WIDOPEDIA
Een blog over Frans-Vlaanderen, de Nederlanden en Europa
Wido Bourel

Meest recente berichten
Archieven
Kernwoorden

Archieven voor week 11, 2026

Verzet in het Ruhrgebied: het geval Schlageter

Op 15 maart 1923 wordt onder leiding van Albert Leo Schlageter een spoorwegbrug tot ontploffing gebracht in Kalkum, in het Ruhrgebied. Deze en andere aanslagen passen in het verzet tegen de Frans-Belgische militaire bezetting van het Ruhrgebied na de Eerste Wereldoorlog. Sabotage van de spoorweginfrastructuur moet beletten dat de Fransen steenkolen en andere grondstoffen in beslag nemen en naar Frankrijk vervoeren.

Nog geen maand later wordt Schlageter aangehouden. De Fransen laten er geen gras over groeien: in mei wordt hij ter dood veroordeeld en op 26 mei op de Golzheimer Heide bij Düsseldorf door een vuurpeloton geëxecuteerd.

Schlageter werd in 1894 geboren in een katholiek gezin in het Zwarte Woud en was aanvankelijk voorbestemd voor het priesterschap. Zijn gezondheid, maar ook het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, beslisten daar anders over. Hij meldde zich als vrijwilliger en werd ingezet in Vlaanderen en Frans-Vlaanderen, bij Verdun en aan de Somme. Dat hij een moedige soldaat was, blijkt uit zijn stamboek: hij raakte tweemaal gewond, ontving het IJzeren Kruis tweede en eerste klasse en beëindigde de oorlog als officier.

Zijn ervaringen aan het front en als officier maakten van hem een geschikte man voor militaire actie. In 1919 duikt hij op als lid van een Freikorps-eenheid die samen met de Baltische Landeswehr tegen de bolsjewieken vecht in het Balticum, onder meer bij de verovering van Riga. Later neemt hij actief deel aan het verzet tegen de Frans-Belgische militaire bezetting van het Ruhrgebied.

Vrij snel na zijn terechtstelling krijgt Schlageter in Duitsland een heldenstatus. Zijn naam – en ook die van anderen – wordt pas later gerecupereerd en gebruikt door de propagandamachine van het nationaalsocialisme, dat hem tot “martelaar” verheft van een regime dat hij zelf nooit heeft gekend, onder meer via het toneelstuk Schlageter van Joseph Goebbels.

Gepubliceerd

15.03.2026

Kernwoorden
Reacties

Het Nederlands in Frankrijk: nooit van gehoord?

Het bevorderen van de kennis van het Nederlands in Frans-Vlaanderen is zonder twijfel een belangrijk element van de grensoverschrijdende samenwerking. De huidige mogelijkheden om Nederlands te leren binnen het Franse onderwijs blijven echter zeer beperkt.

In de voorbije decennia zijn er wel initiatieven geweest om daar verandering in te brengen. Vooral privé-initiatieven uit het verenigingsleven – ik denk bijvoorbeeld aan het Komitee voor Frans-Vlaanderen – hebben gedaan wat ze konden, en vaak zelfs meer dan dat. De officiële instanties in Vlaanderen en Nederland daarentegen – en ook de instellingen die belast zijn met het taalbeleid – hebben vooral hun desinteresse getoond. Even duidelijk was hun kruiperigheid om bij een Europese partner – en dan nog een met een grote mond – op tafel te kloppen.

Frans-Vlamingen betalen hun belastingen aan Parijs. In die zin zou het logisch zijn dat ook het Franse onderwijs meer mogelijkheden biedt voor degelijk onderwijs in het Nederlands. Maar de politieke traditie van de Franse staat is hardnekkig en ziekelijk centralistisch. De jakobijnse reflex blijft aanwezig op alle niveaus van het bestuur en binnen bijna alle partijen. Daardoor wordt regionale taalpolitiek bij voorkeur gereduceerd tot folklore of voorgesteld als een bedreiging voor de eenheid van het land.

De discussie over de erkenning van het Nederlands naast het Frans-Vlaams als regionale taal past in die bredere context. Er wordt al jaren gepleit om het Nederlands samen met het Vlaams erkend te krijgen als regionale taal. Dat zou kunnen naar het voorbeeld van het Duits in de Elzas, dat – na veel moeite – samen met de lokale streektalen werd erkend. In Frans-Vlaanderen heeft men echter bewust enkel het Frans-Vlaams erkend, zonder het Nederlands als referentietaal te vermelden.

Nochtans is het Nederlands historisch gezien de schrijftaal van het gesproken Frans-Vlaams. In die zin kan men gerust stellen dat het Nederlands zelf ook een regionale taal van Frankrijk is, of men dat nu wil of niet. Verenigingen zoals het ANVT, die vandaag feitelijk belast zijn met het beheer van het regionale taalbeleid, lijken er echter vooral op toe te zien dat een standaardtaal zoals het Nederlands in Frankrijk geen echte plaats krijgt.

Toch betekent dit niet dat de situatie op termijn niet kan veranderen. Indien voldoende Frans-Vlamingen het hierover eens zouden zijn, zou men wel degelijk kunnen eisen dat het Nederlands als referentietaal wordt erkend. Wat in andere regio’s van Frankrijk mogelijk is gebleken, zou in principe ook hier mogelijk moeten zijn. Als alle burgers gelijk zijn voor de wet, bestaat er juridisch weinig grond om dat blijvend te weigeren. Maar zolang er geen duidelijke en gezamenlijke vraag vanuit de bevolking zelf komt, zal er uiteraard niets veranderen.

Een bijkomend element is dat de archieven van Frans-Vlaanderen duizenden documenten bevatten die aantonen dat het Nederlands eeuwenlang de geschreven taal van de streek was. Die historische realiteit wordt in de huidige institutionele benadering nauwelijks erkend. Sommige interpretaties beschouwen dergelijke teksten eenvoudigweg als ‘onleesbaar’ of als “Oud-Vlaams” en niet als “Oud-Nederlands”. Dit illustreert opnieuw de onkunde ter zake en ook hoe men het verband met de standaardtaal systematisch verzwijgt.

In dat kader werd soms voorgesteld om te spreken over een vorm van “Vlaams-Nederlands” als regionale taal. Dat is uiteraard een legislatieve finesse. Maar er is eigenlijk geen reden om de terminologie voortdurend aan te passen aan het Franse discours of om te doen alsof het Nederlands geen eenheidstaal is – pour les besoins de la cause.

Het Nederlands heeft eigenlijk geen bijkomend adjectief nodig. Begrippen zoals “Vlaams-Nederlands” of “Belgisch Nederlands”, om in Frans-Vlaanderen de taal van de buren te duiden, kunnen zelfs verkeerd begrepen worden en de indruk wekken dat het om verschillende talen gaat. Toch bestaan er in de praktijk al tal van omschrijvingen – zoals “taal van de buren” of “taal van regionaal belang” – die juridisch misschien niet gedefinieerd zijn, maar voor de inwoners van Frans-Vlaanderen wel degelijk een duidelijke betekenis hebben. Kortom: wij hebben nood aan klare taal. En die heet: Nederlands.

Met het Frans-Vlaams zitten we in feite vast, al willen de betrokkenen dat niet toegeven: er bestaan geen leerboeken, geen leraren met de nodige kwalificaties en nauwelijks didactisch materiaal. Dat probleem wordt pas opgelost als het lukt om een vorm van erkenning te verkrijgen voor het Nederlands als regionale taal. En dat zou belangrijke gevolgen kunnen hebben voor het onderwijs. Kinderen zouden dan een ruimer aanbod aan lessen Nederlands kunnen krijgen binnen het officiële Franse onderwijssysteem.

De Franse overheid hanteert hiervoor zogezegd een aantal criteria: de historische aanwezigheid van de taal, bestaande onderwijsprogramma’s, beschikbare leerkrachten, pedagogische middelen, het geografische verspreidingsgebied en het aantal potentiële leerlingen. Wanneer men deze criteria bekijkt, kan men zich afvragen in hoeverre de erkenning van het Frans-Vlaams daar werkelijk aan beantwoordt. En wat te denken van een wetgever die zijn eigen voorwaarden niet altijd consequent toepast?

Het zou nuttig zijn om concreet aan te tonen hoeveel lesuren leerlingen zouden kunnen krijgen indien er een volwaardige erkenning van het Nederlands kwam, en dat te vergelijken met de huidige situatie. Dergelijke berekeningen kunnen het debat aanzienlijk verduidelijken.

Daarnaast wordt er gesproken over mogelijke samenwerking tussen instellingen die regionale talen in Noord-Frankrijk ondersteunen en organisaties uit het Nederlandse taalgebied. Zulke samenwerking zou in principe de kansen kunnen vergroten om het aanbod van Nederlandse lessen binnen het Franse onderwijs uit te breiden. Of dat daadwerkelijk resultaat zal opleveren, moet echter nog blijken. De ervaring leert dat steun uit Vlaanderen en Nederland in het verleden vaak beperkter was dan men had gehoopt.

Tot slot is er nog een  bestaand, bijkomende piste die aandacht verdient. Naast de strijd voor meer plaats voor het Nederlands binnen het Franse onderwijs, zou men ook kunnen proberen  nog meer leerlingen uit de grensstreek aan te trekken naar scholen in West-Vlaanderen. Vanuit pedagogisch oogpunt is dat wellicht de meest doeltreffende oplossing: wie daadwerkelijk in een Nederlandstalige schoolomgeving leert en leeft, heeft de beste garantie om de taal echt te verwerven en te gebruiken.

Hoe lang zal Frankrijk nog de leuze “Het Nederlands: nooit van gehoord” blijven toepassen? En hoe lang zullen Vlaanderen en Nederland dat blijven accepteren?

Gepubliceerd

14.03.2026

Kernwoorden
Reacties

De slag bij Oosterweel

Op 13 maart 1567 verslaan Spaanse regeringstroepen een geuzenleger bij Oosterweel, een polderdorp ten noordwesten van Antwerpen. De opstandelingen staan onder leiding van Jan van Marnix, heer van Toulouse en broer van Filips van Marnix van Sint-Aldegonde. Hij sneuvelt tijdens de gevechten.

Het geuzenleger telde ongeveer 2.000–2.500 man en bestond uit vrij ongeorganiseerde calvinistische vrijwilligers uit Antwerpen, Vlaanderen, Brabant en Henegouwen. Ze worden aangevallen door 3.000–3.500 beter getrainde, professionele regeringstroepen. De strijd eindigt in een zware nederlaag voor de geuzen, met naar schatting 700 tot 800 doden of geëxecuteerden. De troepen hoopten uiteindelijk door te trekken naar de Henegouwse stad Valencijn, waar protestanten zich tegen de Spaanse overheid verzetten.

Vanuit Antwerpen kijken veel inwoners machteloos toe hoe het geuzenleger wordt vernietigd.

Volgens een kroniekschrijver bidt een katholieke prediker twee dagen later in het openbaar dat alle geuzen mogen worden vernietigd, “zoals die bij Oosterweel bij Antwerpen zijn doodgeslagen of verbrand”.

De slag bij Oosterweel wordt vaak beschouwd als een van de eerste gewapende confrontaties van de Opstand die zal uitgroeien tot de Tachtigjarige Oorlog, afgesloten met de Vrede van Münster in 1648.

Gepubliceerd

13.03.2026

Reacties

Michel Seuphor: ‘ik ben altijd flamingant gebleven’

Op 12 februari 1999 overlijdt in Parijs de Vlaamse kunstenaar en schrijver Michel Seuphor. Hij werd op 20 maart 1901 in Borgerhout geboren als Ferdinand Berckelaers.

Tijdens zijn Antwerpse jaren richtte hij het tijdschrift Het Overzicht op, waarin hij uitdrukking gaf aan zijn strijdend Vlaams-nationalisme. In 1920 raakte hij aan het hoofd gewond door de sabel van een rijkswachter tijdens de Guldensporenviering van 1920, waarbij de jonge activist Herman Van den Reeck werd neergestoken en een dag later aan zijn verwondingen overleed.

Kort daarna verliet Seuphor Antwerpen voor Parijs, waar hij zich definitief vestigde. Zijn kunstenaarsnaam — een anagram van Orpheus — zou hij internationaal bekend maken.

In 1929 richtte hij samen met de Uruguayaanse kunstenaar Joaquín Torres-García de groep en het tijdschrift Cercle et Carré op, een belangrijk forum voor de internationale avant-garde van de abstracte kunst. Seuphor groeide uit tot een gezaghebbend kenner van die stroming. Zijn boek Histoire de l’art abstrait (1956) werd een standaardwerk over de ontwikkeling van de abstracte kunst. Naast schrijver en kunsthistoricus ontwikkelde hij ook een eigen oeuvre van sobere, lineaire abstracte tekeningen.

Seuphor stond bekend als een uitzonderlijk erudiet man: hij kende Sanskriet en correspondeerde met geleerden wereldwijd in het Latijn, Grieks en Hebreeuws — talen die hij verkoos boven het Engels.

Als bewonderaar van Guido Gezelle vertaalde hij diens poëzie in het Frans (1943), hoewel hij tegelijk stelde dat Gezelle eigenlijk onvertaalbaar was. Zelfs op hoge leeftijd, na meer dan een halve eeuw in Parijs, kon Seuphor nog Gezelle-gedichten uit het hoofd in het Nederlands declameren.

Hij was jarenlang bevriend met de Nederlandse schilder Piet Mondriaan. Hun vriendschap beschreef hij in Les évasions d’Olivier Trickmansholm, een roman met duidelijke autobiografische trekken.

Seuphor verwierp nooit zijn Vlaamse wortels. Hij zei ooit:

“Ik heb Antwerpen geruild voor Parijs. Maar Parijs heeft in mij nooit Gezelle gedoofd, noch Vondel, noch Paul van Ostaijen.”

En ook:

“Je suis toujours resté flamingant.” (“Ik ben altijd flamingant gebleven.”)

Gepubliceerd

12.03.2026

Kernwoorden
Reacties

Jan-Frans Willems: “Laat u door noodlottige tyden en Franschkweelende landgenooten niet afschikken.”

Op 11 maart 1793 wordt in Boechout Jan-Frans Willems geboren, vrijzinnige en Heel-Nederlandse denker die later bekend zal worden als de “Vader van de Vlaamse Beweging.”

Zijn vader, ontvanger van belastingen, wordt in 1807 door de Franse bezetter uit zijn ambt ontzet omdat hij geen Frans kent. De jonge Jan-Frans, nog geen vijftien jaar oud, schrijft uit protest het satirische “Hekeldicht op den Maire en Municipaliteit van Bouchout.”

Via de bekende Lierse familie Bergmann komt hij in een intellectuele omgeving terecht. Jeugdvriend Georges Bergmann geeft hem huisonderwijs. Willems leert er Nederlands, Frans en Duits en krijgt er de ideeën mee die zijn leven zullen bepalen: de Herderiaanse vrijheidsidealen, het streven naar de eenheid van de Nederlanden, liefde voor de moedertaal en religieuze verdraagzaamheid.

In 1814 schrijft hij de “Ode op de herstelling der Nederduytsche tael.” Na de hereniging van de Nederlanden volgt in 1818 zijn beroemde gedicht “Aen de Belgen – Aux Belges.” Het is een reactie op de bestrijding van het Nederlands door het blad L’Observateur Belge. Het maakt hem bekend in het hele Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, maar na de Belgische Revolutie wordt hij  door de nieuwe Belgische staat als een controversiële figuur gezien.

Rond Willems vormt zich een kleine kring jongeren “Tot nut der jeugd.” Namen als Jan-Baptist David, Prudens van Duyse, Karel Ledeganck en Maria Doolaeghe behoren tot die eerste generatie van de Vlaamse beweging.

Zijn droom van een herenigd Nederland moet hij uiteindelijk achter zich laten. Maar als filoloog en archivaris wordt Willems een pionier van de studie van de Middelnederlandse literatuur. In 1836 publiceert hij een baanbrekende editie van het middeleeuwse dierenepos Van den vos Reynaerde, waarmee hij de belangstelling voor de oude Nederlandse literatuur nieuw leven inblaast.

Hij blijft ook organisatorisch actief. Hij organiseert het Taalcongres (1841) en richt het Taalverbond (1844) op. In zijn netwerk verschijnen jongeren die later grote namen worden in de Vlaamse beweging: Philippe Blommaert, Ferdinand Augustijn Snellaert, Hendrik Conscience, Jan-Baptist de Laet en Jan Carel van Rijswijck.

Via Snellaert en Van Duyse zal de invloed van Willems zelfs tot in Frans-Vlaanderen reiken, met contacten met onder meer Edmond de Coussemaker maar vooral, met de Heel-Nederlandse denker Lodewijk de Baecker.

Jan-Frans Willems overlijdt veel te vroeg in Gent op 24 juni 1846, geveld door een beroerte. Hij wordt slechts 53 jaar. Vijf jaar later zal zijn naam voortleven in het liberale cultuurgenootschap Willemsfonds (1851), opgericht om zijn idealen van taal, cultuur en volksontwikkeling verder te dragen.

Of het Willemsfonds van vandaag nog de idealen van zijn stamvader eer aandoet, laat ik hier buiten beschouwing. Alhoewel: de vraag stellen is soms ook de vraag beantwoorden.

Gepubliceerd

11.03.2026

Kernwoorden
Reacties

De slag bij Neuve Chapelle: een  tactisch succes maar een strategische mislukking

Op 10 maart 1915, tijdens de Eerste Wereldoorlog, lanceren Britse troepen hun eerste grote offensief aan het Westfront bij het dorp Neuve-Chapelle in Frans-Vlaanderen (tussen de steden Armentières en La Bassée), ten zuiden van de Ieperboog. Het doel van de Britse bevelhebber Douglas Haig is ambitieus: een doorbraak forceren in de Duitse linies en oprukken richting de hoger gelegen Aubers Ridge, om zo de weg naar de belangrijke stad Rijsel te bedreigen.

De aanval is het resultaat van een zeer zorgvuldige voorbereiding met nieuwe methodes: concentratie van het artillerievuur op één punt en daarna op een volgend doelwit, alles met chronometerprecisie. Er wordt ook voor het eerst op grote schaal gebruikgemaakt van gedetailleerde kaarten waarop de te veroveren objectieven zijn aangeduid.

De aanval begint met een korte maar bijzonder hevige artilleriebeschieting. In amper 35 minuten vuren 530 Britse kanonnen een enorme hoeveelheid granaten af op de Duitse stellingen. Verslagen maken later melding van gemiddeld 400 schoten per kanon, goed voor meer dan 216.000 granaten in totaal. Daarna stormen Britse en vooral Indiase troepen vooruit. Het verrassingseffect werkt: het dorp Neuve-Chapelle wordt al na enkele uren ingenomen en de Britten boeken een terreinwinst van ongeveer twee vierkante kilometer.

Onder de aanvallers bevinden zich ook eenheden van het Brits-Indische leger. Soldaten van de Garhwal Rifles vechten zich met bajonet en handgranaten door de Duitse loopgraven, vaak in man-tegen-mangevechten. Hun aanval draagt bij tot de snelle inname van het dorp, maar ook zij betalen daarvoor een zware prijs.

Het succes blijkt echter van korte duur. Slechte communicatie, een tekort aan munitie en snelle Duitse versterkingen maken het onmogelijk om de doorbraak uit te buiten. Bovendien worden tijdens de aanval veel telefoonlijnen door het artillerievuur vernield, waardoor bevelen en informatie het front vaak niet meer bereiken. Dat leidt tot verwarring en vertraagt de Britse opmars op een cruciaal moment.

De slag duurt uiteindelijk tot 13 maart en kost meer dan 13.000 Britse slachtoffers, waaronder meer dan 5.000 Indiase soldaten. Het kleine stukje veroverde terrein staat in schril contrast met het enorme menselijke verlies.

Neuve-Chapelle wordt zo een vroeg voorbeeld van het beulenwerk van de loopgravenoorlog: frontale aanvallen die soms lokaal succes opleveren, maar strategisch weinig veranderen en duizenden levens kosten.

In het nabije Richebourg, op ongeveer 20 km ten zuidwesten van Rijsel, eert een monument de 4.847 Indiase soldaten die hun leven lieten in Frankrijk en die geen gekend graf kregen. Het monument werd in 1927 ingehuldigd en is één van de belangrijkste gedenkplaatsen voor Indiase soldaten die aan het Westfront vochten.

Gepubliceerd

10.03.2026

Kernwoorden
Reacties

Marie Gevers: “het land, het water, en de wind waren de ware heersers van dit land.”

Op 9 maart 1975 overleed op het familiedomein Mussenborg in Edegem bij Antwerpen de Vlaamse maar Franstalige schrijfster Marie Gevers. Ze werd geboren op 30 december 1883 en werd 91 jaar.

Marie Gevers was bevriend met Emile Verhaeren en Max Elskamp, die haar aanmoedigden om te schrijven. Afkomstig uit een Vlaamse patriciërsfamilie schreef ze een elegant Frans dat volgens de Franse schrijver Octave Mirbeau “toch zo Vlaams klonk”.

Ze maakte naam met romans die het leven op het Vlaamse platteland en de verbondenheid met de natuur beschrijven. Bekende titels zijn onder meer La Comtesse des Digues (1931), in het Nederlands vertaald als De dijkgravin, en Madame Orpha ou la sérénade de mai (1933), vertaald als Madame Orpha. Ook Vie et mort d’un étang (1923) verscheen in het Nederlands als Leven en dood van een vijver.

DE DIJKGRAVIN

Haar roman La Comtesse des Digues (1931) betekende haar doorbraak in Frankrijk. Het boek vertelt het verhaal van Suzanne, een vrouw die in het Vlaamse polderlandschap langs de Schelde leeft en een sterke band heeft met de natuur. Ze wordt de “dijkgravin” genoemd omdat ze het land, de dijken en de seizoenen beter begrijpt dan de mensen om haar heen. Het verhaal toont een diepe verbondenheid met de natuur, het water en het ritme van het platteland.

Het personage uit deze roman werd in 1993 vereeuwigd met een standbeeld van beeldhouwster Mariette Coppens. Dit standbeeld staat langs de Scheldedijk in Hingene (gemeente Bornem), in het gebied waar het verhaal zich deels afspeelt en waar de rivier de Schelde een centrale rol speelt.

De Franse dichter en criticus Charles Vildrac schreef over Marie Gevers:

“Van alle Vlaamse dichters is zij degene die in de hoogste mate het gevoel voor de natuur en de liefde voor het land bezit.”

Gepubliceerd

09.03.2026

Kernwoorden
Reacties