Op 29 maart 1895 werd Ernst Jünger, Duits schrijver van romans en essays en voorname vertegenwoordiger van de conservatieve revolutie, in Heidelberg geboren. Ernst Jünger overleed op 17 februari 1998 in Riedlingen, op de leeftijd van 102 jaar.
Een tekst van Ernst Jünger over de verloren post :
“Op een verloren post moet het leven een beslissing nemen, zoals de materie onder hoge druk haar kristalvorm onthult. Hier treedt ook het lage duidelijker op de voorgrond, zoals wanneer de bemanning van een zinkend piratenschip zich met wilde excessen verdooft. Daarom probeert men binnen het geregelde leven de enkeling voor te bereiden op de crisis, waarin hij net zoals de laatste mens zonder bevel en zonder communicatie stand moet houden. De hoge waarde van een dergelijke vertegenwoordiging herkent men hieraan, dat ze zelf in het hart van de ontbinding oriënteringspunten kan vormen waarna het geheel zich richt. De representatieve kracht van de enkeling kan ontzagwekkend zijn; en de geschiedenis kent processen waarin één goede getuige het vonnis keren kan, terwijl miljoenen zwijgen.
Tot de geestelijke instrumenten die voor het hoge begrip van de wereld onontbeerlijk zijn behoort daarom de studie van de geschiedenis. Uit de grote tonelen der mensheid, zoals zij door de overlevering worden geschilderd, rijst een taal op die zich ook rechtstreeks tot ons richt; en de archieven van onze oorkonden bevatten onovertrefbare antwoorden op de vraag hoe men zich op een verloren post dient te gedragen. Tot de grote leergangen die geschiedenis in zichzelf verborgen houdt als was zij een geheime academie, behoort ook de kunst om te leren hoe te sterven. (…)”
29.03.2026
Historicus Eric Defoort noemde hem ooit “een van de belangrijkste figuren uit het Franse regionalisme tussen de twee wereldoorlogen.”
Op 28 maart 1982 overleed in Hazebroek mijn goede vriend Nicolas Bourgeois.
Zijn ouders waren Frans-Vlamingen. Door het beroep van zijn vader – muzikant en dirigent van militaire muziekkorpsen – bracht Nicolas zijn jeugd op verschillende plaatsen in Frankrijk door. Toch bleven de Vlaamse wortels stevig verankerd. Hij groeide op in het volle besef van zijn afkomst.
Zijn voorouders waren ooit eigenaars van een kleine vloot marktschepen, waarmee ze langs de Leie handel dreven. Die erfenis verklaart zijn levenslange liefde voor het water: Bourgeois was een gepassioneerd zeiler. Dat was ook zichtbaar in zijn sober ingerichte kantoor, waar enkel foto’s van zeilschepen de muren sierden.
Hij was een briljant intellect, oud-leerling van de befaamde École Normale Supérieure in Parijs, waar hij studeerde naast toekomstige schrijvers, ministers en presidenten.
Over zijn school spotte hij graag: “Hoe kan men ‘normaal’ zijn en tegelijkertijd ‘superieur’?” vroeg hij zich af.
Hij volgde rechten en geschiedenis en verwierf al vroeg naam met zijn doctoraat, gepubliceerd onder de titel Les théories du droit international chez Pierre-Joseph Proudhon, le fédéralisme et la paix (1927). Daarmee profileerde hij zich als specialist van het Proudhoniaanse federalisme.
Hij werd adjunct-secretaris van Jean Charles-Brun, de ‘paus’ van het Franse regionalisme en bezieler van de regionalistische federatie. Rond 1924 sloot Bourgeois zich als een van de eerste leken aan bij het Vlaams Verbond van Frankrijk (VVF), opgericht door Jean-Marie Gantois.
Als intellectuele evenknie van Gantois bracht hij nieuwe accenten binnen, met zijn visie op federalisme en Proudhoniaanse autonomie. Zijn uitgebreide netwerk – zowel in regionalistische kringen als binnen de Franse elite, gevormd door zijn studiegenoten – gaf hem extra gewicht.
Beroepshalve bevond Bourgeois zich dicht bij het hart van de macht.
Tussen 1919 en 1939 was hij secretaris van het presidentschap van de gemeenteraad van Parijs. In die functie fungeerde hij als ghostwriter voor talrijke notabelen en politici. Later noemde hij zichzelf ironisch “de gewezen papegaai van de stad Parijs”.
Bij het uitbreken van de oorlog werd deze functie onder het regime van Philippe Pétain afgeschaft. Voor Bourgeois was dat het moment om Parijs achter zich te laten en zich definitief in Frans-Vlaanderen te vestigen.
Hij ging wonen in Hazebroek, in het Olmkasteel, een statig herenhuis van de familie van zijn echtgenote. Daar kon hij zich ten volle wijden aan de Vlaamse zaak. Als advocaat vestigde hij zich in de streek en werd hij door zijn confraters zelfs tot stafhouder van de balie Hazebroek-Duinkerke verkozen.
Schrijven was zowel zijn beroep als zijn passie. Bourgeois was een productief en snel schrijver.
Reeds in de jaren 1920 verscheen zijn naam in talrijke tijdschriften: Action Régionaliste, Le Beffroi de Flandre, Mercure de Flandre, Le Lion de Flandre, La Vie du Nord en ook in De Standaard. Deze opsomming is verre van volledig.
Daarnaast publiceerde hij meerdere boeken, waaronder L’Hôtel de Ville de Paris (1931), de roman Le berceau sous le beffroi (1935), de satirische geschiedenis Les Hexagons (1970 en 1979) en zijn memoires Comment avoir une patrie à aimer (1979).
Symbolisch voor zijn rijke leven is dat hij in zijn laatste dagen nog druk bezig was met de correctie van de proeven van zijn geromanceerde verhaal La vie légendaire et véridique de Tisje Tasje. Dit werk, tijdens de oorlogsjaren als feuilleton verschenen, werd postuum – in het jaar van zijn overlijden – in boekvorm uitgegeven.
Als leidende figuur van het VVF ontsnapte Bourgeois na de oorlog niet aan vervolging. Franse inlichtingendiensten omschreven hem als “een van de belangrijkste animatoren van een separatistische en antinationale beweging”. Aanvankelijk werd zelfs “collaboratie met de vijand” ten laste gelegd.
Vrienden uit zijn tijd aan de École Normale Supérieure, actief in het verzet, kwamen echter voor hem getuigen. De jacobijnse aanklacht hield geen stand en Bourgeois keerde uiteindelijk als vrij man naar huis terug.
In zijn latere jaren werd hij – enigszins tegen zijn zin – de grijze eminentie en raadgever van jonge Frans-Vlamingen. De Michiel de Swaenkring benoemde hem tot erevoorzitter. Op de Frans-Vlaamse dag in Waregem werd hij in 1979 bekroond met de Vital Celenprijs.
Mijn vele gesprekken met hem in het Olmkasteel vormden de basis voor een boek dat ik enkele jaren geleden schreef over deze boeiende en geestige man – een van de meest markante persoonlijkheden die ik ooit heb ontmoet.
Hij was allerminst de karikatuur die sommige historici van hem maakten: geen “dikke nek”, noch de reactionair waarvoor hij soms werd versleten. Als jonge telg uit een proletarische familie heb ik urenlang met hem gedebatteerd over Vlaanderen, de Nederlanden en Europa.
Ook over de ideeën van Johannes Althusius en Proudhon, over federalisme, autonomie, zelfbestuur en de opbouw van een zo beperkt mogelijke staat – van onderuit, niet van bovenaf.
28.03.2026
Op 27 maart 1972 overleed in Laren (Noord-Holland) graficus, houtsnijder en tekenaar Maurits Cornelis Escher. Hij was van Friese komaf en werd geboren in Leeuwarden op 17 juni 1898.
Escher voelde zich nooit echt verbonden met de kunstwereld. Modes en stromingen van zijn tijd lieten hem koud. Hij vond het zelfs vervelend om als kunstenaar bestempeld te worden en zag zichzelf liever als graficus en ambachtsman.
Zijn oeuvre omvat, naast talrijke tekeningen uit zijn Italiaanse periode, vooral houtsneden, gravures en litho’s. Wereldberoemd werd hij met zijn metamorfosen. In zijn werk speelt Escher met optische illusies, onmogelijke ruimtes en verwarrende dieptes. Zijn unieke benadering van lucht en water, en van licht en schaduw, maakt zijn prenten ongeëvenaard.
Over zijn werk schreef hij zelf:
“ik probeer in mijn prenten ervan te getuigen, dat wij leven in een schone, geordende wereld, en niet in een normenloze chaos, zoals het soms lijkt. Mijn onderwerpen zijn óók dikwijls speels. Ik kan het niet nalaten om met onze onomstotelijke zekerheden te sollen. Het is bijvoorbeeld een plezier om willens en wetens twee- en drie-dimentionaliteiten, plat en ruimtelijk, door elkaar te haspelen en om met de zwaartekracht de draak te steken.”
Opvallend detail: de man wiens werk wiskundigen mateloos fascineert, bleek op school een zwakke leerling — vooral in het vak wiskunde.
De grootste collectie werken van Escher is te zien in het museum ‘Escher in Het Paleis’, gevestigd aan het Lange Voorhout in Den Haag.
27.03.2026
Maastricht staat op zijn kop. Mogelijk zijn de resten van D’Artagnan opgedoken in de Sint-Petrus en Pauluskerk in Wolder. Wereldnieuws… althans in de Limburgse hoofdstad. En voor wie zijn jeugd heeft doorgebracht met de degenromans van Alexandre Dumas natuurlijk.
Al moet gezegd: die vondst hing al een tijdje in de lucht. Wanneer opzoekingen en bijhorende PR jarenlang liefdevol gesponsord worden, onder meer door de laatste Franskiljons ter plaatse, dan is het wachten op het moment dat iemand “Eureka!” roept. Met een eervolle vermelding voor Camille Oostwegel sr.. Kasteelheer op rust en hobbygewijs… capitaine-lieutenant van de Mousquetaires d’Armagnac in Nederland. Je moet het maar doen.
WIL DE ÉCHTE D’ARTAGNAN NU EVEN RECHTSTAAN?
Want laten we eerlijk zijn: de échte D’Artagnan heeft bitter weinig te maken met de charmante held uit de romans. In het echte leven luisterde hij naar de naam Charles de Batz-Castelmore (†1673). Hij was allesbehalve een romantische avonturier.
Als gardeofficier in dienst van Lodewijk XIV leidde hij mee het beleg van Maastricht. Op 25 juni 1673 werd hij tijdens een stormaanval op de stad dodelijk getroffen. Door een welgemikte Nederlandse kogel. Einde verhaal. Geen dramatische monoloog, geen applaus.
Vandaag staat er in het Waldeckpark, vlak bij het Tongerseplein, een standbeeld op de plek waar hij sneuvelde. Ingehuldigd — hoe kan het ook anders — door diezelfde Camille Oostwegel.
KLEINE HISTORISCHE KANTTEKENING (VOOR WIE HET WIL WETEN)
Voor wie zich laat meeslepen door de huidige, professioneel geregisseerde goednieuwsshow: de historische realiteit is iets minder romantisch.
D’Artagnan stond namelijk… aan de verkeerde kant. De Franse kant. De vijand dus.
De troepen die in die periode de Zuidelijke Nederlanden binnenvielen, plunderden en verwoestten. Maar kijk: een beetje kruitdamp later en voilà. Een held is geboren.
EN DAN NOG DIT…
Volgens Camille Oostwegel — jarenlang ereconsul van Frankrijk en zichtbaar liefhebber van Franse onderscheidingen — is Emmanuel Macron al “officieus” op de hoogte gebracht van de vondst.
Men fluistert dat Macron intussen oefent op de uitspraak van “Maastricht” (voor Fransen een licht onuitspreekbaar woord, en sinds het verdrag ook nog eens beladen).
En wie weet: binnenkort op het Vrijthof. Macron in D’Artagnan-mantel, met degen in de hand. Op de plechtige tonen van hofcomponist Jean-Baptiste Lully — hoe kan het ook anders — gebracht door André Rieu.
Historische reconstructie, maar dan met strijkorkest.
Als Camille nu al met het Franse Legioen van Eer rondloopt, lijkt het mij niet meer dan logisch dat we stilaan een plaatsje voor hem reserveren in het Panthéon. Voor bewezen diensten aan de Franse geschiedschrijving — of toch minstens aan de marketing ervan.
En zoals Victor Hugo het misschien gezegd zou hebben:
“L’histoire est une putain qui couche avec le vainqueur.”
26.03.2026
Op 25 maart 1870 werd in Ochtezele Renaat Despicht geboren. Dat gebeurde in woelige tijden, amper vier maanden vóór Frankrijk de oorlog aan Pruisen verklaarde — een conflict dat later zou doorwerken tot in twee wereldoorlogen.
Despicht groeide op in een Vlaamssprekend landbouwersgezin. Die afkomst verklaart zijn diepe kennis van de natuur en zijn uitgesproken liefde voor de moedertaal, die zijn geschriften doordesemt. Hij werd priester en, in 1926, de eerste leraar Nederlands aan de Katholieke Universiteit Rijsel.
Voor een Vlaamse boerenzoon betekende dat een opmerkelijke sociale promotie, al werd zijn loopbaan vroegtijdig verstoord door een zwakke gezondheid. Zijn lievelingsspreuk leek hem dan ook op het lijf geschreven: “een krakkende karre da rydt varre”. Die broze gezondheid verhinderde hem overigens niet om de leeftijd van 90 jaar te bereiken.
Zijn vervroegde ruststelling had één belangrijk voordeel: ze gaf hem meer tijd om te schrijven. Opmerkelijk genoeg publiceerde Despicht zelf niets in boekvorm, maar des te meer in bladen en tijdschriften. Zijn werk bestaat vooral uit eenvoudige, volkse teksten en soms dichterlijke oefeningen, geschreven in een taal die de geur van de streek draagt.
Hij was onder meer de talentvolle en volkse redacteur van Tisje Tasje’s Almanak (1900-1914), waarin hij talrijke heemkundige bijdragen publiceerde. Tijdens het interbellum speelde hij bovendien een sleutelrol in de redactie van het Nederlandstalige blad De Torrewachter, samen met een hele generatie Vlaams- en Nederlandsschrijvende pastoors: Marcel Janssen, Adrien Ryckelynck en Romain Van de Meule. Ook in Le Lion de Flandre verschenen teksten van zijn hand, vaak onder verschillende schuilnamen.
In de bloemlezing “Zoo schrijven de Fransch-Vlamingen” (1943), uitgegeven door prof. dr. Vital Celen, is een beperkte selectie van zijn werk opgenomen.
Despicht onderhield ook een vriendschap met taalkundige prof. Willem Pee, die hem geregeld opzocht in het Beauvoordebos in Steenvoorde. Daar had Despicht een hut laten bouwen, waar hij dagelijks rust zocht om te schrijven.
Dat gesprekken tussen taalkundigen vaak over taal gaan, blijkt uit deze korte, handgeschreven nota waarmee Despicht Pee de weg wees naar “zijn” bos:
“200 meters verder, gaat de weg over een tweede beke; hier werd de grond met boven geleid: van daar de naam Boomvoorde of Bovoorde, nu Beauvoorde geschreven. Twee kilometers verder lag een ‘marash’, een poel en kreeg de naam Poelvoorde. E, gelijk gij wel weet, is een ‘locativus’. Het Latijn zegt rur-i, dom-i, Rom-ae. De Russen bezitten nog dien naamval.”
Renaat Despicht overleed op 6 maart 1960 in Steenvoorde. Zijn graf werd recent hersteld door de vereniging Euvo. Bij die gelegenheid mocht ik, als een van de laatste nog Nederlandssprekende Frans-Vlamingen, enkele woorden in het Nederlands uitspreken ter ere van deze illustere voorganger.
25.03.2026
Een tijdje geleden ontstond in de Westhoek enige beroering over het feit dat in de streek tussen Giezene (Guînes) en Kales (Calais) nog tot in de 16de eeuw sprake was van tweetaligheid, met zowel Picardisch als een Nederlandse streektaal in gebruik.
Een vaak vergeten getuige in dit debat is de Friese taalkundige Johan Winkler. Aan het einde van de 19de eeuw bezocht hij de regio en deed hij verslag van zijn bevindingen in Oud Nederland (Den Haag, 1888). Daarin schetst hij een levendig beeld van zijn verblijf en verkenning van de streek.
Mijn persoonlijke band met dit werk gaat terug tot de tijd dat ik nog in Frans-Vlaanderen woonde. Toen leende Cyriel Moeyaert mij zijn exemplaar. Pas jaren later kon ik het boek zelf antiquarisch bemachtigen. Het behoort sindsdien tot de meest gekoesterde werken in mijn bibliotheek.
Winkler beschrijft onder meer zijn verblijf in een hotel in Duinkerke, waar het personeel nog het plaatselijke Vlaams sprak. Over de bredere regio noteert hij:
“Nog ten huidigen dage spreken de dorpelingen, de boeren en de arbeiders die in Artesië langs de zeekust wonen, tussen Kales en Bonen, tot aan het rivierke de Canche (Kwinte) en tot kaap Wittenes (Blanc-Nez), hun Oud-Diets, hun Oud-Vlaams, hun oude landseigene goudspraak van het Nederlands.”
Hij verwijst daarbij naar de Nederlandse taalvorser G.P. Roos, die in de streek woonde en hem aanvullende informatie verschafte over wat hij noemt “die hedendaachsche dietsche volkspreektale ter zeekuste van Artesyen.” Als illustratie geeft Roos een fragment uit de volkstaal:
“oe een sjamel kiindeken bikant onder n’n kerre lage, en ’oe ‘eur moeder ’t griipte; ’t kindeke wou een koornauwe van d’n wagen gripen en ’t sloeg umware.”
Volgens Roos werd zelfs na 1885 in sommige dorpen nog lager onderwijs in het Vlaams gegeven, zij het in het geheim. “Dat nog heden de kosters in enkele dorpen den kinderen onderwijs geven in het Vlaamsch (…) thans echter geschiedt dit nog slechts ter sluiks,” noteert hij.
SINT-OMAARS EN OMSTREKEN
Tijdens dezelfde reis bezocht Winkler ook Sint-Omaars en de omliggende dorpen. Hij stelt vast dat in plaatsen als St.-Folquin, Nieuwkerke, Oudkerke (Nouvelle-Église en Vieille-Église), St.-Mariakerke, St.-Omaarskapel, Oye, Offerkerke, Rackinghem en Wardrèque rond 1845 nog vrij algemeen Vlaams werd gesproken, zij het in de stad zelf in beperktere mate.
Opmerkelijk is ook zijn kritiek op Edmond de Coussemaker. In diens werk Délimitation du Flamand (1857) wordt volgens Winkler een belangrijk element over het hoofd gezien:
“het Dietsch, dat in Artesië langs de zeekust gesproken wordt, en dat niet onmiddellijk samenhangt met het Vlaamsch van Fransch-Vlaanderen.”
Dat ‘Dietsch’ lijkt, aldus Winkler, eerder te wortelen in Saksische of Friese – mogelijk breder: Zeegermaanse – taaltradities.
24.03.2026
Enkele dagen geleden vierde men in Dranouter het Borellefeest om de winter te verjagen en de lente te verwelkomen. Het gaat om een aloude traditie die sinds 1976 opnieuw in ere werd hersteld, na een lange onderbreking. De parochieboeken vermelden 1905 als de laatste keer dat dit feest voordien werd gehouden.
Oorspronkelijk stond het bekend als Borale-zondag en vond het plaats op de eerste zondag van de vastentijd. Centraal stond het ontsteken van een vuur op de nabijgelegen Waaienberg. Dit wordt algemeen geïnterpreteerd als een vruchtbaarheidsritueel: vuur en rook moesten de winter en boze geesten verdrijven.
Met de komst van de lente werd dit gevierd met zang, drank en dans rond het vuur, in een sfeer van West-Vlaamse leute en met hoop op voorspoed voor mens, dier en gewassen.
Vandaag verloopt het in Dranouter opnieuw zoals sinds mensenheugenis. De Borelleman kondigt het begin van de Borelleoptocht aan. De deelnemers verzamelen aan de boom op het dorpsplein, vanwaar ze richting Waaienberg trekken. Nadat de Belleman de aanwezigen het Borellelied heeft aangeleerd, kan de optocht van start gaan.
Bij elke halte wordt een stropop in brand gestoken. Een bundel stro, de zogeheten ‘bralle’ – waarvan wordt aangenomen dat de naam Borelle ervan is afgeleid – wordt op een pers of stok geplaatst. De apotheose volgt op de Waaienberg, waar symbolisch de winter wordt verbrand onder het geroep: “Borelle! Borelle! Steekt het vier in d’helle!” Terwijl de vlammen oplaaien en het hout knettert, vult de geur van rook de avondlucht en lichten fakkels het donker op.
Men mag aannemen dat het verbranden van de winter en het dansen met fakkels rond bomen vroeger een wijdverspreide traditie was in de Westhoek en in onze gewesten. Gelijkaardige gebruiken komen ook elders in Europa voor, waar vuurfeesten het einde van de winter en de heropleving van de natuur markeren.
Ook elders leeft een gelijkaardig gebruik voort. In Bouge, bij Namen, wordt nog steeds een enorm vuur aangestoken om de winter te verdrijven en de lente te verwelkomen. Deze traditie zou teruggaan tot het jaar 950. Ook daar dansen de aanwezigen de hele avond rond het vuur. De manier waarop de staak op de top van de brandstapel valt, zou volgens de overlevering een betekenis hebben voor de komende huwelijken, geboorten en overlijdens in het volgende jaar. Niet deelnemen aan het grote vuur of geen brandhout meebrengen, zou zelfs ongeluk – zoals brand – kunnen brengen.
De organisatie is in handen van de “Confrérie Royale du Grand Feu”. De jaarlijkse ‘dimanche des brandons’ vindt plaats op de eerste zondag van de vastentijd. Dit jaar viel die op 22 februari.
Een klein, persoonlijk detail tot slot: in Kaaster, het dorp van mijn jeugd, werd mijn familienaam door oudere inwoners die het Vlaams van de streek als moedertaal hadden, uitgesproken als “Borelle”. Ik heb die naam daarom nog als schuilnaam gebruikt bij het signeren van – inmiddels vergeten en verloren – teksten.
24.03.2026
Op 23 maart 1568 verbannen de autoriteiten in Gorgue (La Gorgue), vandaag een Frans-Vlaamse gemeente aan de Leie, 35 burgers en confisqueren zij hun goederen. Onder hen bevinden zich vooraanstaande calvinisten zoals predikant Antoine l’Escallier, Jaak Saye, Karel Vermeille en griffier Jacques le Roy, die eerder zo’n 500 calvinisten uit de regio Belle had samengebracht.
Een week later worden in het naburige Stegers (Estaires) 44 mensen veroordeeld, onder wie Antoine Reubly, Jaak Becue en Philippe d’Houplines. Op 13 april volgen in Armentiers (Armentières) maar liefst 76 veroordelingen. Enkele namen die daar opduiken zijn Gilles Du Mont, Jacques Brouck, Jean de le Haye en Gille le Maire.
Deze familienamen zijn niet toevallig vermeld. Tal van deze families vluchten naar Engeland, de Nederlanden en de Duitse gebieden, waar de Reformatie gunstiger onthaald wordt. In latere generaties trekken hun nazaten verder de wereld in, onder meer aan boord van schepen van de VOC, richting de Nieuwe Wereld, Zuid-Afrika, Indië en Amerika. Onder de vroegste pioniers die zich langs de Hudsonrivier in Nieuw-Amsterdam — het latere New York — vestigen, treffen we verschillende van deze namen.
Tijdens de godsdiensttroebelen van de 16e en 17e eeuw zoeken vele calvinisten elders een veilige haven om hun geloof vrij te kunnen belijden. Het Leiedal en het Land van het Vrijleen vormen daarbij een belangrijk bolwerk van het opkomende calvinisme. De eerste calvinisten worden er geconfronteerd met zware vervolging en onderdrukking door de autoriteiten. Velen zien zich dan ook genoodzaakt hun geluk te beproeven in andere Europese landen waar hun geloof wordt toegelaten of getolereerd.
Ook de Nieuwe Wereld lonkt. Volgens de leiding van de VOC mocht die in principe enkel worden bewoond door belijders van het ‘nieuwe geloof’. De reis was gevaarlijk en vol ontberingen, maar gedreven door hun overtuiging en de hoop op een beter bestaan wagen velen de oversteek.
Miljoenen Amerikanen, Zuid-Afrikanen en anderen zijn vandaag rechtstreeks of onrechtstreeks afstammelingen van deze migranten en dragen dus een Zuid-Nederlandse erfenis. Wie wortels heeft in het huidige Frans-Vlaanderen, gaat er vaak vanuit Franse voorouders te hebben. In werkelijkheid waren deze mensen Zuid-Nederlanders — en nog geen Fransen.
23.03.2026