WIDOPEDIA
Een blog over Frans-Vlaanderen, de Nederlanden en Europa
Wido Bourel

Meest recente berichten
Archieven
Kernwoorden

Archieven voor week 6, 2026

Jean Mabire – Meester Jean, de Normandiër

Op 8 februari werd in Parijs Jean Mabire geboren – “Meester Jean” voor zijn vrienden. Hij was een militante Normandiër, journalist en auteur van meer dan honderd boeken.

Mabire was een groot kenner van Vlaanderen. Hij studeerde in Brussel aan de Nationale Hogere School voor Sierkunst, beter bekend als Ter Kameren, ooit opgericht door Henry van de Velde en geleid door Herman Teirlinck. In Vlaanderen maakte hij kennis met de Vlaamse Beweging en ontdekte hij zijn eigen identiteit als Normandisch regionalist. Zijn openheid voor Europese identiteiten maakte van hem een overtuigd voorstander van het Europa der volkeren.

Hij bezocht Vlaanderen ontelbare keren en gaf de Frans-Vlaamse voorman Jean-Marie Gantois de mogelijkheid om voor zijn publicaties te schrijven, toen deze nog in ballingschap leefde. Mabire telde in Vlaanderen vele vrienden en werd meermaals opgemerkt tijdens de IJzerbedevaart. In zijn reeks boeken over vooraanstaande Europese figuren, die hij Éveilleurs des Peuples noemde, wijdde hij teksten aan onder meer Albrecht Rodenbach, Guido Gezelle, Hendrik Conscience, Ernest Claes, Filip De Pillecijn, Wies Moens, Cyriel Verschaeve, Marc Eemans en vele anderen.

In 1949 stichtte hij het legendarische tijdschrift Viking, een gestencild blad dat hij eigenhandig, met de hulp van zijn eerste echtgenote Jeannine Boulet, vormgaf en uittekende. Samen richtten zij ook het volkskunstatelier Les Imagiers Normands op. Mabire werd eveneens journalist bij het Normandische dagblad La Presse de la Manche. Later groeide hij uit tot een pionier van tijdschriften als het Normandische Heimdal, Éléments en tal van andere persinitiatieven. Hij publiceerde uitgebreid over Normandië, met onder meer de boeken L’Histoire de la Normandie, Les Vikings en Les Grands Marins Normands.

Daarnaast had Mabire een actieve loopbaan als paraofficier. Hij werd ingezet in Noord-Afrika, aan de grens met Tunesië, als reserveofficier en leidde er een commando Alpijnse Jagers. Dit verklaart deels zijn vele boeken “om den brode”, die handelen over militaire eenheden en avonturiers van uiteenlopende slag. In zijn oeuvre kan een onderscheid worden gemaakt tussen deze avonturiersliteratuur – vaak met het karakter van een onnauwkeurige historische roman, typisch Frans – en zijn diepgaandere cultuurhistorische werk. In progressieve Franse kringen werd dit aangegrepen om Mabire met oogkleppen als extreemrechts te bestempelen en te verzwijgen. Dat is nogal kort door de bocht en miskent zijn omvangrijke werk en inzet voor Normandië en voor de zaak van de Europese volkeren. Dit deel van zijn oeuvre toont Jean Mabire als een kenner van de Europese volkeren en als een deskundige pleitbezorger van hun verworteling en identiteit.

Jean Mabire heeft de verdienste het regionalistische en Europese denken te hebben geïntroduceerd binnen de Franse rechtse nationalistische kringen in het postkoloniale tijdperk. Dat is op zich een historische verdienste.

De vereniging Les Amis de Jean Mabire waakt over de geestelijke nalatenschap van Meester Jean. Een webstek van de vereniging is op internet te vinden.

Jean Mabire overleed op 29 maart 2006.

Gepubliceerd

08.02.2026

Kernwoorden
Reacties

De grens der taele: Toen Frankrijk nog wist dat Vlaanderen geen Frans sprak

Op 8 februari 1635 wordt het schandelijke Traité de Partage — in het Nederlands beter bekend als het Verdelingsverdrag van 1635 — afgesloten tussen Frankrijk en de Verenigde Provinciën. Bij deze gelegenheid reiken Frans imperialisme en “Hollandse” zelfgenoegzaamheid elkaar de hand.

Kardinaal Richelieu stelde namens Frankrijk een splitsing van de Zuidelijke Nederlanden voor volgens wat werd genoemd de “grens der taele”: de taalgrens tussen het Nederlands- en het Franstalige gebied.

Het voorstel volgde die taalgrens evenwel niet. Mechelen en Brabant werden toegewezen aan de Verenigde Provinciën. Voor het overige zouden alle Waalse regio’s, samen met Vlaanderen, aan Frankrijk worden gegeven. De Verenigde Provinciën zouden Limburg en Noord-Brabant militair bezetten. Frankrijk zou Artesië en het huidige Frans-Vlaanderen annexeren, samen met Wallonië en Montmédy.

De nieuwe grens zou ongeveer komen te liggen op een lijn Blankenberge–Rupelmonde en ten noorden van Brugge passeren. Vervolgens zou zij langs de Schelde lopen en verder over de noordelijke grenzen van Henegouwen, Namen en Luxemburg. Een groot deel Nederlandstalig gebied, met onder meer Brugge, Gent en Dendermonde, zou volgens dit verdrag Frans worden.

Het voorstel gaf de Zuidelijke Provinciën drie maanden de tijd om in opstand te komen tegen Spanje. Zo niet zouden zij militair worden bezet en overeenkomstig dit plan onder de twee bondgenoten worden verdeeld.

De omstandigheden maakten dat het plan van Richelieu uiteindelijk niet werd uitgevoerd. Lodewijk XIV zag later meer voordeel in een agressieve oorlogspolitiek om de annexatie bij Frankrijk met geweld door te drukken.

Gepubliceerd

07.02.2026

Kernwoorden
Reacties

Henry Dorgères:  vóór de gele hesjes waren er de groene hemden

Op 6 februari 1897 werd in Wasquehal, bij Rijsel, politicus Henry Dorgères geboren. Zijn echte naam was Henri d’Halluin. Vandaag is Dorgères zo goed als vergeten. Toch maakte hij tijdens het interbellum naam als boerenleider en als voorman van de boerenbeweging de Groene Hemden.

Henry Dorgères was de zoon van een eenvoudige beenhouwer uit Torkonje. Hij studeerde rechten in Rijsel. Zijn politieke carrière zou zich echter vooral afspelen in het landelijke Bretagne. Daar zette hij zijn eerste stappen als journalist. Hij specialiseerde zich in landbouwproblematiek en in de strijd van de boeren. Zijn artikels ondertekende hij met het pseudoniem Dorgères, dat zijn strijdnaam werd. Zijn journalistieke loopbaan groeide uit tot een leiderschap over verschillende regionale kranten en publicaties, voornamelijk in Bretagne.

Dorgères was niet alleen een pen, maar ook een stem. In Frankrijk behoorde hij tot de beste sprekers van zijn tijd. Kenmerkend was zijn zeer krachtige en fysieke spreekstijl, geïnspireerd door de autoritaire bewegingen van het interbellum. De Amerikaanse historicus Robert O. Paxton, auteur van French Peasant Fascism: Henry Dorgères’ Greenshirts and the Crisis of French Agriculture 1929–1939, romantiseert de titel in de Franse vertaling door te kiezen voor Le temps des chemises vertes. Hij verplaatst het begrip ‘landelijk fascisme’ naar de ondertitel, om er vervolgens een vraagteken bij te plaatsen in wat hij noemt: le fascisme au village ?

In 1929 stichtte Dorgères de Comités de défense paysanne. Boerencomités die, naar de kleur van hun uniform, al snel de bijnaam Groene Hemden kregen.

In de jaren die volgden verdedigde hij de syndicale belangen van de kleine boeren, volgens hem gewurgd door liberale krachten aan de macht. Zijn aanhang was groot, maar vooral geconcentreerd in Bretagne en het noorden van Frankrijk. Bepaalde bronnen melden tot 420.000 Groene Hemden, maar dit aantal is wellicht overdreven.

Dorgères stond een autoritaire en corporatistische staat voor. Zijn strijd voor het boerenbelang was tegelijk een aanklacht tegen de macht van Parijs en de grote steden over het rurale Frankrijk. Wat ook meespeelde, was een strijd van de boeren tegen intellectuelen en bureaucraten.

Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog vocht Dorgères als vrijwilliger in de Elzas en aan de Somme. Hij werd door de Duitsers gevangengenomen, ontsnapte en vluchtte naar de niet-bezette zone van Frankrijk. Nota bene: hij was hierin een recidivist, want tijdens de Eerste Wereldoorlog ontsnapte hij tot drie keer toe. Hij zocht en vond een plaats binnen het Vichy-regime en werd algemeen afgevaardigde voor de boeren. Zijn visie op de boerenkwestie haalde daar evenwel geen unanimiteit.

Na de oorlog werd hij gearresteerd, maar na negentien maanden detentie vrijgesproken wegens zijn hulp aan het verzet. De man had honderden verzetsmensen eigenhandig van papieren voorzien en vluchtelingen persoonlijk geholpen om de demarcatielijn over te steken.

Zijn vrijlating hield wel in dat hij vijf jaar lang geen activiteiten mocht uitoefenen binnen boerenorganisaties. In de jaren ’50 werd hij nog volksvertegenwoordiger voor de partij van Pierre Poujade. Maar de grote massabijeenkomsten van de Groene Hemden lagen toen al achter de rug.

Henri d’Halluin, alias Henry Dorgères, mag vandaag bijna vergeten zijn. Maar de schrik van de autoriteiten voor boerenverzet in Frankrijk en Europa — en ook dat van de Rode Mutsen en de Gele Hesjes — is met deze man niet vergeten.

Dorgères overleed op 22 januari 1985.

Gepubliceerd

06.02.2026

Kernwoorden
Reacties

De eerste prins van Oranje

Op 5 februari 1519 werd in Breda René van Chalon geboren. Hij was de eerste telg uit het huis Nassau die zich Prins van Oranje mocht noemen — een titel die later een sleutelrol zou spelen in de Nederlandse geschiedenis.

In 1538 erfde René van zijn oom Filibert van Chalon het onafhankelijke vorstendom Orange. Dit kleine maar soevereine prinsdom lag in het huidige Zuid-Frankrijk (Vaucluse), ongeveer twintig kilometer ten noorden van Avignon. Met een oppervlakte van amper 300 km² bestond het al sinds de twaalfde eeuw. Dankzij een erkenning door de Duitse keizer Frederik Barbarossa mocht Orange zich een prinsendom noemen. Dat verleende de prins het statuut van soeverein vorst, juridisch gelijkwaardig aan andere Europese heersers.

René huwde in 1530 te Bar-le-Duc met Anna van Lotharingen. Het huwelijk bleef kinderloos: hun enige dochter overleed kort na de geboorte.

Het leven van René van Chalon eindigde vroeg. In 1544 sneuvelde hij, amper 25 jaar oud, tijdens het beleg van Saint-Dizier. Hij vocht als legeraanvoerder in dienst van keizer Karel V, in de strijd tegen de Franse koning Frans I.

Na zijn dood gingen het prinsdom Orange en alle bezittingen over op zijn elfjarige neef Willem van Nassau, later bekend als Willem van Oranje. Daarmee werd Willem in één klap soeverein vorst. Aan deze erfenis was een duidelijke voorwaarde verbonden: Willem moest katholiek worden opgevoed aan het hof van keizer Karel V.

Ook René’s persoonlijke devies leefde voort. Zijn motto ‘Je maintiendrai Chalon’ werd door Willem overgenomen en aangepast tot ‘Je maintiendrai Nassau’. Dit devies groeide later uit tot de Nederlandse wapenspreuk, die vandaag nog steeds wordt gebruikt.

Naast Prins van Oranje was René van Chalon onder meer graaf van Nassau en Vianden, heer van Breda en ridder in de Orde van het Gulden Vlies.

De legende rond de stichting van het vorstendom Orange

Rond de oorsprong van het vorstendom Orange ontstond in de late middeleeuwen een hardnekkige legende. Volgens dit verhaal zou de moeder van Willem met de Hoorn, een vroege heer van Orange en mythische grondlegger van het vorstendom, een buitenechtelijk kind van Karel Martel zijn geweest.

Historisch bewijs voor deze vermeende bloedband ontbreekt volledig. De legende moet dan ook worden gezien als een politiek en dynastiek verzinsel, bedoeld om het prestige en de ouderdom van het vorstendom Orange — en later van het Huis van Oranje — te vergroten door het te verbinden aan de Karolingische vorsten.

Karel Martels zoon Pepijn de Korte (714–768) stichtte in 751 de Frankische dynastie van de Karolingen. Zijn zoon Karel de Grote (747/748–814) zou uitgroeien tot de machtigste heerser van middeleeuws Europa. Door zich via een legende met deze dynastie te verbinden, claimde Orange een symbolische plaats binnen de grote Europese vorstentraditie.

Gepubliceerd

05.02.2026

Kernwoorden
Reacties

Een wereldberoemd Vlaams handschrift

Het Liber Floridus. De oudste geïllustreerde encyclopedie  (1121)

Zo heet het indrukwekkende boek van ereconservator en professor emeritus Albert Derolez, dat vorig jaar verscheen. Derolez (°1934) doceerde paleografie aan meerdere universiteiten en geldt als dé autoriteit over het Liber Floridus.
Als conservator van de handschriften van de Universiteitsbibliotheek Gent, in de Boekentoren, mocht hij het Liber Floridus bijna een halve eeuw lang koesteren en bestuderen.

Het manuscript wordt nog altijd bewaard in de Boekentoren van Gent. Let op: er bestaan elders in Europa nog exemplaren van het Liber Floridus. Niet identiek. Het Gentse handschrift is bijzonder. Het is het autograaf. Geschreven én getekend door de auteur zelf. Alleen daarom al is de Boekentoren een omweg waard als je in Gent bent.

Encyclopedieën bestonden al vóór het Liber Floridus. De Romein Plinius de Oudere (23/24–79) schreef er een die grotendeels bewaard bleef. Maar geïllustreerd? Nee. Dat maakt het Liber Floridus uniek. Het bundelt de kennis van de wereld, zowat 900 jaar geleden: religie, filosofie, geschiedenis, astronomie, geografie, kaarten, dieren en planten.
Voor kaartenliefhebbers: het boek bevat de oudste bekende kaart van Europa. Met vermelding van “Flandria”. Verwacht geen moderne geografische kaart. Dit is een mappa mundi-achtige voorstelling, waar symboliek en wereldbeeld belangrijker zijn dan schaal en afstand.

Het werk ontstond in het huidige Sint-Omaars. Toen een grensstad tussen het graafschap Vlaanderen en Artesië. Niet in de abdij, zoals vaak wordt gedacht — ik heb die fout ooit zelf gemaakt. Het boek werd samengesteld bij het kapittel van Onze-Lieve-Vrouw en de heilige Audomarus. De concurrentie, zeg maar. Hoe het manuscript in de dertiende eeuw van Sint-Omaars naar de abdijbibliotheek van Sint-Baafs in Gent verhuisde, zullen we wellicht nooit weten.

Lambert van Sint-Omaars

Een boeiende these van Derolez: tekst en illustraties zijn van één en dezelfde hand. Van Lambert. Ook bekend als Lambertus van Sint-Omaars. “Lambert die het boek maakte”, staat letterlijk in het manuscript. Over hem weten we opvallend weinig. Geen geboortejaar. Geen sterfdatum. Wel: hij was de zoon van Onulf, overleden in 1077. Opvallend: die vader was kanunnik. Niet uitzonderlijk in een tijd waarin het celibaat nogal soepel werd geïnterpreteerd.

Het boek is rijk geïllustreerd. Miniaturen van hoge artistieke kwaliteit. Alle afbeeldingen komen uit het Liber Floridus zelf. De Latijnse teksten zijn vertaald en becommentarieerd door Derolez. Je hoeft dus geen Latijn te kennen. Bladeren mag. Grasduinen ook. Alleen al de unieke, kleurrijke illustraties houden je uren bezig.

Dat zo’n werk kon ontstaan in het Vlaanderen van de twaalfde eeuw, zegt alles over het culturele niveau van die tijd.

Het Liber Floridus verscheen bij Borgerhoff & Lamberigts en is te verkrijgen in elke goede boekhandel.

P.S. : Voor de germanisten onder ons: prof. Albert Derolez is de broer van prof. René Derolez (1921–2005), vooraanstaand germanist en eveneens hoogleraar in Gent. Hij promoveerde met ‘Runa Manuscripta’, een standaardwerk in de runologie. In mijn bibliotheek staan ook twee bekende werken van zijn hand: ‘De godsdienst der Germanen’ en ‘Les Celtes et les Germains’.

Gepubliceerd

03.02.2026

Kernwoorden
Reacties

Lichtmis: het licht komt terug

Vandaag is het Lichtmis. Die dag roept herinneringen op aan wat mijn grootouders me vertelden. Lichtmis was een feest van de terugkeer van het  licht en het leven, rituelen en oude overtuigingen, doorgegeven van generatie op generatie.

Pannenkoeken hoorden er onlosmakelijk bij. Het bakken was traditie, maar ook beladen met betekenis. Enerzijds loerde het ongeluk. Wie een pannenkoek op de grond liet vallen, daagde het noodlot uit. Anderzijds was er het geluk. Wie een trouwring in het deeg doopte, schonk een vrouw voorspoed. Lichtmis balanceerde zo tussen vrees en hoop.

Kaarsen stonden centraal. Ze verbeeldden de overwinning van het licht op de duisternis. Op Lichtmis wijdde men twee kaarsen, bestemd om later, met Allerheiligen, te branden ter nagedachtenis van de doden. Ook dieren kregen bescherming. Men stak een kaars aan en bewoog die onder hun buik, om kwaad en ziekte af te weren.

Lichtmis bracht ook sociale gebruiken met zich mee. Armen genoten die dag een bijzondere vorm van gastvrijheid. Men mocht vrijuit spreken en de waarheid zeggen, zonder nare gevolgen. De dag bood ruimte, letterlijk en figuurlijk.

Zelfs wolven maakten deel uit van het volksgeloof. Men geloofde dat het zonlicht op Lichtmis hen zes weken lang deed vluchten. In Frans-Vlaanderen leefde nog een donkerder verhaal. Kinderen die die nacht door een priester werden gewekt, zouden in weerwolven veranderen.

De naam Maria Lichtmis, of Onze-Lieve-Vrouw Lichtmis, verwijst naar een oudere betekenislaag. In sommige regio’s van de Nederlanden sprak men van “Vrouwendag”. Dankzij paus Innocentius II kennen we de verklaring. Op deze dag vereerden de heidense Romeinen Proserpina, godin van de onderwereld en van de terugkeer van het leven. Het feest had dus een voorchristelijke oorsprong en draaide om de terugkeer van het licht, om reiniging en om de vruchtbaarheid van mens en natuur.

Voor onze voorouders was Lichtmis meer dan een feestdag. Het was een scharniermoment in het jaar. Men observeerde de natuur en probeerde het weer te lezen. Zo groeide Lichtmis uit tot een zogenaamde kritische dag, rijk aan weerspreuken die de komende weken moesten voorspellen.

Weerspreuken

Lichtmisse schoon en klaar,
geeft een vruchtbaar roggejaar.

Lichtmisse donker,
maakt de boeren jonker.

Lichtemisse kuisch en klaar,
maakt de boeren bedelaar.

Te Lichtemisse en is een vrouw nooit zo arm
of heeft ze een pannetje vet of warm.

En uit Kaaster noteerde ik nog:

Schijnt de zon door ’t hout,
dan maakt het zes weken koud.

Gepubliceerd

02.02.2026

Kernwoorden
Reacties

Hekkerschreeuwen, voor opbouwwerk en volkscultuur

In mijn archief duiken tussen oude paperassen enkele documenten op van Hekkerschreeuwen, een initiatief voor opbouwwerk en volkscultuur in Frans-Vlaanderen dat ik samen met Jan Pol Sepieter oprichtte.

Al in 1971-1972 smeedden Jan Pol Sepieter en ik plannen. We wilden het Frans-Vlaamse verenigingsleven wakker schudden.

Jan Pol liet zich inspireren door Robert Lafont (La révolution régionaliste) en door Simone Weil (L’Enracinement). Zelf las ik auteurs als Olier Mordrel, Yann Fouéré, Paul Sérant en Guy Héraud. Samen verdiepten we ons in het federalistische denken van Proudhon en Altusius.

We reisden om te leren. We zochten taal- en culturele inspiratie in Friesland, onder meer bij de Friese Academie. We volgden opleidingen over ecologie en over de Waddenzee in de Nederlandse volkshogescholen van Groningen en elders.

Ik bezit nog steeds de ontwerpen en schetsen van enkele basisconcepten die we toen op poten zetten, samen met de zelfklevers die we ontwierpen.

Daarbij hoorde ’t schoon Vlaamsch te klappen. Ook de bescherming van molens en van het Vlaams patrimonium. Construisons flamand — bouwen in Vlaamse stijl. En de strijd tegen de bouw van de kerncentrale van Grevelingen. Toen keerden we ons tegen de gevaren van zo’n mastodont aan de Frans-Vlaamse kust. Intussen beschouw ik de nieuwe generatie kerncentrales als een noodzakelijke oplossing in deze tijd.

De volksmuziek vormde een apart dossier. Dat vertaalde zich vooral in het organiseren van optredens, minder in publicaties. Later zou Jan Pol er wel een volledig boek aan wijden. Een boek, omdat hij zelf geen instrument speelde.

Aan de volksmuziek was ook het concept van Bruine Vlaamse cafés verbonden. Inspiratie vonden we in wat in Dranouter en omgeving al bestond. Daar hoorde ook het ontwerpen van traditionele bierpinten bij.

Zelf hield ik me daarnaast bezig met het dossier volkssporten. Het paste ook helemaal in het concept van de volkscafés. Dat omvatte onder meer de inventaris van de eigen volkssporten, de bescherming van traditionele volksportlocaties, het verzamelen van materiaal, en het ontwerpen en verhuren van een volkssportkoffer in Frans-Vlaanderen. Voor dit project ging ik meermaals te rade bij het team van prof. Roland Renson, van de Vlaamse Volkssportcentrale in Leuven, toen op het hoogtepunt van haar bloei.

Wij waren jong.
En we wilden wat.

Gepubliceerd

02.02.2026

Kernwoorden
Reacties