WIDOPEDIA
Een blog over Frans-Vlaanderen, de Nederlanden en Europa
Wido Bourel

Meest recente berichten
Archieven
Kernwoorden

Archieven voor week 7, 2026

De kracht van kleine landen

Op 15 februari 1991 richtten Hongarije, Polen en Tsjechoslowakije de Visegrádgroep op: een politiek en economisch samenwerkingsverband. De naam verwijst naar een historische bijeenkomst van de koningen van Bohemen, Hongarije en Polen in de Hongaarse stad Visegrád in 1335. Oude geschiedenis, maar verrassend actueel.

De Benelux — vandaag opnieuw in de belangstelling na de recente zet van onze premier (of was het van zijn kat Maximus?) — blijft hét voorbeeld van hoe kleine landen door samenwerking meer gewicht krijgen. Ook de vijf Scandinavische landen tonen al decennialang via de Noordse Raad dat structurele samenwerking loont. En de Baltische staten, verenigd in de Baltische Assemblee (eveneens opgericht in 1991), bewijzen dat kleine landen samen sterker staan tegenover grootmachten die vaak uitsluitend hun eigen belangen nastreven.

Economisch functioneren deze verbanden al langer. Militair groeit hun belang snel. Wie dubbel werk, inefficiëntie en onrealistische defensiebudgetten wil vermijden, zal moeten inzetten op regionale samenwerking. De Scandinavische landen kunnen alleen maar sterker worden door de militaire ervaring van Finland tegenover Rusland te combineren met hun gezamenlijke rol als maritieme staten in de bewaking van de Noordzee en de Oostzee. En laten we in dat verband vooral ook Groenland niet vergeten.

Binnen de Visegrádgroep is Polen uitgegroeid tot een militaire en economische spil. Voor de Baltische staten is de leuze eendracht maakt macht geen slogan, maar een noodzaak — met Rusland klaar voor de aanval. De Benelux fungeerde ooit als een mini-laboratorium voor de Europese Gemeenschap en kan die rol opnieuw opnemen om een nieuwe dynamiek voor Europa te helpen ontwerpen.

Wat duidelijk niet werkt, is de combinatie van regelsziekte, bemoeizucht en neoliberaal mercantilisme, gekoppeld aan de eindeloze arrogantie en bestuurlijke onmacht van de Frans-Duitse as — die al meer dan duizend jaar ruziet over de nalatenschap van Karel de Grote en over wie nu weer de chef mag spelen. Dat is geen duurzame basis voor een werkbaar Europa. De feiten hebben dit model ingehaald.

De kleine landen tonen wat wél werkt: samenwerking die vertrekt van een gedeelde geschiedenis en culturele verbondenheid — niet van de prijs van kolen en tomaten.

Dat inzicht werd al scherp geformuleerd door Raymond Aron (1905–1983), Frans politiek filosoof en denker over internationale betrekkingen. In zijn standaardwerk Paix et guerre entre les nations (1962) schrijft hij:

“Het internationale systeem bestaat niet uitsluitend uit grootmachten;
ook middelgrote en kleine staten zijn actoren binnen dit systeem,
zij het met beperkte middelen en een beperktere invloed.”

Benieuwd wat Maximus ervan maakt.

Gepubliceerd

15.02.2026

Kernwoorden
Reacties
Jan Achten
23.02.2026 - 15:53

Neoliberaal mercantilisme: wat is dat? Het lijkt een slechte Belgenmop.

Antwoord

Een huis van het Vlaamse Volk (Maison du Peuple Flamand)

In Vlaanderen beschikten de meeste gemeenten al vroeg over een Vlaams Huis.
Een ‘Huis van het Vlaamse Volk’ daarentegen vond men enkel in het Rijselse. Meer bepaald in Wazemmes, waar het sociaal huis Maison du Peuple Flamand gevestigd was (zie foto).

Het ontstaan van dit huis moet worden gesitueerd in de tweede helft van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, een periode waarin Roubaix uitgroeide tot een van de belangrijkste textielcentra van Europa. Die snelle industrialisering ging gepaard met een massale toestroom van arbeidskrachten, onder wie duizenden Vlaamse migranten uit West- en Oost-Vlaanderen die om den brode de grens overstaken.

Het Maison du Peuple Flamand fungeerde als café én als ontmoetings- en steunpunt voor deze Vlaamse gemeenschap. Het bood sociale dienstverlening aan arbeiders en hun gezinnen, die vaak geconfronteerd werden met armoede, onzekere arbeidsomstandigheden en taalproblemen. In het huis werd niet alleen Frans gesproken, maar ook Vlaams en Nederlands, waardoor het een zeldzame plek was waar men in de moedertaal terechtkon.

De Vlaamse migranten in het Rijselse stonden bovendien niet los van georganiseerde netwerken. Zij werden langdurig opgevolgd en ondersteund door uiteenlopende sociale organisaties, zowel lokaal als vanuit Vlaanderen. Die betrokkenheid nam verschillende vormen aan en weerspiegelde de ideologische diversiteit binnen de gemeenschap.

Naast socialistische initiatieven, die aansloten bij de bredere traditie van Maisons du Peuple in industriële steden, was ook de christelijke arbeidersbeweging nadrukkelijk aanwezig. Katholieke verenigingen, parochiale structuren en christelijke mutualiteiten speelden een belangrijke rol in de opvang en begeleiding van Vlaamse arbeiders en hun gezinnen. Socialistische en christelijke organisaties bestonden vaak naast elkaar en richtten zich op dezelfde doelgroep, zij het vanuit een verschillend ideologisch perspectief.

Deze Vlaamse arbeiders en hun afstammelingen hebben een blijvende stempel gedrukt op het sociale en politieke leven van de regio rond Rijsel. Tot op vandaag verklaren zij mee de vele Vlaamse familienamen in de stad. Het Maison du Peuple Flamand blijft zo een veelzeggende herinnering aan de Vlaamse migratiegeschiedenis en aan de rol die Vlaamse arbeiders speelden in de ontwikkeling van de arbeidersbeweging in Frans-Vlaanderen.

Gepubliceerd

14.02.2026

Kernwoorden
Reacties

Georges Simenon bedacht Maigret in Nederland

Op 13 februari 1903 werd in Luik de romanschrijver Georges Simenon geboren, de geestelijke vader van commissaris Jules Maigret. Officieel gaven zijn ouders als geboortedatum 12 februari op, omdat vrijdag de 13 volgens het bijgeloof ongeluk bracht.

MAIGRET, SIMENON EN NEDERLAND

Hoewel Simenon Franstalig schrijver was, had hij een bijzondere band met Nederland. Dat zat zo.
In 1929, tijdens een tocht over de Europese waterwegen met zijn boot Ostrogoth, moest hij onverwacht de haven van Delfzijl aandoen. Een lek aan zijn kotter dwong hem tot dit oponthoud. De herstelling duurde langer dan verwacht en gaf Simenon de tijd om door het havenstadje te dwalen.

Daar, in Delfzijl, bedacht hij het personage Jules Maigret als Parijse politiecommissaris en schreef hij in korte tijd enkele detectiveromans. Uiteindelijk zouden nog 75 romans en 28 korte verhalen met Maigret als hoofdpersonage volgen.
Simenon had duidelijk waardering voor Nederland, dat hij in zijn werk typeerde als ordelijk, ingetogen en menselijk — een decor waarin stilte en karakter belangrijker zijn dan uiterlijk vertoon.

In september 1966 keerde Georges Simenon terug naar Delfzijl om het standbeeld van commissaris Maigret te onthullen. Het beeld, een werk van Pieter d’Hont, werd door uitgeverij Bruna aan de stad geschonken. Toen ik begin jaren zeventig in Groningen verbleef, maakte ik al fietsend een uitstap naar Delfzijl om Maigret persoonlijk te groeten.

EEN MOORD IN DELFZIJL

Het boek Un crime en Hollande (in het Nederlands: Misdaad in Holland) speelt zich af tegen een uitgesproken Delfzijls decor: lage huizen die aan speelgoed doen denken, het treinstation waar Maigret vanuit Parijs aankomt, en Hotel Noordooster, waar hij verblijft – in werkelijkheid Hotel Boven Groningen.

Simenon liet zijn beroemde commissaris naar het Groningse havenstadje afreizen om er een duistere moordzaak op te lossen. Hij beschreef Delfzijl als:

“een kleine stad met hooguit tien tot vijftien straten, met fraaie rode klinkers die zo recht waren gelegd als tegels in een keuken.”

Simenon maakte vaker gebruik van zijn kennis van Nederland. In Maigret in Holland beschreef hij een café met een doordringende jeneverlucht in Delfzijl. In De moordenaar vlucht de dader naar de Elfstedenstad Sneek. En in De man die de trein voorbij zag gaan ontvlucht een Groningse zakenman zijn verleden via Amsterdam naar Parijs.

Georges Simenon overleed op 4 september 1989 in Lausanne.

Gepubliceerd

13.02.2026

Kernwoorden
Reacties

Over de streektaal: Over het halfvolle en het halflege glas

(en français ci-dessous)

Het valt zwaar toe te geven – al hebben de Frans-Vlamingen er 350 jaar tegen gevochten – maar de Franse jakobijnen hebben hun natte droom waargemaakt. De Frans-Belgische staatsgrens valt samen met de taalgrens. Efficiënt. Onverbiddelijk. Maar Frankrijk moet daarom nog niet rekenen op een warm applaus.

De paar duizend bejaarde Frans-Vlamingen die het Vlaamsch nog als moedertaal spreken, zullen daar niets meer aan veranderen. Al blijft het uiteraard een uitstekend initiatief om maximaal alles op te nemen voor het te laat is; mijn vader, zaliger overleden in 1995, zei het ooit in alle sereniteit: binnenkort spreken alleen de doden op het kerkhof nog Vlaamsch met elkaar.

Ik herinner me nog wat mijn pasklaar antwoord was wanneer mijn vader dat zei: ons West-Vlaams gaat niet verdwijnen, want het zal nog worden gesproken… In West-Vlaanderen. Als ik het Vlaamsch van Kaaster wil horen en spreken, zal ik dan maar in Abele of in Westouter gaan luisteren. De mensen van Steenvoorde, Houtkerke en Winnezele kunnen naar Watou gaan, en de mensen van Hondschote naar Leisele, Lo of Veurne. Wie het echt wil leren, kan regelmatig een babbel over de schreve slaan. Ik ben het levend bewijs dat het werkt.

Wat de verfranste toestand zeker niet zal keren, is de uitvinding van het gesubsidieerd Haut-de-France-volapük dat Flamand occidental is gedoopt. Een verarmde taalconstructie van en voor zelfverklaarde academici die zelfs onze ouders niet zouden herkennen. Heilig zijn de armen van geest die niet willen toegeven dat ze de geschreven vorm van het Nederlands uit vervlogen eeuwen recycleren. Een kleinzielige benadering. Met grote ernst. En nog grotere subsidies.

Meer dan minder

Toch blijven ze ons het verhaal van het halfvolle tegenover het halflege glas serveren. In ware Trump-stijl schrijven ze over ‘meer’, terwijl iedereen weet dat het ‘minder’ is. Over ‘meer mensen dan men denkt die de taal nog spreken’. Meer dan minder, inderdaad. Maar is dat veel? Hoeveel? En wie is die vage, ongrijpbare ‘men’?

Ik lees ook hoe ‘goed’ die weinigen nog spreken. En als het niet klinkt zoals het hoort, dan ligt dat vanzelfsprekend aan de anderen: aan de straffen en de repressie van vroeger. Altijd een bruikbaar alibi. Waarom moet dat? Zelf leerde ik onze taal tegen wil en dank. En hoe strenger het verbod, hoe groter de motivatie om te volharden en te slagen.

Wanneer die ‘Belgen’ in Frans-Vlaanderen nooit een woord Vlaamsch horen, wordt prompt ‘die ene’ opgevoerd. Die ene die zogezegd een hele conversatie met een Frans-Vlaming heeft kunnen voeren. Of het ligt aan dezelfden in een ander kleedje: aan die ‘domoren van Belgen’. En ik die dacht dat het Vlamingen waren! Ik lees ook: de mensen zijn bang. Ze durven niet te klapp’n met vervelende toeristen die er toch niets van kennen. Zo luidt de uitleg. Steeds opnieuw.

Beste Vlaamse vrienden uit België: jullie moeten niet de slachtofferrol overnemen. Het zou zinvoller zijn vast te stellen dat wie het Vlaamsch niet meer spreekt, het niet heeft geleerd of de kans of de mogelijkheid niet heeft gehad om het te leren. Punt.

Taalkaart?

Nu duikt er nog een oude taalkaart uit de negentiende eeuw op in een nieuwe poging om de actuele taalgrens te tekenen. De objectieve kijker beseft echter meteen dat het perspectief, hoe goed bedoeld ook, vervalst is. Die kaarten tonen gemeenten die toen eentalig Vlaamsch waren. Volledig. Dezelfde criteria vandaag gebruiken en projecteren op zo’n kaart toont eenvoudigweg dat heel Frans-Vlaanderen inmiddels is verfranst.

Wie de paar tientallen mensen per gemeente die vandaag nog Vlaamsch spreken wil tonen, heeft een nieuwe projectie nodig. Zonder suggestieve achtergronden. Geobjectiveerd. Met een taaltelling. Of met een bepaald percentage van nog levende mensen. Bijvoorbeeld: boven de 75 jaar, geboren in een van die toen Vlaamssprekende gemeenten.

Zo’n telling is mogelijk. Maar een sociologische enquête is een vak. Voor specialisten. Ik heb die oefening ooit gemaakt in Kaaster, mijn dorp, toen ik hielp bij de volkstelling van 1974. Huis per huis. De helft van het dorp. Naast de officiële vragen noteerde ik het aantal Vlaamssprekende volwassenen, geboren vóór 1950, op basis van de verklaringen van de inwoners. Omdat ik de meesten bij naam kende – zo ging dat toen – kreeg ik overal een antwoord.

Een werk van weken. Van maanden zelfs. De resultaten heb ik nooit gepubliceerd. Ze behoorden niet tot de officiële vragen van de volkstelling. En die volkstelling mocht niet in gevaar komen. Maar ik had wel een antwoord op mijn eigen vraag…

Bijna leeg of toch helemaal vol?

Ik eindig waar ik begon. Met het glas. Half vol of half leeg? Die vraag geeft al lang geen juist beeld meer. Het glas is niet half. Het is bijna leeg. Er is maar één partij die baat heeft bij een ander verhaal. Dat is de lobby van het Vlaamsch zelf. Zij moeten hun Hogefranse subsidies verantwoorden. Dat helpt.

Zo telt men vandaag ook de doden die Vlaams spraken mee. Tot de laatste der Mohicanen. Dat verandert vanzelfsprekend het perspectief op het terrein. Want wanneer het Vlaamse dialect in Frans-Vlaanderen niet langer wordt gesproken, verdwijnt het laatste houvast. En dan kan men beter de prioriteit verleggen. Naar het Nederlands. Als historische standaardtaal, als geschreven taal. En als taal van de buren.

Helemaal vol is onze eis: de Hauts-de-France moeten ook het Nederlands erkennen als streektaal, naast het Frans-Vlaamsch en het Picardisch, net zoals in de Elzas met het Duits en het Elzassisch.

Frans-Vlaanderen is geen openluchtmuseum maar een levende gemeenschap die leeft, werkt en vooruit wil. Ook met de taal moeten de Frans-Vlamingen de juiste keuzen maken en naar de toekomst kijken.


Sur la langue régionale: entre le verre à moitié plein et le verre à moitié vide

C’est difficile à admettre –  les Flamands de France ont lutté pendant 350 ans – mais les jacobins français ont réalisé leur rêve séculaire. La frontière franco-belge coïncide désormais avec la frontière linguistique. Efficace. Impitoyable. Même si l’État français ne doit pas compter sur nos applaudissements.

Les quelques milliers de Flamands de France âgés, qui parlent encore le Vlaamsch comme langue maternelle, n’y changeront rien. Bien entendu, enregistrer le maximum de locuteurs avant qu’il ne soit trop tard reste une excellente initiative. Mon père, décédé en 1995, disait déjà avec sérénité : bientôt, seuls les morts au cimetière parleront le Vlaamsch entre eux.

Je me souviens encore de ma réponse toute prête lorsque mon père disait cela : notre Vlaamsch ne disparaîtra pas, car il sera encore parlé… en Flandre occidentale. Si je veux entendre et parler le Vlaamsch de Kaaster, j’irai me promener à Abele ou à Westoutre. Les habitants de Steenvoorde, Houtkerke et Winnezele pourront faire la même chose à Watou, et ceux de Hondschote à Leisele, Lo ou Veurne. Qui veut vraiment apprendre pourra chaque semaine aller causer outre schreve. Je peux témoigner personnellement que cela fonctionne.

Ce qui ne changera certainement pas la francisation ambiante, c’est l’invention du volapük haut-de-français subventionné, baptisé Flamand occidental. Une construction linguistique appauvrie « faite maison » pour les initiés, dans une langue que même nos parents ne reconnaîtraient pas.  Une construction mise en place et défendue par des académiciens autoproclamés qui refusent d’admettre qu’ils recyclent la forme écrite du néerlandais d’antan. Une approche irréaliste avec, à la clé, des subventions en guise de médaille du mérite.

Plus que moins

Pourtant, certains continuent à nous servir l’histoire du verre à moitié plein contre le verre à moitié vide. Un classique. Avec les tours de passe-passe dialectiques bien connus. Dans une dialectique digne de Trump , ils nous parlent toujours de “plus”, alors que tout le monde sait que c’est “moins”. Je lis également : “plus de gens que l’on croit qui parlent encore la langue”. Plus que moins, en effet. Mais est-ce beaucoup ? Et combien ? Et qui est ce “on” indéfini autant qu’insaisissable ?

Je lis encore à quel point ces rares locuteurs parlent “bien”. Et si ce n’est pas comme il faut, c’est bien sûr à cause des autres : des punitions et de la répression d’autrefois. Les excuses sont faites pour s’en servir. Pourquoi donc ? Pour ma part, j’ai appris la langue en passant outre toutes ces excuses. Et plus l’interdiction était stricte, plus la motivation à persévérer et à réussir était grande.

Je poursuis ma lecture : si ces “Belges” n’entendent pas un mot de Vlaamsch en Flandre française, on leur oppose immédiatement ‘cette personne anonyme’ qui a soi-disant eu toute une conversation en Vlaamsch avec un Flamand de France. Sinon c’est encore la faute à ces ‘idiots de Belges’. Et moi qui croyais que c’étaient des Flamands ! Je lis encore : les gens ont peur. Ils n’osent pas parler avec des touristes agaçants qui n’y connaissent rien.

Chers amis Flamands de Belgique : il est tout à fait inutile de jouer aux victimes à notre place. J’aimerais plutôt lire la réalité des choses : si les Flamands de France ne parlent plus le Vlaamsch, c’est qu’ils ne l’ont pas appris ou qu’ils n’ont pas eu la chance de l’apprendre, faute d’enseignement. Point à la ligne.

Carte linguistique ?

On peut aussi utiliser une vieille carte linguistique du XIXᵉ siècle et tenter de tracer une frontière linguistique actuelle. L’observateur objectif constate immédiatement que la perspective, même bien intentionnée, est faussée. Cette carte montre des communes qui autrefois parlaient le Vlaamsch et étaient pour la plupart unilingues. Projeter les mêmes critères actuels sur une telle carte montre simplement que toute la Flandre française est francisée.

Qui veut montrer les quelques dizaines de personnes par commune qui parlent encore le Vlaamsch doit utiliser une autre, nouvelle projection. Sans arrière-plan suggestif. Sur base d’un recensement linguistique. Ou en prenant un certain pourcentage de personnes encore vivantes. Par exemple : les plus de 75 ans, nés dans une des communes de langue flamande.

Ce recensement est possible. Mais une enquête sociologique est un travail de spécialistes. J’ai moi-même réalisé cet exercice à Caestre, mon village, lorsque j’ai participé au recensement de 1974. La moitié du village, maison par maison. En plus des questions du formulaire, j’ai noté le nombre d’adultes nés avant 1950 et parlant le Vlaamsch, selon le déclaratif des habitants. Comme je connaissais la plupart d’entre eux par leur prénom – ainsi se passait la vie au village – j’ai obtenu une réponse partout.

Un travail qui a pris des semaines, et même des mois. Je n’ai jamais publié les résultats car ils ne faisaient pas partie des questions officielles du recensement. Et celui-ci ne pouvait pas être remis en cause par ma démarche. Mais j’avais bien ma réponse…

Presque vide ou vraiment plein ?

Je termine là où j’ai commencé. Avec le verre. À moitié plein ou à moitié vide ? Cette perspective ne donne plus depuis longtemps une image correcte de la situation linguistique. Le verre n’est pas à moitié plein. Il est presque vide. Il n’y a qu’un seul parti qui bénéficie de cette version tronquée de l’histoire. C’est le lobby du Vlaamsch lui-même car il faut bien justifier des subventions haut-de-françaises.

Aujourd’hui, ces messieurs comptabilisent aussi les morts qui parlaient Vlaamsch. Jusqu’au dernier des Mohicans. Cela fausse évidemment la perspective sur le terrain. Car lorsque le dialecte flamand n’est plus parlé en Flandre française, le dernier point d’ancrage disparaît. Alors il vaut mieux donner la priorité au néerlandais. Comme langue standard historique, comme langue écrite, et comme langue des voisins et de l’avenir.

Entièrement plein est notre panier de revendications : les Hauts-de-France doivent également reconnaître le néerlandais comme langue régionale, aux côtés du Vlaamsch et du picard, comme c’est le cas en Alsace avec l’allemand et l’alsacien.

La Flandre dite française n’est pas un musée de plein air. C’est d’abord une communauté vivante qui veut vivre, travailler et aller de l’avant. Cela vaut également pour faire les justes choix en matière linguistique, choix qui ne peuvent être que ceux de l’avenir.

Gepubliceerd

12.02.2026

Kernwoorden
Reacties

Dierensymboliek: de kat van Sint-Omaars

Neen, dit stuk gaat niet over de PR-kat van de premier.
Op 11 februari 1488 verjagen de inwoners van het nu Frans-Vlaamse stadje Sint-Omaars, toen behorend tot het graafschap Vlaanderen binnen de Bourgondische erflanden, de Fransen. Op dat moment zijn zij de grote vijand. De bevolking overmeestert de Franse bewakers die de stad hadden ingenomen en helpt de bevriende Bourgondische troepen binnen, die al enkele dagen de stad belegerden.

De traditie wil dat de inwoners van Sint-Omaars als afgesproken signaal drie maal een brandende kaars omhoog zouden steken. De aanvallers zouden dit teken beantwoorden door te miauwen als een kat.

Het manoeuvre lukt. Weldra weerklinkt opnieuw de leuze ‘Leve Bourgondië!’ in de straten van Sint-Omaars. In de uren die volgen worden de “Witten”, collaborateurs van de Franse vijand, meedogenloos opgezocht en afgeranseld door de “Zwarten”, de aanhangers van Bourgondië. De man die een jaar eerder de sleutel van de stad aan de vijand had overhandigd, wordt onthoofd.

Herdenkingstoet met kat

Deze klinkende overwinning wordt eeuwenlang jaarlijks herdacht door de bevolking van Sint-Omaars. Elk jaar, op de vooravond van 30 november, de dag van Sint-Andries, patroonheilige van de Bourgondische Nederlanden, worden de 22 gezellen die de stad hadden helpen bevrijden gehuldigd. Op de markt worden vreugdevuren ontstoken.

Daarnaast worden acht kanonschoten gelost in de richting van de vijand. Richting Frankrijk dus. Deze vreugdevuren worden voorafgegaan door een plechtige herdenkingsstoet. Daarin wordt het beeld van een … kat triomfantelijk door de stad gedragen. De viering wordt afgesloten met een dankmis en een banket.

Broederschap van de kat

Om deze stoet en de jaarlijkse viering te organiseren wordt een broederschap in het leven geroepen: de Broederschap van Sint-Desirius, in de volksmond de Broederschap van de Kat. Dankzij deze broederschap blijft de traditie behouden tot 1677. In dat jaar veroveren Franse troepen Sint-Omaars en Frans-Vlaanderen, wat een einde maakt aan de jaarlijkse viering.

Opvallend is het vijandige klimaat in de stad in 1677. De Fransen vertrouwen de bevolking niet en plaatsen drie geladen kanonnen voor het stadhuis. Naar verluidt blijven die daar staan tot kort voor de Franse Revolutie.

Onze Lieve Vrouw met de kat

In de basiliek en vroegere kathedraal van Sint-Omaars is nog een merkwaardig beeld te bewonderen. Het is het werk van de in zijn tijd beroemde Zuid-Nederlandse beeldhouwer Jacques du Broeucq (1505?–1584). Ooit maakte het deel uit van het praalgraf van Philippe van Sint-Aldegonde (1530–1574), een fanatieke katholiek en een van de bloedrechters in Henegouwen en Vlaanderen tijdens de religieuze repressie. Een oom van Marnix van Sint-Aldegonde, maar wel uit het andere kamp.

Het beeld staat bekend onder de merkwaardige naam ‘Onze Lieve Vrouw met de kat’ (La Vierge au Chat). Een kat is een zeldzaam beschermingsdier in associatie met een Mariabeeld. Kunsthistorici en ook inwoners van Sint-Omaars wijzen soms op die poes aan de voeten van Onze Lieve Vrouw, maar weten vaak niet meer wat dat dier daar komt doen. Lees dit verhaal opnieuw en je weet waarom.

Gepubliceerd

11.02.2026

Kernwoorden
Reacties

De invoering van een nieuwe kalender in de Zuidelijke Nederlanden

Op 10 februari 1583 vaardigt koning Filips II een verordening uit die de Gregoriaanse kalender, ingesteld door paus Gregorius XIII, invoert in de Zuidelijke Nederlanden. Het onmiddellijke gevolg is ingrijpend: tien dagen verdwijnen uit de tijdrekening en men springt van 10 februari rechtstreeks naar 21 februari. Deze maatregel moet het groeiende verschil tussen het zonnejaar en het kalenderjaar corrigeren.

Andere landen volgen veel later. De Duitse gebieden wachten tot 1700, Engeland tot 1752. China schakelt pas over in 1912, Rusland en Turkije zelfs pas in 1924. Dat verklaart waarom de eerste verjaardag van de Oktoberrevolutie, die uitbrak op 25 oktober 1917, niet in oktober maar op 7 november 1918 wordt gevierd.

Over deze kalenderhervorming, en over de symboliek van de seizoenen in Frans-Vlaanderen en de Nederlanden, lees je meer in mijn tweetalige publicatie Het meten van de tijd – symbolen en tradities / La mesure du temps – symboles et traditions. Nog steeds beschikbaar op mijn blog widopedia.eu.

Gepubliceerd

10.02.2026

Kernwoorden
Reacties

Carel  Gerretson: ‘1830, een Franse commune op Diets Territoir’

Op 09 februari 1884  werd in Kralingen bij Rotterdam de Nederlandse dichter, essayist, historicus, politicus en hoogleraar Carel Gerretson geboren.

In 1906-1907  zwierf Gerrretson rond in de Verenigde Staten en Mexico waar hij voor de kost lessen Latijn gaf. Tijdens zijn studies  sociologie aan het Solvayinstituut in Brussel. Hij zou in 1917  in de sociale wetenschappen doctoreren  met als proefschrift ‘Die funktion des Staates und die Wirtschaftsform bei den niederen Jägervölkern.’

In Brussel  schreef hij verschillende gedichten onder de pseudoniem Geerten Gossaert. kwam Gerretson in aanraking met de Vlaamse Beweging. Dat bepaalt zijn verdere leven: hij wordt de heel-Nederlandse gedachte toegedaan. De scheiding van 1830 noemt hij’ het grootse ongeluk uit onze geschiedenis’ en ‘een Franse commune op Diets territoir.’

Gerretson is medeoprichter van ‘De Dietse  Bond’ (1917) en, in dezelfde periode, redacteur van ‘Dietse Stemmen.’ Tijdens Wereld oorlog I spreekt hij zijn steun uit voor het Vlaamse activisme. Na de oorlog blijft hij in nauw contact met voorstaande figuren als Leo Picard en Antoon Jacob.

Zijn loopbaan in dienst van de Bataafse Petroleum Maatschappij  brengt hem vervolgens naar Nederlands Indië, en verder naar verschillende landen in Asië en Zuid-America. In 1925 komt hij terug naar Nederland om hoogleraar in de geschiedenis van Nederlands Indië, de vergelijkende koloniale geschiedenis en de volkenkunde van Nederlands-Indië  te worden aan de Universiteit Utrecht. Samen met onder meer prof. Pieter Geyl richt hij het tijdschrift LEIDING op, publicatie dat een Heel-Nederlandse visie wil trachten te laten doordringen bij de intellectuele elite in Nederlanden.

Gerretson wordt  van 1925 tot 1934  lid, vervolgens voorzitter van Nationale Unie. Maar zijn aanvankelijke bewondering  wordt snel afgekoeld door het dreigende Nationaal-Socialisme. Hij keert zich tegen het jakobijnse inslag van beiden ideologieën en verlaat de Nationale Unie in 1934. In de tijd dat hij voorzitter was van het directoriums van de Corporatieve Concentratie noemde hij zichzelf tijdelijk een fascist, in de Italiaanse betekenis, wel te verstaan. Prof dr. L. de Jong beschouwde Gerretson als een aanhanger van het fascisme.  Maar zijn bijna naamgenoot Dr. A. A. de Jonge zie in hem ‘geen echte fascist.’

Na de Tweede Wereldoorlog wordt Gerretson van 1952 tot 1956 lid van de Tweede Kamer voor de CHU die later overgaat in het CDA. Ook in die periode bleef zijn belangstelling voor de Vlaamse Beweging, steunde hij een bestuurlijke scheiding van België  met het oog op een latere hereniging van de Nederlanden.

De correspondentie tussen Pieter Geyl en Carel Gerretson tijdens de Tweede Wereldoorlog is bekend gebleven onder de naam Briefwisseling Gerretson-Geyl waarbij Gerretson  steeds het kamp  van het Heel-Neerlandisme trok.

 In 1950 werd zijn gehele oeuvre bekroond met de Constantijn Huygensprijs.

Carel Gerretson overleed in Utrecht op 27 oktober 1958.

Gepubliceerd

09.02.2026

Kernwoorden
Reacties