Vandaag opnieuw twee data uit mijn dagklapper die refereren naar ‘la Belgique de papa’:
Deze week kon je nog lezen in De Standaard dat Gentse universiteitsprofessoren de lof blijven zingen voor de oerBelgische historicus Pirenne die tot in de jaren twintig een Nederlandstalige universiteit in Gent niet zag zitten.
En ook deze week vernamen we dat het officiële Belgische WK liedje ‘ Kiss the grass’ heet, zogezegd “met een moderne anthem-stijl (?) dat – en ik citeer -de taalgrens overstijgt.” In verstaandbare Vlaams betekent dat dat het Nederlands niet voorzien is. Wel “een Frans-Engels” debiele tekst. Tenzij je ‘allez, allez, allez’ vervolgd door ‘ la, la, la’ (of is het omgekeerd) als Nederlands beschouwt.
Een elite en een volk, voorlopig nog de meerderheid in dit land, die zich tot vandaag zo laat behandelen verdient inderdaad het predicaat die ik vroeger in Vlaamse middens wel eens hoorde: een klootjesvolk in een apenland.
03.05.2026
Nous, signataires du présent appel, demandons que la langue régionale des Flamands soit pleinement reconnue et prise en compte dans toutes ses formes par le rectorat, les élus des Hauts-de-France ainsi que par le futur Office public du flamand occidental.
Par « toutes ses formes », nous entendons clairement ses deux expressions : le néerlandais standard et sa variante dialectale régionale. Associer le néerlandais standard au flamand occidental ne relève pas d’un choix accessoire : c’est une condition essentielle pour en faciliter l’enseignement et lever les blocages actuels.
Ces blocages sont bien connus : pénurie d’enseignants, absence de formation, manque de manuels et de supports audiovisuels, hésitations des familles et des établissements face à un faux dilemme entre flamand occidental et néerlandais, limitation de son enseignement à une zone géographique restreinte.
À l’inverse, l’enseignement du néerlandais permet de répondre concrètement à ces difficultés et concerne la grande majorité de notre région. Il représente en outre un enjeu stratégique pour les Hauts-de-France : renforcer les relations avec nos voisins de Flandre belge et des Pays-Bas, parmi nos tout premiers partenaires économiques.
Une réalité trop longtemps ignorée
Notre démarche s’ancre dans un constat simple, mais trop souvent négligé : la Flandre française est historiquement de langue flamande et néerlandaise. Son identité est à la fois historique, culturelle et géographique. Elle ne saurait être réduite à un territoire périphérique du nord de la France. Elle constitue au contraire une ouverture naturelle vers les pays du Benelux, avec lesquels elle partage une histoire commune. Cet espace forme aujourd’hui un véritable carrefour européen — une opportunité majeure pour notre région.
Mais être un carrefour ne se résume pas à une position géographique : c’est aussi assumer une responsabilité.
Nous refusons de tourner le dos à une partie essentielle de notre environnement. La Flandre française ne peut vivre en vase clos ; elle doit s’ouvrir pleinement. Cela suppose une maîtrise solide du néerlandais, langue standard du flamand occidental et langue de près de 25 millions d’Européens.
Encore faut-il que cette langue soit réellement proposée comme un choix dans l’ensemble de nos établissements scolaires. Cela implique une volonté politique claire, des moyens adaptés et la réhabilitation de la langue standard écrite de nos ancêtres — qui est aussi celle de nos voisins.
Dès lors, une évidence s’impose : la Flandre en France, en raison de sa spécificité linguistique, et l’ensemble des Hauts-de-France, pour des raisons culturelles et économiques, ne peuvent se passer de l’enseignement du néerlandais.
Après des décennies de déni, il est temps d’en reconnaître la nécessité vitale pour notre région, de prendre les mesures nécessaires pour en faciliter l’accès dans le plus grand nombre d’établissements et de le prendre pleinement en compte dans le cadre de l’Office public en cours de création. Le présent manifeste s’inscrit dans la même ligne des revendications de nos amis Alsaciens et à leur demande de prise en compte de la l’allemand standard par toutes les instances intéressées.
De taal van de Vlamingen in al haar vormen volledig erkennen: een gebiedende noodzaak
Wij, ondertekenaars van deze oproep, vragen dat de regionale taal van de Vlamingen in al haar vormen volledig wordt erkend en meegenomen door het rectoraat, de verkozenen van Hauts-de-France en het toekomstige Office public du flamand occidental.
Met “al haar vormen” bedoelen wij duidelijk haar twee uitdrukkingen: het Standaardnederlands en de regionale dialectvariant. Het koppelen van het Standaardnederlands aan het West-Vlaams is geen bijkomstige keuze: het is een essentiële voorwaarde om het onderwijs ervan te vergemakkelijken en de huidige blokkades weg te nemen.
De blokkades rond de keuzes voor het West-Vlaams zijn welbekend: een tekort aan leerkrachten, het ontbreken van opleidingen, een gebrek aan handboeken en audiovisueel materiaal, aarzelingen bij gezinnen en onderwijsinstellingen tegenover het valse dilemma tussen West-Vlaams en Nederlands, en de beperking van het onderwijs tot een beperkte geografische zone.
Daarentegen maakt het onderwijs van het Nederlands het mogelijk om deze moeilijkheden concreet aan te pakken en heeft het betrekking op het grootste deel van onze regio. Bovendien vormt het een strategisch belang voor Hauts-de-France: het versterken van de relaties met onze buren in Belgisch Vlaanderen en Nederland, die tot onze belangrijkste economische partners behoren.
Een al te lang genegeerde realiteit
Onze benadering vertrekt vanuit een eenvoudige, maar al te vaak veronachtzaamde vaststelling: Frans-Vlaanderen is historisch gezien Vlaams- en Nederlandstalig. Onze identiteit is tegelijk historisch, cultureel en geografisch. Zij kan niet worden herleid tot een verloren hoek in het uiterste noorden van Frankrijk. Integendeel, zij vormt een natuurlijke opening naar de Benelux-landen, waarmee zij een gemeenschappelijke geschiedenis deelt. Deze ruimte vormt vandaag een echt Europees kruispunt — een grote kans voor onze regio.
Maar een kruispunt zijn is niet alleen een geografische positie: het is ook een verantwoordelijkheid.
Wij weigeren ons af te keren van een essentieel deel van onze omgeving. Frans-Vlaanderen kan niet in zichzelf gekeerd leven; het moet zich volledig openstellen. Dat veronderstelt een degelijke beheersing van het Nederlands, de standaardtaal van het West-Vlaams en de taal van bijna 25 miljoen Europeanen.
Nog moet deze taal daadwerkelijk als keuze worden aangeboden in al onze onderwijsinstellingen. Dat vereist een duidelijke politieke wil, aangepaste middelen en het in ere herstellen van de geschreven standaardtaal van onze voorouders — die ook die van onze buren is.
Daaruit volgt een duidelijke conclusie: Frans-Vlaanderen, vanwege zijn taalkundige eigenheid, en de hele regio Hauts-de-France, om culturele en economische redenen, kunnen niet zonder het onderwijs van het Nederlands.
Na decennia van ontkenning is het tijd om de vitale noodzaak ervan voor onze regio te erkennen, de nodige maatregelen te nemen om de toegang ertoe in zo veel mogelijk onderwijsinstellingen te vergemakkelijken en het ten volle op te nemen in het kader van het ‘Office public’ in oprichting. Het onderhavige manifest sluit aan bij dezelfde lijn als de eisen van onze Elzasser vrienden en bij hun vraag om het Standaardduits in aanmerking te nemen door alle betrokken instanties.
03.05.2026
Vandaag vermeldt mijn dagklapper twee vredesverdragen die intussen grotendeels in de vergetelheid zijn geraakt:
Volgens de Rijselse historicus Jean-Michel Lambin in zijn boek Quand le Nord devenait français (1980) mogen we ons niet vergissen in de gevoelens van de bevolking bij deze annexaties. De Franse machthebbers, die oorlog, plundering en verwoesting met zich meebrachten en onze voorouders zwaar troffen, waren meestal niet welkom.
In de tijd van Albrecht en Isabella was de harde periode onder Alva al lang vergeten. Onze voorouders beleefden in het begin van de zeventiende eeuw, onder de Habsburgers, een tijd van vrede en vooruitgang.
Lambin schrijft:
“Het leven was relatief aangenaam op de hellingen van de Vlaamse bergen, aangezien de oogsten over het algemeen goed waren en soldaten uit het straatbeeld verdwenen waren. De welvaart van Vlaanderen uitte zich in de heropbouw van kerken en stadhuizen, in belangrijke culturele investeringen zoals de oprichting van colleges en zondagsscholen, en in zorg voor de armen via de oprichting van hospitalen en kloosters.”
Ook in het nabijgelegen Henegouwen, toen rijksgebied, kende men een gelijkaardige periode van rust na de oorlog met de Fransen — “de erfelijke vijand”, aldus Lambin.
Vredesverdragen die boven de hoofden van de bevolking worden gesloten, maken daarom nog geen vrienden.
02.05.2026
Op 01 mei 1891, in de Frans-Henegouwse textielstad Fourmies, op acht kilometer van de schreve. Het had, aldus het programma (zie illustratie), een waardige en vreedzame feestdag moeten worden. Een staking, een protestdag, met als voornaamste eis de achturige werkdag. Een rechtvaardige eis, als je het mij vraagt – een eis die ook mijn voorouders ondersteunden.
In Fourmies liepen de arbeidsters voorop, met een tak meidoorn in de hand: symbool van de lente, van hoop.
Wat vredelievend begon, liep uit de hand. Hier en daar kwamen er schermutselingen, woorden vlogen heen en weer, en er werd met stenen gegooid. De gendarmen hadden versterking gekregen van een dertigtal soldaten, uitgerust met het toen splinternieuwe Lebel-geweer.
Over wat daarna precies gebeurde, lopen de meningen uiteen. Maar commandant François Chapus voelde zich in het nauw gedreven. Volgens veel getuigen gaf hij zonder duidelijke waarschuwing het bevel te schieten – met zijn nieuwe geweren – op de jonge demonstranten die niet wilden wijken.
Het plein veranderde plots in een schietveld. Negen jonge levens gingen verloren, de jongsten amper 11 en 14 jaar oud. Onder hen ook vier meisjes tussen 16 en 20 jaar. Daarnaast vielen er een dertigtal tot ruim 35 gewonden.
Tussen de doden: de jonge Maria Blondeau, 18 jaar, arbeidster in een katoenfabriek in Fourmies. Ze ging de dood in met de meidoorn in haar handen en werd zo het symbool van dit bloedbad. Het beeld van Maria en haar verloofde Kléber verscheen de volgende dag in vele Franse kranten als emblematische figuren voor de strijd voor menselijke arbeidsvoorwaarden.
Maar zelfs na de dood wordt er gemanipuleerd: naar verluidt droeg Kléber een rode vlag, terwijl de Parijse pers er een driekleur van maakte – en zo werd het verhaal ingekleurd als deel van het “één en ondeelbaar” vaderland van vrijheid, gelijkheid en broederschap.
01.05.2026
Op 30 april 1878 werd in het Frans-Vlaamse dorp Noordpene de literatuurhistoricus, filosoof en essayist Paul Hazard geboren.
Zijn vader en grootvader waren dorpsonderwijzers in Noordpene. Zijn moeder, Marie-Eudonie Looten, was een zus van de bekende Frans-Vlaamse voorman Camille Looten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Hazard zich ontpopte tot een fervent pleitbezorger van het onderwijs van het Nederlands in Frans-Vlaanderen.
Hazard behaalde zijn ‘certificat d’études’ in Arneke en volgde vervolgens de klassieke humaniora in Armentiers. Het lyceum waar hij studeerde draagt tot op vandaag zijn naam.
Al vroeg moet zijn uitzonderlijk talent zijn opgevallen, want vanaf 1900 werd hij toegelaten tot de prestigieuze École Normale Supérieure in Parijs. In 1903 behaalde hij de aggregatie letteren. Hij zette zijn studies voort aan de Sorbonne, waar hij in 1910 doctoreerde met een proefschrift dat hem meteen bekendheid opleverde: La révolution française et les lettres italiennes.
Zijn academische loopbaan bracht hem eerst naar de universiteit van Lyon en vervolgens opnieuw naar de Sorbonne in Parijs. In 1925 werd hij benoemd tot titularis van de leerstoel vergelijkende literatuurwetenschap aan het befaamde Collège de France. In de jaren dertig doceerde hij bovendien als gastprofessor aan verschillende Amerikaanse universiteiten. In 1932 en 1940 gaf hij les aan de Columbia University in New York.
Opmerkelijk is dat hij in 1941, midden in de oorlog, besloot terug te keren naar Frankrijk om er te doceren. Datzelfde jaar werd hij voorgedragen als rector van de universiteit van Parijs, maar zijn kandidatuur werd afgewezen door de Duitse bezetter.
Zijn bekendste werk, La crise de la conscience européenne (1935), verscheen pas in 1990 in Nederlandse vertaling (bij Agon) onder de titel De crisis in het Europees denken. Europa op de drempel van de Verlichting 1680-1715.
De Spinoza-specialist Karel D’huyvetters noemde Hazard “zonder twijfel een van de coryfeeën van de beschavingsgeschiedenis” en voegde eraan toe: “Paul Hazard is een uitmuntende gids, eerlijk als goud, objectief als een deurwaarder, bloemrijk als een rederijker, diepzinnig als een mysticus, wijs als een grootvader en belezen als geen ander.”
In 1940, vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, werd hij verkozen tot lid van de Académie française. Door de oorlog werd hij echter nooit officieel geïnstalleerd. Zijn vroegtijdige overlijden op 13 april 1944 in Parijs maakte zijn officiële opname onmogelijk.
Een citaat van Paul Hazard over Nederland in de 17de en 18de eeuw:
“Nederland is door haar universiteiten een land van bemiddelaars. Rond haar leerstoelen verzamelen zich studenten uit het oosten en het westen, uit het noorden en het zuiden, om te luisteren naar professoren die niet alleen Nederlands zijn, maar ook Frans en Duits. In Nederland hebben mensen, boeken en ideeën uit verschillende landen elkaar ontmoet; en er hebben geestelijke uitwisselingen plaatsgevonden zoals je die nergens anders in die tijd aantreft… Gedurende de hele zeventiende eeuw en een groot deel van de achttiende eeuw hebben Engelsen, Fransen, Schotten, Denen, Zweden, Polen en Hongaren gestudeerd in Leiden, Franeker, Groningen en Utrecht…”
30.04.2026
Op 30 april 1632 overlijdt Jean ’t Serclaes van Tilly, een van de grootste militaire figuren uit de Zuidelijke Nederlanden.
Geboren in 1559 op het kasteel van Tilly (het huidige Villers-la-Ville in Waals-Brabant), groeide hij uit tot een van de meest invloedrijke veldheren van zijn tijd. In de geschiedenis staat hij vooral bekend onder de korte naam “Tilly”, zoals hij ook door zijn tijdgenoten werd genoemd.
Tilly diende het leger van het Heilige Roomse Rijk en werd de belangrijkste bevelhebber van de Katholieke Liga tijdens de Dertigjarige Oorlog. Hij stond bekend om zijn strenge discipline, strategisch inzicht en onverzettelijke geloof.
Zijn grootste overwinning behaalde hij in 1620 bij de Slag bij de Witte Berg, waar hij een beslissende rol speelde in het onderdrukken van de protestantse opstand in Bohemen.
Later kwam hij in conflict met de Zweedse koning Gustaaf Adolf, een vernieuwend militair leider. In 1632 probeerde Tilly diens opmars te stoppen aan de rivier de Lech in Beieren. Tijdens de Slag bij Rain werd hij zwaar verwond. Enkele dagen later, op 30 april 1632, overleed hij aan zijn verwondingen.
Met zijn dood verloor de katholieke zijde een van haar meest ervaren bevelhebbers. Vandaag blijft Tilly een indrukwekkende, maar vaak vergeten figuur uit de militaire geschiedenis van de Zuidelijke Nederlanden.
30.04.2026
Op 29 april 1899 – vandaag 127 jaar geleden – brachten de Italiaanse uitvinder Guglielmo Marconi en de Franse natuurkundige Édouard Branly in de badplaats Wimereux, aan de Boonse kust, de eerste radioverbinding tussen Frankrijk en Groot-Brittannië tot stand.
Het signaal overbrugde het Kanaal en bewees dat draadloze communicatie over lange afstand mogelijk was — een revolutionaire stap die de basis legde voor onze moderne communicatiewereld.
Een gedenkteken herinnert vandaag nog aan deze baanbrekende proefnemingen, die – toepasselijk genoeg – plaatsvonden in de “Villa Flandre”.
Europa liep ooit voorop in innovatie… doen we dat vandaag nog? 🤔
29.04.2026
Op 28 april 1969 trekt Charles de Gaulle zich, na zijn verloren referendum over regionalisering, definitief terug als president van Frankrijk.
Een maand later “verdwijnt” hij voor een merkwaardige reis naar Ierland. Later verklaart hij daarover: “Het was mijn instinct dat me naar Ierland bracht.”
Hij was er op zoek naar zijn wortels: een van zijn overgrootmoeders droeg de naam Mac Cartan.
De Mac Cartans, heren van Kinelarty in het zuiden van het graafschap Down (in Ulster), stonden bekend als felle tegenstanders van de Engelse overheersing. In de 17e eeuw sloegen ze op de vlucht en vestigden zich onder meer in Frankrijk.
De Gaulle koesterde bovendien grote bewondering voor Daniel O’Connell (1775–1847), bijgenaamd The Liberator. Zijn grootmoeder schreef zelfs een biografie over hem.
Misschien verklaart dat iets van de bijna mythische invulling die De Gaulle gaf aan het Franse nationale gevoel, zijn wantrouwen tegenover het Verenigd Koninkrijk — het “perfide Albion” — en zijn koppige, rebelse karakter als een echte Einzelgänger op het wereldtoneel.
Tijdens zijn bezoek bracht De Gaulle een opvallende toost uit:
“Ik hef het glas ter ere van Ierland… van heel Ierland.”
Die laatste woorden werden in de persverslagen opvallend genoeg vergeten — of gewoon weggelaten.
28.04.2026
28 april 1918. In een ziekenhuis nabij de gevangenis van Theresienstadt sterft Gavrilo Princip aan tuberculose. De jonge Bosnisch-Servische nationalist, amper 23 jaar oud, was veroordeeld tot de maximumstraf voor minderjarigen — twintig jaar dwangarbeid — voor de moord op aartshertog Franz Ferdinand en diens echtgenote op 28 juni 1914 in Sarajevo. Die aanslag, uitgevoerd met een Belgisch FN-pistool, zou de directe aanleiding worden voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.
Achter de aanslag ging een complex netwerk schuil van nationalistische bewegingen en geheime contacten. Gavrilo Princip maakte deel uit van Jong-Bosnië (Mlada Bosna), een revolutionaire beweging die streefde naar de bevrijding van Zuid-Slavische gebieden. Tegelijk waren er nauwe banden met leden van de Servische geheime organisatie Crna Ruka, beter bekend als de Zwarte Hand, die logistieke steun verleenden.
Minder bekend — en volgens sommige historici onderbelicht — is dat een deel van de voorbereidingen buiten de Balkan plaatsvond. In januari 1914 zouden leden van Jong-Bosnië samengekomen zijn in de Occitaanse stad Toulouse. Daar viel de keuze op Princip als uitvoerder van de aanslag.
De Zwarte Hand, een samenzwerende nationalistische organisatie met wortels in het Servische leger, stond bekend om haar streven naar een Groot-Servië. In bepaalde kringen werd zij ook omschreven als “zij die Frans spreken”, een verwijzing naar culturele en politieke connecties die verder reikten dan de Balkan alleen. Tegen het voorjaar van 1914 was de aanslag in grote lijnen voorbereid. Over de herkomst van de wapens en de precieze internationale betrokkenheid bestaan uiteenlopende lezingen, al staat vast dat het gebruikte wapen afkomstig was uit België.
Ook de datum van de aanslag was symbolisch geladen. Op 28 juni vieren Serviërs Vidovdan, de feestdag van de heilige Vitus (Sveti Vit), die volgens de traditie de marteldood verkoos boven geloofsafval.
De banden tussen Servië en Frankrijk gaan terug tot de 19de eeuw en waren bijzonder hecht. Voor de Eerste Wereldoorlog studeerden talrijke Serviërs en Fransen in elkaars landen. Volgens historicus Luc Vanacker*D bestond er sinds 1911 een “Office central des nationalités”, dat via netwerken, waaronder vrijmetselaarsloges, contacten onderhield met radicale groepen in Servië. De Servische historicus en diplomaat D.T. Bataković omschreef Servië zelfs als het meest francofiele land ter wereld. Die verbondenheid zou decennia later nog nazinderen: tijdens de Bosnische oorlog (1992-1995) kozen sommige Fransen nadrukkelijk de Servische zijde.
Na de aanslag probeerden de Servische autoriteiten en hun bondgenoten afstand te nemen van de gebeurtenissen en tegelijk controle te krijgen over de betrokken netwerken. In 1917 vond in Thessaloniki een proces plaats tegen de leider van de Zwarte Hand, Dragutin Dimitrijević, bijgenaamd Apis. Hij nam de verantwoordelijkheid voor de aanslag op zich, maar werd alsnog geëxecuteerd. Over de internationale druk en de rol van bondgenoten, waaronder Frankrijk, lopen de interpretaties uiteen.
Volgens Luc Vanacker zagen sommige Servische kringen na de oorlog in de Franse president Raymond Poincaré een van de politieke krachten die het conflict hadden aangewakkerd. Poincaré (1860-1934), afkomstig uit Lotharingen, droeg de erfenis van de Frans-Duitse oorlog (1870-1871) met zich mee. De annexatie van Elzas en Lotharingen door Duitsland voedde in Frankrijk een sterke revanchegedachte die decennialang het politieke klimaat bepaalde.
Een veelzeggende anekdote illustreert die mentaliteit: de hond van Poincaré droeg de naam ‘Bismarck’.
Tussen 1871 en 1918 werd in Frankrijk het verlies van Elzas-Lotharingen levendig gehouden in onderwijs en publieke opinie. In klaslokalen hing een kaart van Frankrijk met een lege plek waar de verloren gebieden lagen. Schoolkinderen leerden liederen die de herovering bezongen:
Vous n’aurez pas l’Alsace et la Lorraine,
Et malgré vous nous resterons Français.
Het revanchisme maakte integraal deel uit van de opvoeding van generaties Fransen. De herovering van de verloren gebieden werd een nationale ambitie. In dat klimaat werd ook de jeugd voorbereid op een toekomstig conflict: op vele scholen maakten schietoefeningen deel uit van het dagelijkse ritme op de speelplaats.
Omdat Frankrijk militair niet sterk genoeg werd geacht om dit alleen te realiseren, zette Poincaré in op allianties, met name met Rusland — de traditionele bondgenoot van Servië — en Groot-Brittannië. In 1914 gingen de Britten nog uit van een defensieve Franse houding. Later werd dat beeld bijgesteld. De Britse premier David Lloyd George stelde in 1938, in een sterk door de context van het interbellum gekleurde analyse, dat Poincaré had bijgedragen aan de spanningen in Europa door een harde politiek tegenover Duitsland te ondersteunen.
De gevolgen van de oorlog waren ingrijpend en blijvend. Europa werd hertekend: Duitsland werd vernederd, Oostenrijk-Hongarije viel uiteen en het Ottomaanse Rijk werd ontmanteld. Tegelijk ontstonden nieuwe machtsverhoudingen, met de opkomst van het communisme, het nazisme en de Verenigde Staten als wereldmacht.
Gavrilo Princip haalde de trekker over met een Belgisch pistool — maar de geschiedenis had Europa al op scherp gezet.
Bovenkant formulier
* Luc Vanacker/ Over die oorlog. Bedenkingen bij een eeuw geschiedschrijving over het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog/ Uitgeverij Aspekt/ 2019
28.04.2026
Op 27 april 1702 overleed in Duinkerke de beroemde Frans-Vlaamse kaper Jan Baert. Hij werd er geboren in 1650 en maakte, net als de dichter Michiel de Swaen (1654–1707), tijdens zijn leven woelige tijden mee.
In 1658 werd Duinkerke door de Franse troepen van Turenne veroverd. Enkele jaren later, op 10 november 1659, werden de Duinkerkenaars wakker als Zuid-Nederlandse onderdanen, om tegen de middag Frans te zijn, waarna de Fransen de stad ’s avonds aan de Engelsen verkochten. Het is niet zeker dat de inwoners die dag goed en wel begrepen wat er gebeurd was. Ze bleven intussen de Vlamingen die ze waren. Ook in 1662, toen Frankrijk Duinkerke van de Engelsen terugkocht. Il faut le faire…
Terwijl de hele streek rond Duinkerke, van Artesië tot Rijsel en Zuidwest-Vlaanderen, overspoeld werd door de Franse soldateska, met moord en brand als gevolg voor de plaatselijke bevolking, suggereren Franse geschiedenisboeken soms een gewilde “terugkeer” naar Frankrijk. Een eufemisme dat de bloedbaden van toen handig verdoezelt. Historici als Lambin en anderen hebben nochtans aangetoond dat de Fransen in Rijsel, Sint-Omaars en Duinkerke allerminst als bevrijders werden onthaald.
Er waren ook mensen die, zoals Jan Baert, hun kennis van de Noordzee en hun militair talent als een soort huurlingen te gelde maakten, op zoek naar roem, avontuur en fortuin.
Het belet niet dat Jan Baert werd opgeleid door diegenen die hij later zou bestrijden. Hij genoot zijn maritieme vorming onder het kundig bevel van de Nederlandse admiraal De Ruyter, voor hij ervoor koos zijn kunde — met succes — aan Franse zijde in te zetten. De haat tegen het perfide Albion, die hij in Engelse kerkers had opgedaan, deed wellicht de rest.
Jan Baert: held of collaborateur? De geschiedenis — en het volk — onthielden vooral de heldhaftigheid van het personage. Dat woog in zijn tijd blijkbaar zwaarder dan morele verontwaardiging vanuit het ene of het andere kamp.
Men mag daarom niet te snel concluderen dat de motieven van Jan Baert louter politiek waren. Hij had evengoed kunnen doen wat zijn Duinkerkse tijdgenoot Michiel de Swaen deed: de verbondenheid met de Nederlanden blijven bezingen, waartoe beiden door taal, cultuur en afkomst behoorden. Maar soldaten zijn zelden dichters en kiezen vaker voor de weg van de glorie.
Wat Jan Baert wel gemeen had met Michiel de Swaen, was zijn Nederlandse moedertaal. Volgens de overlevering sprak hij nauwelijks Frans en communiceerde hij met de Franse koning via een tolk. Zijn naam werd door de Fransen bovendien verbasterd tot Jean Bart. Hij kon dus uit volle borst meezingen van “Al die willen te kaperen varen”, zij het in een nieuwe versie: “moeten die dan Fransman zijn?”
Toen de Fransen Duinkerke in handen kregen, namen ze al snel maatregelen ten gunste van de Franse taal. Zo werden bijvoorbeeld Vlaamse geestelijken vervangen door Franstaligen. Alleen: de bevolking kon men niet vervangen. Net als Jan Baert bleef zij stoïcijns haar moedertaal spreken. De Vlaamse paters keerden na enkele maanden terug, en het dagelijkse leven liep nog eeuwen voort zoals in de tijd van deze dappere Vlaamse zeeheld.
27.04.2026