Op 12 april 1918 keurt een provinciale vergadering in het Balticum een resolutie goed waarin de Duitse keizer wordt gevraagd de regio te erkennen als een monarchie onder Duits protectoraat.
De vergadering bestaat uit 25 Duitse Balten, 13 Esten en 11 Letten en staat sterk onder invloed van de Duits-Baltische elite.
Na het Verdrag van Brest-Litovsk verliest Rusland zijn greep op de regio, en Duitsland probeert er zijn eigen staatsstructuur op te bouwen, onder meer via het plan voor het Verenigd Baltisch Hertogdom.
Hoewel dit geen echte onafhankelijkheid betekende, vormde deze periode wel een belangrijke overgang: het machtsvacuüm dat ontstond, maakte uiteindelijk de weg vrij voor de zelfstandigheid van Estland en Letland later in 1918.
12.04.2026
Het Duitse lenteoffensief van april 1918 in de Westhoek maakt deel uit van de Kaiserschlacht, de laatste grote poging van Duitsland om de oorlog in het westen te winnen vóórdat Amerikaanse troepen massaal arriveerden. Het doel was meer bepaald de havens van Duinkerke en Kales in handen te nemen.
Op 11 april 1918 kwam de Duitse keizer Wilhelm II persoonlijk naar het front. Hij moest onverwacht halt houden in het grensstadje Wervik: er waren een eindje verder vliegtuigbommen gemeld en de weg was dus niet veilig verklaard.
Twee dagen later, op 13 april, werd de verplichte evacuatie bevolen voor de inwoners van het dorp Dranouter. Voor de mensen uit Loker, Westouter en Reningelst was het vertrek nog niet verplicht, maar wel sterk aanbevolen.
Op dezelfde dag begint de zogenaamde Slag van Hazebroek, lokaal zo genoemd en te situeren als een episode binnen de Slag aan de Leie: de Duitsers slagen erin een bres te slaan in de Britse verdedigingslinies. Het duurt nog een paar lange dagen om de Duitse troepen uiteindelijk en met moeite tot staan te brengen.
Maar de Duitsers tegenhouden lukt niet overal: op 14 april worden de Britten door Duitse troepen verjaagd uit Nieuwkerke. De gevechten zijn fel: men telt ongeveer 140 doden aan beide zijden samen.
Op 16 april begint de slag om de Kemmelberg, voorheen een idyllische, beboste plek bezaaid met prachtige lentebloemen; na dagen van strijd wordt ze omgewoeld tot een apocalyptisch landschap van versplinterde boomstammen en vervuilde lucht, waar duizenden de dood vinden. De heuvel wordt uiteindelijk op 25 april door de Duitsers ingenomen.
Het is in die periode dat, in alle gemeenten tussen Armentiers en Kaaster waar het front zich moeizaam verplaatst, plaatsen als Belle en Meteren voor meer dan 98% van de kaart worden geveegd—een verwoesting die vandaag nog zichtbaar is in het straatbeeld, waar vrijwel alle huizen en gebouwen dateren van na de oorlog. Andere gemeenten, zoals Vleteren en Kaaster, ondergaan zware beschadigingen door de met zwaar geschut bewapende antagonisten.
En de Duitse keizer? Op 18 april meldt Stijn Streuvels in zijn dagboek dat hij in Adegem wordt gesignaleerd, samen met zijn staf, geleid door de generaals Erich Ludendorff en Paul von Hindenburg. Daar zou hij zijn blijde intrede in de totaal verwoeste stad Ieper hebben voorbereid—een intrede die nooit heeft plaatsgevonden.
11.04.2026
De kaart in bijlage dateert uit 1824 en maakt deel uit van een reeks schetsen van bruggen over waterlopen en beken tussen de Frans-Vlaamse gemeenten Sint-Sylvesterkapel en Belle. Zowel de kaart als de bijhorende inventaris hebben een uitgesproken militaire functie. Ze werden opgesteld door Ch. Répécaud, een Franse kapitein bij het Koninklijk Korps van de Generale Staf.
We bevinden ons op dat moment ruim twintig jaar na het einde van de Franse Revolutie en negen jaar na de val van Napoleon. Je zou denken dat plaatsnamen in Frans-Vlaanderen in die periode volledig verfranst zouden zijn, en dat Franse militairen uitsluitend de Franse benamingen gebruikten.

Toch toont deze kaart een ander beeld.
De tekenaar noteert bijvoorbeeld Caester in plaats van Caëstre, Catsberg in plaats van Mont des Cats, en Vleteren in plaats van Flêtre. Dat wijst erop dat de verfransing van plaatsnamen in de negentiende eeuw nog niet volledig was doorgedrongen.
Deze kaart bevestigt dat het gebruik van de Vlaamse plaatsnamen en toponiemen in die tijd nog courant was — zowel gesproken als geschreven. Zelfs binnen een officiële militaire context bleven deze benamingen dus een vanzelfsprekend onderdeel van het dagelijks gebruik.
10.04.2026
Op 9 april 1906 werd de West-Vlaamse auteur en dichter Karel Jonckheere in Oostende geboren. Hij overleed op 13 december 1993 in Rijmenam.
Als strijdbaar Vlaming heeft hij in woord en daad gepleit voor een culturele toenadering en samenwerking tussen Vlaanderen en Nederland.
Hij schreef een twintigtal dichtbundels, die werden verzameld in Poëtische inventaris (1972), naast een uitgebreide reeks prozawerken: reisverhalen, novellen, kritisch proza en essays, literair-historisch werk, en aforistische en anekdotische teksten. Veel van zijn werk werd vertaald in een tiental talen.
Zijn werk over Noord en Zuid is tegelijk geestig en kritisch: het legt niet alleen de verschillen bloot, maar toont ook hoezeer beide regio’s cultureel en taalkundig met elkaar verweven blijven.
Enkele aforismen van Karel Jonckheere over Noord en Zuid:
Zijn aforismen blijven verrassend actueel — en zetten nog altijd aan tot nadenken over wie we zijn, en hoe we naar elkaar kijken in het Nederlandse taalgebied.
Uit “Nacht? zei de zon, nooit van gehoord”, Manteau, 1968.
09.04.2026
Goed nieuws! Het nieuwste nummer van de Nieuwsbrief van de Andries Stevenkring uit Kassel is verschenen.
Deze unieke tweetalige publicatie in Frans-Vlaanderen zet zich in voor de Nederlandse taal en cultuur in de regio — een absolute aanrader voor wie hierin geïnteresseerd is!
📎 In bijlage ontdek je nummer 1 van 2026. Klik hiervoor op: https://www.widopedia.eu/het-liber-floridus/
📖 Lees zeker ook mijn recensie van het boek Liber Floridus van prof. Albert Derolez.
✉️ In de nieuwsbrief vind je bovendien alle informatie voor wie zich wil abonneren.
08.04.2026
Op 7 april 1995 kwam in Oostende een einde aan een bijzonder hoofdstuk uit de Vlaamse maritieme geschiedenis. Die dag werd de Amandine (O.129), het laatste schip van de Vlaamse IJslandvaarders, definitief uit de vaart genomen. Daarmee verdween een eeuwenoude traditie van verre zeevisserij, waarbij vissers maandenlang naar de barre wateren rond IJsland trokken.
De IJslandvaart kende haar oorsprong in de 18e eeuw. In 1763 startte men in Duinkerke met 10 schepen, en al in 1782 bereikte deze visserij een eerste bloeiperiode met 86 schepen. Vlaamse vissers zochten er de rijke visgronden op, vooral voor kabeljauw, die door zouten lang bewaard kon worden en daardoor economisch zeer waardevol was.
Vanuit West-Vlaamse havens zoals Oostende, Blankenberge, Nieuwpoort en later ook Zeebrugge vertrokken schepen voor deze verre visserij. In Frans-Vlaanderen waren vooral Duinkerke en Grevelingen (Gravelines) belangrijke uitvalshavens. Historische bronnen schatten dat er in Vlaanderen honderden vissers deelnamen aan de IJslandvaart, al werkten sommigen ook op Frans-Vlaamse schepen.
De oorlogen en Franse wetgeving leidden er soms toe dat Frans-Vlaamse vissers uitweken naar West-Vlaamse havens en omgekeerd. In 1778 zorgde de oorlog tussen Frankrijk en Engeland ervoor dat Duinkerkse IJslandvaarders zich vestigden in Oostende en Nieuwpoort. Later, onder invloed van Jakobijnse visserijvoorschriften na de Franse Revolutie en tijdens het Keizerrijk, werd het voor niet-Franse zeelieden steeds moeilijker: in 1817 mocht niemand in Frans-Vlaanderen een schip meer bevelen als men geen Franse identiteit bezat of de Franse taal niet kon lezen en schrijven. Dit gold zowel voor de kapitein als voor de officieren aan boord. Bovendien mochten voortaan maar 1/6 van de bemanning een ‘vreemde’ nationaliteit hebben. In Parijs waren ze in de 19de eeuw al lang vergeten dat de meeste kapers van Duinkerke hun opleiding in de Nederlanden hadden gekregen.
Het leven van de IJslandvaarders was zwaar en gevaarlijk. Ze kregen te maken met stormen, ijskoude temperaturen en verraderlijke zeeën. Schepen waren kwetsbaar en communicatie met het thuisfront beperkt. In de 19e eeuw gingen tijdens stormrijke jaren meerdere schepen verloren, soms met volledige bemanningen, wat diepe sporen naliet in de kustgemeenschappen.
Na de Tweede Wereldoorlog begon deze vorm van visserij geleidelijk te verdwijnen. In Frans-Vlaanderen kwam er al in de jaren 1970 een einde aan de IJslandvaart, onder meer door internationale beperkingen op visserijzones. In West-Vlaanderen hield deze traditie nog stand tot 1995, toen met de Amandine definitief het doek viel.
Zo markeert 7 april 1995 niet alleen het einde van een schip, maar ook het slot van een indrukwekkend maritiem verleden.
07.04.2026
Voor de nieuwsbrief van de Andries Stevenkring schreef ik een recensie over het boek van Prof. Albert Derolez.
06.04.2026
Op 6 april 1722 – volgens sommige bronnen een dag eerder – bereikt de Zeeuwse zeevaarder Jacob Roggeveen een afgelegen eiland in de Stille Oceaan, ten oosten van Chili. Roggeveen, geboren in 1659 in Middelburg en van opleiding jurist, is op dat moment leider van een ambitieuze expeditie in dienst van de West-Indische Compagnie. Zijn missie: het opsporen van het mythische Zuidland, een onbekend continent dat men toen nog vermoedde op het zuidelijk halfrond.
Met drie schepen – de Arend, de Thienhoven en de Afrikaansche Galey – en meer dan tweehonderd bemanningsleden trotseert hij de Atlantische Oceaan en de verraderlijke wateren rond Kaap Hoorn. De reis verloopt zwaar: ziekte, ontbering en schipbreuk eisen hun tol.
Wat Roggeveen op die Paasdag aantreft, is even raadselachtig als indrukwekkend: honderden monumentale stenen beelden, waarvan sommige meer dan twintig meter hoog zijn. Hij telt er 276. De oorsprong en betekenis van deze kolossen zijn hem onbekend, maar hun aanwezigheid wijst op een bijzondere en tot dan toe onbekende beschaving.
Omdat de ontdekking plaatsvindt op Paasdag, geeft hij het eiland de naam die het tot op vandaag draagt: Paaseiland; de oorspronkelijke bewoners noemden het echter Rapa Nui, en volgens oudere overlevering ook Te Pito o te Henua, “de navel van de wereld”.
De ontmoeting met de eilandbewoners verloopt echter gespannen en kent een gewelddadig verloop. Het is een schaduwzijde van een ontdekkingstocht die later ook voor Roggeveen zelf geen onverdeeld succes blijkt: bij aankomst in Azië wordt hij door de Verenigde Oost-Indische Compagnie gearresteerd wegens ongeoorloofde concurrentie. Zijn schepen worden in beslag genomen, al volgt later nog een schadevergoeding.
Jacob Roggeveen overlijdt in 1729, bijna zeventig jaar oud. Zijn naam blijft verbonden aan een van de meest intrigerende plekken op aarde.
De beroemde stenen beelden, de zogenaamde moai, werden tussen circa 1200 en 1600 vervaardigd door de Polynesische bewoners van het eiland. Ze zijn uitgehouwen in vulkanisch gesteente, voornamelijk afkomstig uit de groeve van Rano Raraku. De beelden stellen vermoedelijk vergoddelijkte voorouders of stamhoofden voor en werden opgesteld op ceremoniële platforms langs de kust. Opmerkelijk is dat ze meestal met het gezicht naar het binnenland zijn gericht, alsof ze waken over hun gemeenschap. Moderne experimenten tonen aan dat deze kolossen, ondanks hun gewicht, rechtop konden worden verplaatst met behulp van touwen en een ingenieuze “wandelende” techniek.
06.04.2026