op enkele honderden meters van hun zaak.

Ik heb die herberg nog gekend toen ze open was. De gebouwen staan er nog, nu als privéwoning. Als die muren konden spreken, zouden ze verhalen vertellen over eeuwen van reizigers, rust, dorst en ontmoetingen.

Als kind wandelde ik er vaak naartoe met mijn grootvader. Vanuit de wijk De Popelier, waar hij woonde bij de spooroverweg, was het niet ver. Aan de overkant van de straat woonde de familie Couché, in het kleine huis van de bareelwachter — ja, de ouders van Jean-Paul, de AVNT’er van nu, de buur van toen, die vandaag niet meer met mij spreekt omdat ik pleit voor het Nederlands als streektaal naast het Frans-Vlaams. Het kan inderdaad verkeren, om het met Bredero te zeggen.

Op weg naar tante Margriet passeerde ik ook de kapel. Zij woonde alleen in het oudste huis van Kaaster — een strooien dak, geen waterleiding, geen elektriciteit, verscholen in het landschap. Ze sprak alleen Vlaemsch, het zuiverste Vlaams van Kaaster. Vriend en taalkundige Cyriel Moeyaert kwam er wel eens langs, met pen en papier, om woorden en uitdrukkingen vast te leggen.

Vandaag is het dak van de kapel vernieuwd, maar er blijft nog veel werk — en dus ook financiële steun — nodig.

De vereniging Euvo, onder leiding van kameraad Karel Appelmans, zal haar steentje bijdragen door de Vlaamse plaatsnaam “Hondenest” opnieuw zichtbaar te maken op de kapel. Een naam die nooit uit de volksmond is verdwenen.

Er was nog geld nodig voor een nieuwe deur. Daarom heb ik beslist een deel van de opbrengst van mijn boek “De Drie Maagdekens van Kaaster” te schenken aan dit project, zodat die deur er snel kan komen.

Het zal mijn goddeloze vrienden misschien verbazen, maar als agnostisch pantheïst geloof ik graag — of wil ik geloven — dat oude, vergeten goden deze plek nog enkele eeuwen zullen blijven behoeden.

Amen.

STEUN VOOR CULTURELE INITIATIEVEN

PS: Wie mijn boeken aankoopt, steunt daarmee een goed Vlaams doel. In het verleden heb ik al verschillende initiatieven kunnen helpen financieren, zoals:

  • het herstel van het graf van Lodewijk de Baecker in Noordpene
  • de uitgave van publicaties, stickers en pamfletten
  • opleidingen Nederlands
  • de Andries Stevenkring

En nu dus ook: de kapel van de Hondenest.

Mijn tweetalig boek “De Drie Maagdekens van Kaaster” is nog steeds verkrijgbaar via mijn blog: widopedia.eu.

Gepubliceerd

22.04.2026

Kernwoorden
Reacties

Hauts-de-France : Une super-région qui étouffe notre identité

Les élus d’Alsace veulent quitter le Grand Est. Ils revendiquent leur nom historique : l’Alsace. On ne peut que saluer leur ténacité.
Mais qu’en est-il des Hauts-de-France ? Cette super-région, créée en 2016, regroupe cinq départements : Oise, Aisne, Somme, Pas-de-Calais et Nord. Le Nord qui inclut la Flandre dite française.

Ni le nom ni la composition de cette région ne sont porteuses pour notre identité.

UN NOM QUI EN CACHE D’AUTRES

Le nom « Hauts-de-France » aurait été choisi après une consultation d’élèves du secondaire. Je me souviens de cette farce. Les classements provisoires firent pendant quelques semaines la une de La Voix du Nord. Suspense organisé.

« Hauts-de-France » arrive en tête. La démocratie aurait parlé.

Précisons : des noms historiques comme « Flandre-Artois » et « Flandre-Artois-Picardie » apparaissaient aussi. Quelques pourcents. Même la dénomination « Pays-Bas français » obtenait 1 %. L’addition de ces derniers : un miracle après deux siècles de jacobinisme intégral.

En réalité, tout était joué d’avance. Une mise en scène dans la plus pure tradition une et indivisible. La décision tombe à Paris.

Un principe simple : ni le Nord ni l’Est ne doivent porter des noms rappelant des liens historiques avec d’autres espaces extra-hexagonaux.

PARRAINS DE LA PENSÉE « WOKE »

Durant la Révolution, les jacobins rayent les provinces historiques de la carte. Ils imposent les départements.
Ils inaugurent ainsi la pensée « woke » : effacer les héritages, dissoudre les identités, supprimer les noms jugés féodaux.

Nos provinces  sont remplacées par des labels géographiques sans âme. Fleuves, rivières : Somme, Saône-et-Loire, Rhin.
Montagnes : Alpes-Maritimes, Pyrénées-Orientales, Cantal.
Et des appellations qui sonnent comme des amputations : Pas-de-Calais, Finistère, Bouches-du-Rhône.

Il ne manque plus que la numérotation des départements. On y viendra aussi. On remplace nos racines par des codes. Les Flamands habitent le 59. Une méthode qui inspirera plus tard la dystopie, de Zamiatine à Pittacus Lore.

Ainsi, nous, Flamands du sud, devenons des « Nordistes ». Les Artésiens se transfoment en « Pas-de-Calaisiens ».
La France se nivelle, s’aseptise, se géométrise en hexagone où seules on droit de survivre les identités exotiques et genrétisées.

Aujourd’hui, on nous a collé « Hauts-de-France ».
Alors que notre région fut historiquement et géographiquement le sud des Pays-Bas.

Et ses habitants ? Des « Hauts-de-Francien(ne)s » ? Imprononçable.
Des « Ch’tis » ? Inacceptable pour nous, Flamands. Ce n’est pas notre identité.

UNE NON-IDENTITÉ

Un dessin de Jean Pattou, illustrateur et architecte lillois, le montre bien : le nom « Hauts-de-France » circule à Paris depuis longtemps.
Le dessin date de… 1976. Publié dans La Voix du Nord.

J’ai cherché l’origine du nom. Une seule trace dans la région : un ancien camp naturiste sur la Côte d’Opale portait ce nom. Tout un symbole.

Petite précision à l’usage de nos voisins flamands de Belgique et néerlandais : non, les Hauts-de-France n’ont rien à voir avec l’altitude.
Le mont Cassel culmine à 176 mètres. Le Mont Blanc, lui, dépasse les 4 800.

En Flandre, un proverbe dit que les Français sont mauvais en géographie.
Appeler nos « Pays-Bas-près-de-la-mer » des « Hauts-de-France » confirme cette maxime.

Comme les Alsaciens ave le Grand Est, les Flamands de France ne gagnent rien dans cette construction.

Pire : la région compte au moins deux départements de trop. L’Oise et l’Aisne n’ont aucun lien avec les anciens Pays-Bas. Ils relèvent de l’orbite parisienne.

Résultat : les Flamands de France pèsent peu ou pas. Et parlent encore moins.
Ils se retrouvent absorbés — politiquement, culturellement, sociologiquement — par le récit picard et l’imaginaire « ch’ti ».
Nous partageons le voisinage. Pas les racines.

PLAIDOYER POUR UNE AUTRE RÉGION

Nos revendications sont claires. Doubles.

  1. Rompre avec la domination picarde. Créer une entité cohérente, fondée sur une histoire commune. L’Oise et l’Aisne non rien à voir chez nous.
  2. Rendre à cette région son nom. Et son identité.

Les noms historiques existent et sont légitimes : « Flandre-Artois », « Pays-Bas français ».
Au XIXe siècle, Lodewijk de Baecker proposait déjà « Néerlandie ».

Il est temps.
Temps pour les Flamands de France de se réveiller.
Temps de lancer l’idée d’un référendum.
Pour un nom.
Pour une super région respectueuse de notre véritable histoire
Pour une identité retrouvée.

Gepubliceerd

21.04.2026

Kernwoorden
Reacties

De Zwijgende Voettocht aan de Pene: je komt toch ook?

Op zaterdag 25 april vindt de 50ste Zwijgende Voettocht an de Pene in Noordpene plaats — een traditie die je niet wil missen.

De voettocht kwam er initieel op initiatief van de West-Vlaamse schrijver en heemkundige Raf Seys (1928-2012), die hiermee in 1977 de 300ste verjaardag van de militaire aanhechting door Frankrijk van dit deel van Vlaanderen en de Nederlanden wilde herdenken.

Volgens de wil van onze vriend Raf moest het een stille mars zijn, om op stijlvolle wijze de brutale annexatie van dit stukje Vlaanderen te blijven gedenken. Hierdoor is men dit Vlaams gebied Frans-Vlaanderen gaan noemen, waar het in feite gaat om Zuidwest-Vlaanderen of, in breder perspectief, om de Zuidelijkste Nederlanden.

Deze tocht door het land van de Pene staat sindsdien symbool voor het behoud van onze Vlaamse en Nederlandse identiteit. De mars wordt georganiseerd door de Michiel de Swaenkring.

EVEN PRAKTISCH

11:15 uur: Bloemneerlegging aan het graf van Raf Seys, die in Noordpene is begraven.

14:00 – 14 15 uur: Samenkomst op het dorpsplein van Noordpene en start van de stille mars. Enkel Leeuwenvlaggen en Prinsenvlaggen zijn toegelaten.

Na de wandeling: volksdansen met ‘Vlaanderen Danst’ en een optreden van drumband Kempenland in de plaatselijke Auberge de la Peene, met verbroedering tussen Frans-Vlamingen en Kempenaars — een mooi moment van ontmoeting en verbondenheid.

TIPS

Je kan op deze dag ook een bezoek brengen aan het museum van de Slag bij Noordpene. Op het plaatselijke kerkhof vind je ook de historische graven van de Vlaamse volksfiguur Jan-Baptist van Grevelynghe, alias Tisje-Tasje, en van de heel-Nederlandse Vlaamse voorman Lodewijk de Baecker.

Het graf van Lodewijk de Baecker liet ik enkele jaren geleden herstellen met de opbrengst van mijn boekje over hem. Er werd toen een gedenkplaat geplaatst met een tekst die zijn leven samenvat: “Trouw aan de Nederlandse gedachte.” Beslist een bezoekje waard voor je aan de mars deelneemt.

En om jullie de vraag te besparen: ik zal er zijn en hoop veel van mijn lezers te kunnen begroeten!

Gepubliceerd

21.04.2026

Kernwoorden
Reacties

Jozef Tillie: Een vergeten Frans-Vlaamse pionier

Op 20 april 1974 organiseerden Jan Pol Sepieter en ik, onder de auspiciën van de vereniging Hekkerschreeuwen, een herdenkingsdag voor de Frans-Vlaamse leraar Jozef Tillie. Deze “Jozef Tilliedag” werd een succes, met zo’n 120 aanwezigen.

Jozef Tillie werd geboren in Steenvoorde op 29 augustus 1894 en overleed er op 7 december 1971. Hij was geen klassiek opgeleide taalleraar, maar leerde onze taal op straat. Thuis hoorde hij zijn ouders het Vlaams van de streek spreken, net als zijn medeleerlingen op school. Hij leerde onze taal ook in het schoenbedrijf van zijn vader. Later, in zijn beroep als hoofdvertegenwoordiger in de zuivelindustrie, werd hij belast met klanten aan de Vlaamse kust en zo leerde hij ook het Standaardnederlands.

Tussen 1963 en 1970 nam Tillie het initiatief om vrije lessen Nederlands te organiseren in het oude gemeentehuis van Steenvoorde, buiten het falende Franse onderwijssysteem. Dat gebeurde op vraag van André Demedts en Luc Verbeke van het Komitee voor Frans-Vlaanderen (KFV). Het KFV zorgde voor boeken, pedagogisch materiaal en een vergoeding voor de lesgevers. Het werd het begin van een traditie die zou uitgroeien tot vrije cursussen in verschillende Frans-Vlaamse gemeenten.

Tillie wist jaarlijks een twintigtal leerlingen op te leiden en te motiveren, onder wie de burgemeester van Steenvoorde. Verschillende van hen, onder meer Jan Pol Sepieter en Philippe Caeyseele, zouden later actief worden in diverse Frans-Vlaamse verenigingen. Sepieter werd medeoprichter van de bekende vereniging Hekkerschreeuwen en auteur van verschillende boeken over volkstaal en volksmuziek. Philippe Cayseele volgde Tillie later op als leraar Nederlands. Enkele jaren later volgde ik zelf Nederlandse les in Steenvoorde, bij Philippe Caeyseele en Walter Verdonck.

In 1968 organiseerde en leidde Jozef Tillie de eerste Nederlandse taal- en letterkundige dag in Steenvoorde. Daarnaast schreef hij wekelijks een “Vlaams hoekje” in de regionale Frans-Vlaamse pers. Onder zijn verantwoordelijkheid verscheen ook in 1970 de brochure Nous, les Flamands de France (1970), die gratis werd verspreid in Frans-Vlaanderen en wat commotie veroorzaakte bij de plaatselijke vertegenwoordigers van het een en ondeelbaar Frankrijk. In deze publicatie werd de noodzaak van het onderwijs van de Nederlandse taal in Frans-Vlaanderen verdedigd.

In alle opzichten was Jozef Tillie, als vrije leraar en als Frans-Vlaming, een pionier en ook een voorbeeld. Zo was hij een van de eersten in de streek die zijn woning een Vlaamse naam gaf — “Ons Huisje”. Wat toen uitzonderlijk was, groeide een halve eeuw later uit, dankzij de vereniging EUVO, tot een brede traditie onder duizenden Frans-Vlamingen.

Gepubliceerd

20.04.2026

Kernwoorden
Reacties