WIDOPEDIA
Een blog over Frans-Vlaanderen, de Nederlanden en Europa
Wido Bourel

Meest recente berichten
Archieven
Kernwoorden

Archieven voor week 10, 2026

Albert Verwey en Stefan George

Op  8 maart 1937 overlijdt in Noordwijk aan Zee de Nederlandse dichter, essayist en vertaler Albert Verwey (1865–1937). Hij was een vooraanstaand lid van de vernieuwende kring van de Tachtigers en medeoprichter van het tijdschrift De Nieuwe Gids. Later werd hij een invloedrijk criticus en redacteur van De Beweging, en hoogleraar Nederlandse letterkunde in Leiden.

Verwey voelde zich verwant met de Duitse dichter Stefan George (1868–1933), die in zijn eigen kring een vergelijkbaar ideaal van verheven, vormbewuste poëzie nastreefde. Beide dichters zagen kunst als een kracht die de mens geestelijk kon verheffen.

In Verwey’s poëzie keert vaak het motief van lente en vernieuwing terug — niet alleen als natuurbeeld, maar ook als symbool van innerlijke hergeboorte. Zoals hij schreef:

“En in de jonge lente staat de tuin
vol licht en bloei die stil de ziel verheugt.”

Gepubliceerd

08.03.2026

Reacties

Duits verzet tegen Frans-Belgische bezetter

Op 7 maart 1923 worden, tijdens de bezetting van het Ruhrgebied door Franse en Belgische troepen, 1.000 Duitse spoorwegmannen samen met hun gezinnen gedeporteerd naar andere regio’s in Duitsland — in totaal zo’n 7.000 personen. De deportatie volgt op hun weigering om te werken voor de Regie franco-belge, de maatschappij die de spoorwegen in het bezette gebied exploiteert.

Het bevel om het werk neer te leggen was al bij het begin van de bezetting, in januari 1923, door de Duitse autoriteiten uitgevaardigd. Het Duitse spoorwegpersoneel in het Ruhrgebied geeft daar massaal gehoor aan. Zij weigeren vijandelijke troepen en materieel te vervoeren en verzetten zich tegen elke vorm van collaboratie met de bezettingsmacht.

Frankrijk reageert met een oproep aan vrijwillige Franse spoorwegmannen om in het bezette gebied te komen werken. Intussen boycot de Duitse bevolking uit solidariteit het spoorvervoer en kiest zij er massaal voor om zich te verplaatsen met open vrachtwagens.

In de maanden die volgen, escaleert de situatie. Sabotage van spoorlijnen en machines neemt toe en er worden aanslagen gepleegd op de bezettingsmacht.

Sinds 11 januari 1923 houden meer dan 60.000 Franse en Belgische soldaten het Ruhrgebied bezet. Officieel gebeurt dat omdat Duitsland volgens hen de herstelbetalingen, opgelegd in het Verdrag van Versailles na de Eerste Wereldoorlog, niet nakomt. Het primaire doel van de bezetting is het economisch verzwakken van Duitsland en het in beslag nemen van grondstoffen en materialen die in Frankrijk schaars zijn.

Achter de schermen speelt echter ook een andere ambitie mee: het diepgewortelde streven in Parijs om de natuurlijke grens van Frankrijk tot aan de Rijn te verleggen — een geopolitieke doelstelling die al teruggaat tot de tijd van koning Lodewijk XIV. België gedraagt zich in dit verhaal als de dienaar van Frankrijk, tot grote ergernis van de Vlaamse Beweging van die tijd.

Gepubliceerd

07.03.2026

Kernwoorden
Reacties

De Gaulle over Russische separatisten

Op 7 maart 1948 hield de Franse president Charles de Gaulle een toespraak in Compiègne, in de Franse regio Picardië. Daar gaf hij commentaar op de communistische staatsgreep in Praag en op de strategie van de Sovjet-Unie.

De Gaulle zei toen het volgende:

“De ideologie die als voorhoede van de Sovjet-Unie optreedt, verenigt de duistere aantrekkingskracht van opstand, van de termietenhoop en van de verovering van de wanhoop. Daardoor beschikt zij in elk land ter wereld over de steun van separatisten die uitsluitend haar bevelen volgen en wier volledige activiteit erop gericht is de staat in handen te krijgen.”

Vandaag lijkt er in dat opzicht weinig veranderd. Rusland bouwt nog steeds voort op tactieken die al in de Sovjettijd werden toegepast. De Russische avant-garde in de Donbas en elders – waaronder bevolkingsgroepen die tijdens de Sovjetperiode werden ingeplant en vaak de plaats innamen van autochtone inwoners die massaal richting de Goelag werden gedeporteerd – speelde in Oekraïne een vergelijkbare rol.

Het valt niet uit te sluiten dat een gelijkaardige strategie ook in de Baltische staten zou worden ingezet indien de omstandigheden dat toelaten. Ook daar heeft Rusland er in de loop van de tijd voor gezorgd dat aanzienlijke Russische gemeenschappen zich hebben gevestigd.

De vraag dringt zich op of een deel van deze gemeenschappen, wanneer het erop aankomt, als een modern Paard van Troje kan worden geactiveerd. In die visie zijn ze geen klassieke minderheden, maar pionnen op een geopolitiek schaakbord.

De Gaulle – zelf in de eerste plaats een militair – meende dat mechanisme al in zijn tijd scherp te hebben herkend.

Gepubliceerd

07.03.2026

Kernwoorden
Reacties

Rijsel was niet Frans en Wallonië evenmin

Vlamingen weten doorgaans weinig van hun eigen geschiedenis en nog minder over de talen die hen omringen.

Gisteren hoorde ik een overigens boeiend verhaal met de mededeling dat Rijsel eigenlijk Lille is. Als men dan toch zijn beste Frans wil laten horen, kan men maar beter de volledige historische naam gebruiken: “Lille en Flandre”. En zo niet is het Rijsel. ‘Altijd geweest’ schreef ooit André Demedts.

Rijsel sprak geen Frans

En dan de taalmythe: Rijsel sprak altijd Frans. Nee. Tot circa 800/900 sprak Rijsel Westfrankisch, waarna Frans nog niet eens bestond. Pas later ontwikkelde zich Picardisch, dat in de middeleeuwen een belangrijke schrijftaal en literaire traditie had.
Picardisch werd lang gesproken in Rijsel en in wat later Noord-Frankrijk werd: Boonse, Artesië en Rijsel-Vlaanderen.De Amerikaanse specialist van het negentiende-eeuwse Frankrijk, prof. Eugen Weber, bevestigt dat in 1835 deze historische gebieden – de departementen Nord, Pas-de-Calais en Somme – Picardisch spraken, en niet Frans. Frans was toen slechts de taal van weinigen die in contact stonden met het staatsapparaat, de justitie en administratie. De meerderheid van de bevolking sprak gewoon: Vlaams/Nederlands in de (Franse) Westhoek en Picardisch in de overige departementen.

Weber meent dat deze situatie – Frans als taal van een kleine elite – zich handhaafde tot het begin van de Eerste Wereldoorlog. Zie zijn bekende boek: “Peasants into Frenchmen: The Modernization of Rural France, 1870–1914” (1976).

Wallonië sprak ook geen Frans

Eenzelfde situatie zien we in het huidige Wallonië. Frans is niet de historische taal van Wallonië. Het rukte geleidelijk op, deels via samenwerking met de “bezetter” – eerst de Franse revolutionairen, vervolgens Napoleon, die de verfransing van het staats-, administratief- en burgerlijk apparaat versterkte. De oprichting van België onder Franse invloed verzilverde dit patroon.Toch bleef het volk trouw aan de oorspronkelijke historische talen:

  • Waals
  • Picardisch in sommige grensstreken
  • Luxemburgs in de Ardennen

Ook hier geldt de observatie van Weber: de periode vóór de Eerste Wereldoorlog vormt een duidelijke breuklijn voor de taal van het volk.

Nog dit

Picardisch en Waals zijn geen dialecten van het Frans, zoals Frankrijk vandaag maar al te graag suggereert. Het zijn zelfstandige Romaanse talen die ongeveer in dezelfde periode onafhankelijk van elkaar zijn ontwikkeld.

Waarom en hoe het Frans uiteindelijk de overhand kreeg op al deze talen, is voer voor een volgend artikel.

Gepubliceerd

06.03.2026

Kernwoorden
Reacties

Jan Baptist Tassijn: Een vergeten boerenkrijger, ‘voor outer en heerd’.

Op 5 maart 1799 wordt in de bossen van Haasdonk (Waasland) Jan Baptist Tassijns standrechtelijk terechtgesteld door de Franse bezetter, vanwege zijn aandeel in de Boerenkrijg. Zijn naam is minder bekend dan die van andere leiders van de opstand, zoals Rollier, Van Gansen, Corbeels en Meulemans. En in Frans-Vlaanderen had je Louis Fruchart, in verzet tegen Napoleon. Nochtans was Tassijns een belangrijk voorman van het verzet, als baljuw en meier van de heerlijkheden Zwijndrecht en Burcht.

Reeds in 1780 keerde hij zich als jurist tegen de Oostenrijkse politiek, die uiteindelijk zou uitmonden in de Brabantse Omwenteling. Later trad hij op als een welbespraakte woordvoerder tegen de hervormingen van de Franse revolutionaire bezetter.

Het zogenaamde “Tassijnskruis” werd ter nagedachtenis aan Tassijns opgericht in de bossen van Haasdonk, in de buurt van de plaats waar hij werd terechtgesteld. Het monument dateert uit 1898. Op het arduinen gedenkteken staat te lezen:

“D.O.M. Ter nagedachtenis van J.B. Tassijns, alhier laffelijk vermoord den 5 meert 1799.
Gedenkt, gij die voorbijgaat en dien kruise groet; gedenk, o volk van Vlaanderen: hier vloeide onschuldig bloed; hier viel Tassijns voor land en kerk; hier draagt de grond het heilig merk van enen martelaar. 18 september 1898. RIP.”

Zijn woonhuis in Zwijndrecht is vandaag een beschermd monument. Een gedenkplaat aan de gevel herinnert aan deze moedige strijder “voor outer en heerd”.

In deze woelige tijden kan het geen kwaad om opnieuw stil te staan bij historische verzetsdaden, verzetsbewegingen en volksopstanden. Niet alleen hun idealen en moed verdienen herinnering, maar ook hun tactieken, methodes, overwinningen en nederlagen.

Op deze pagina zal ik daar in de toekomst geregeld op terugkomen.

Gepubliceerd

05.03.2026

Kernwoorden
Reacties

De inname van Breda  (1590):  Speelden Zuid-Nederlanders een rol?

Op 4 maart 1590 veroverde een kleine groep elitesoldaten in Nederlandse dienst het kasteel van Breda op de Spaanse bezetters, voornamelijk Italiaanse huurlingen in Spaanse dienst.
Dit stichtende en mythische episode uit de geschiedenis van de nieuwe Nederlandse staat van toen staat in de geschiedenisboeken bekend als “de list van het Turfschip van Breda”. Dit turfschip is het paard van Troje van de Nederlandse geschiedenis.

Met behulp van een turfschip, eigendom van Adriaan van Bergen die dagelijks Breda bevoorraadde, werden 68 elitesoldaten het kasteel van Breda binnengesmokkeld. Eens binnen haastte dit commando zich om de poorten van de vesting te openen voor de troepen van prins Maurits van Nassau. Hoewel de Spaanse troepen een ruime numerieke overmacht vertegenwoordigden, was de verrassing bij nacht compleet en gaven de vijandige troepen zich over of namen zij de vlucht.

ZUID-NEDERLANDSE HUGENOTEN

Wat vandaag een beetje vergeten wordt, is wie deze moedige vrijwillige soldaten in het turfschip waren. De leidende officier was een Kamerijkse hugenoot en edelman, en een sluwe militair, genaamd Charles de Héraugière – ook geschreven als de Héraugières of de Hérauguier. Hij werd geboren in Kamerijk (Cambrai) in 1556, vluchtte zijn geboortestreek omwille van zijn protestantse overtuiging en trad in dienst van Oranje als kapitein en ritmeester (cavalerie-officier). Hij vocht onder meer in Huy en Lier en nam ook deel aan de verdediging van Sluis en aan de slag bij Turnhout in 1597.

Men mag ervan uitgaan dat verschillende van de overige 68 dapperen op het turfschip eveneens van Zuid-Nederlandse afkomst waren. De geschiedenis heeft vooral de namen van de officieren onthouden: Charles Lambert, Jean Logier, Jean de Fervet en luitenant Helt. Minstens drie van de vier dragen familienamen die wijzen op een Zuid-Nederlandse herkomst.

Zij werden na hun moedige daad in hun tijd als helden gevierd. Al verkoos de Romantiek later vooral de man van het volk, schipper Adriaan van Bergen, te eren. Charles de Héraugière werd benoemd tot gouverneur van de stad Breda, die hij had helpen bevrijden, en mocht vele eerbewijzen in ontvangst nemen, waaronder een zilveren turfboot en een glazen kanon dat in 1999 werd ontdekt en vandaag te zien is in het stedelijk museum van Breda, samen met de medaille die in 1590 ter zijne ere werd geslagen. Hij werd ook een grootgrondbezitter in de stad en een voorname weldoener van de Waalse Kerk aldaar.

De hedendaagse Nederlandse geschiedschrijving vergeet soms wat zij te danken heeft aan het zuiden, en aan de Vlaamse, Artesische, Waalse en Kamerijkse hugenoten. Het verhaal van het Turfschip van Breda is daarvan een treffende illustratie.

Gepubliceerd

04.03.2026

Kernwoorden
Reacties

Mathias de Lobel: lijfarts van Willem van Oranje  

Op 3 maart 1616 overleed in Highgate (Londen) de arts en plantenkundige Mathias de Lobel, ook bekend als Lobelius. Hij werd geboren in Rijsel in 1538.

Tussen 1571 en 1587 verbleef De Lobel als geneesheer in Antwerpen, Middelburg en Delft. Zijn faam als arts maakte dat hij werd benoemd tot lijfarts en raadsheer van Willem van Oranje.

De Lobel verliet de Zuidelijke Nederlanden in de context van de godsdiensttroebelen van de tweede helft van de 16de eeuw. Hoewel hij zich nooit expliciet uitsprak over zijn geloofsovertuiging, wijzen zijn vlucht, zijn netwerk en zijn loopbaan erop dat hij vermoedelijk sympathiseerde met het protestantisme. Hij past daarmee in een bredere beweging van geleerden en ambachtslieden uit het huidige Frans-Vlaanderen die aanvankelijk uitweken naar Engeland en later vaak opnieuw in de Nederlanden actief werden.

Later trad De Lobel in dienst als lijfarts van Jacobus I van Engeland, die hem aanstelde als koninklijk botanicus. Het plantengeslacht Lobelia werd naar hem genoemd.

Mathias de Lobel publiceerde verschillende werken, waaronder het befaamde Kruydtboeck oft beschrÿuinghe van allerleye ghewassen, kruyderen, hesteren ende gheboomten, uitgegeven in 1581 in Antwerpen bij Plantijn.

De zuidelijke Nederlanden namen in de 16de eeuw een voorname plaats in binnen de ontwikkeling van de plantkunde. Naast De Lobel speelden ook Clusius, geboren in Atrecht, en Rembert Dodoens uit Mechelen een sleutelrol in de uitbouw van deze wetenschap.

Gepubliceerd

03.03.2026

Kernwoorden
Reacties

Alfons de Cock: Wie het volk wil begrijpen, moet luisteren naar zijn verhalen

Op 2 maart 1921 overlijdt in Berchem schrijver en volkskundige Alfons de Cock. Hij werd in 1850 geboren in Herdersem (Oost-Vlaanderen) en groeide uit tot een sleutelfiguur in de ontstaansgeschiedenis van de wetenschappelijke volkskunde in Vlaanderen. De Cock volgde zijn opleiding tot onderwijzer aan de normaalschool in Lier, toen een kweekvijver van Vlaamsgezinde studenten, en was nadien actief als onderwijzer, onder meer in zijn geboortedorp, in het spoor van zijn vader.

Aanvankelijk ging zijn belangstelling vooral uit naar botanica en volksgeneeskunde. Met zijn boek Volksgeneeskunde in Vlaanderen (1891) verwierf hij ruime bekendheid. Vanuit zijn reputatie als plantkundige ontwikkelde hij een bredere visie op volkskunde, die hij beschouwde als een middel om de nationale volksaard te handhaven, te bevestigen en te versterken.

Samen met Pol de Mont en August Gillée geldt De Cock als een van de grondleggers van de wetenschappelijke volkskunde in Vlaanderen. Tussen 1900 en 1921 was hij de voornaamste redacteur van het tijdschrift Volkskunde, dat sinds 1888 een centraal forum vormde voor onderzoek naar volksverhalen, gebruiken en tradities.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog sympathiseerde De Cock met het activisme en pleitte hij voor de oprichting van een leerstoel Volkskunde aan de Gentse universiteit. Hij publiceerde een omvangrijk oeuvre, alleen of in samenwerking, over sprookjes en sagen, vertellingen uit de volksmond, volksverhalen, spreekwoorden en zegswijzen. Zijn werk verscheen zowel in boekvorm als in talrijke tijdschriften en bijdragen.

Zijn nalatenschap leeft voort in het publieke geheugen. In verschillende Vlaamse gemeenten dragen straten en pleinen zijn naam. In zijn geboortestreek werd bovendien een wandelpad aan Alfons de Cock opgedragen — een passend eerbetoon aan een man die luisterde naar de verhalen van het volk om het beter te begrijpen.

Gepubliceerd

02.03.2026

Kernwoorden
Reacties