Op 24 april 1819 werd in Heide (Ditmarschen, Noord-Duitsland) de Platduitse dichter Klaus Groth geboren.
Groth geldt als de grote vernieuwer van de Nederduitse (Platduitse) literatuur. In een tijd waarin het Platduits vaak als een eenvoudige volkstaal werd gezien, bewees hij dat deze taal ook geschikt was voor verfijnde en diepgaande poëzie. Daarmee gaf hij het Nederduits een volwaardige plaats binnen de Europese literatuur.
Zijn bekendste werk is de dichtbundel Quickborn (1852), die meteen een groot succes werd. In deze bundel beschrijft Groth het leven, de natuur en de gevoelens van het Noord-Duitse platteland in zijn moedertaal. Het werk betekende een doorbraak voor de erkenning van regionale talen als literaire talen. Ook zijn gedicht Min Jehann werd bijzonder populair en wordt tot op vandaag nog gezongen.
Klaus Groth onderhield nauwe contacten met Vlaamse letterkundigen en was meermaals te gast in Vlaanderen. Hij correspondeerde onder meer met figuren uit de Vlaamse beweging zoals Prudens Van Duyse en Jan Frans Willems, die net als hij het belang van de volkstaal verdedigden. Er was wederzijdse waardering: men zag in Groth een geestesgenoot in de strijd voor taal en cultuur.
De componist Johannes Brahms (1833–1897) was een goede vriend van Klaus Groth en zette meerdere van zijn gedichten op muziek, onder meer uit Quickborn.
Binnen de Vlaamse beweging leefde in de 19de eeuw ook het idee om het Nederlands en het Nederduits dichter bij elkaar te brengen. Dit sloot aan bij het bredere “Aldietse” ideaal: een culturele verbondenheid van alle Nederduits-Germaanse gebieden, van Duinkerke tot Königsberg. Dit idee werd onder meer verdedigd door Constant Jacob Hansen, maar bleef uiteindelijk zonder concrete politieke of taalkundige uitwerking. Over deze beweging schreef prof. Ludo Simons later een standaardwerk, De Aldietse beweging: van Duinkerke tot Königsberg.
Wat zijn contacten met Frans-Vlaanderen betreft, is er geen duidelijk bewijs, al was hij misschien in contact met kringen uit die regio. De Frans-Vlaamse voorman Nicolas Bourgeois, die een fervent zeiler was, wist mij te vertellen dat Duinkerkse reders die schepen naar de Oostlanden stuurden graag Vlaamssprekende Frans-Vlamingen aan boord hadden. De reden was dat men zich met het Vlaams van Duinkerke tot in Oost-Pruisen toen vrij vlot verstaanbaar kon maken. Dit werd mij ook bevestigd door mijn grootvader, die tijdens de Tweede Wereldoorlog al vroeg krijgsgevangene was. Hij werd tewerkgesteld op een Oost-Pruisische boerderij, meer bepaald in Allenstein, niet ver van Königsberg. Hij wist me te vertellen dat hij zich aldaar heel vlot verstaanbaar kon maken met zijn Vlaamsch van de Westhoek.
Klaus Groth blijft tot vandaag een sleutelfiguur voor iedereen die zich interesseert voor streektaal, identiteit en literatuur. Zijn werk toont aan dat ook de taal van het volk een krachtige drager kan zijn van cultuur en poëzie. Hij overleed op 1 juni 1899 in Kiel.
24.04.2026