In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 wordt Nederland getroffen door de allesverwoestende watersnoodramp. Vooral Zeeland, maar ook delen van Zuid-Holland en Noord-Brabant, worden zwaar getroffen. Meer dan 130 dorpen lopen onder water. In totaal komt naar schatting 150.000 tot 200.000 hectaren land blank te staan.
Het dodental in Nederland bedraagt 1.836 slachtoffers. Meer dan 100.000 mensen moeten hun huizen ontvluchten. Ook in Vlaanderen en Groot-Brittannië vallen doden.
De solidariteit met Nederland is groot. Twee bataljons Franse geniesoldaten worden uitgezonden om hulp te bieden. Onder hen bevinden zich ook enkele Frans-Vlamingen. Een van hen is Jacques Boddaert uit mijn dorp Kaaster. De omvang van de ramp, de vele doden en het lot van de ontredderde daklozen maakten op de toen nog zeer jonge soldaat diepe indruk.
Jacques was trots — en terecht — op de oorkonde die hij van de Nederlandse regering ontving en zorgvuldig bewaarde. Ze was opgesteld in het Nederlands, een taal die hij niet kon lezen. Ooit kende hij de betekenis, maar die was in de loop der jaren vervaagd.
Begin jaren zeventig fungeerde ik in het dorp als officieuze tolk en vertaler van het Nederlands. Op een dag vroeg Jacques mij op zijn boerderij om zijn oorkonde te vertalen. Ze hing bij hem thuis aan de muur, en hij drong erop aan dat ik de tekst in aanwezigheid van de hele familie voorlas:
“Als uiting van onze bijzondere
dank en waardering voor de
krachtige medewerking en onverdroten
ijver, betoond bij de hulpverlening,
tijdens de watersnood van februari 1953.”
Alleen de Sint-Elisabethsvloed van november 1421, waarbij naar schatting 100.000 mensen omkwamen, was mogelijk van nog grotere omvang.
01.02.2026
31 januari 1488 – Op deze dag werd Maximiliaan van Oostenrijk in Brugge gevangengenomen door opstandige burgers. Een opmerkelijk moment in de geschiedenis, waarin een toekomstige keizer letterlijk machteloos stond tegenover een stad.
Maximiliaan (1459–1519) was een Habsburger die zijn invloed in de Nederlanden te danken had aan zijn huwelijk met Maria van Bourgondië, erfdochter van Karel de Stoute. Na haar vroege dood in 1482 trad hij op als regent voor hun minderjarige zoon Filips de Schone. Zijn positie was echter allesbehalve stabiel.
De Vlaamse steden – en vooral Brugge – waren in die periode rijk, machtig en gehecht aan hun oude privileges en zelfbestuur. Maximiliaan botste frontaal met hen. Hij voerde kostbare oorlogen, vooral tegen Frankrijk, en legde daarvoor zware belastingen op. Tegelijk probeerde hij het bestuur te centraliseren en stelde hij vaak buitenlandse (Duitse) bestuurders aan. Voor veel Vlamingen voelde hij aan als een verre vorst die geld en macht opeiste zonder rekening te houden met lokale belangen.
In januari 1488 kwam Maximiliaan naar Brugge om de onrust te bezweren, maar het liep volledig uit de hand. De bevolking kwam in opstand en nam hem gevangen. Hij werd opgesloten in het Craenenburg-huis op de Markt. Enkele van zijn vertrouwelingen werden gearresteerd en zelfs openlijk geëxecuteerd, terwijl Maximiliaan machteloos moest toekijken – een enorme vernedering voor een vorst.
Na bijna vier maanden gevangenschap werd hij in mei 1488 vrijgelaten, maar alleen onder strenge voorwaarden: hij moest de stedelijke privileges erkennen, beloofde geen nieuwe belastingen zonder toestemming, aanvaardde een regentschapsraad die zijn macht beperkte en liet gijzelaars achter als waarborg.
Die beloften bleken tijdelijk. Zodra hij weer veilig was, riep Maximiliaan buitenlandse troepen te hulp en sloeg hij de opstand hard neer. Brugge werd zwaar gestraft en verloor definitief zijn politieke en economische betekenis. Het machtscentrum verschoof geleidelijk naar Antwerpen.
Ironisch genoeg werd Maximiliaan later keizer van het Heilige Roomse Rijk. Deze episode toont hoe groot de spanning was tussen stedelijke vrijheid en vorstelijke macht — en dat zelfs een toekomstige keizer niet onaantastbaar was.
31.01.2026
Op 30 januari 1972 vond in de Noord-Ierse stad Derry een vreedzame betoging plaats voor burgerrechten. Aan het einde van die betoging openden Britse soldaten het vuur op ongewapende demonstranten. Dertien mensen werden die dag doodgeschoten; een veertiende slachtoffer overleed enkele maanden later aan zijn verwondingen. In totaal werden minstens 26 mensen door kogels geraakt, velen van hen raakten zwaar gewond.
Onder de dodelijke slachtoffers bevonden zich vooral jonge mannen; de jongste was 17 jaar oud. Verschillende slachtoffers werden op laffe wijze in de rug of in het achterhoofd geschoten, sommigen terwijl zij probeerden weg te vluchten of anderen te helpen.
De soldaten behoorden tot het 1ste Bataljon van het Parachute Regiment, onder bevel van luitenant-kolonel Derek Wilford. De latere Saville Inquiry stelde vast dat alle slachtoffers ongewapend waren en dat het gebruik van dodelijk geweld volstrekt ongerechtvaardigd was. De schietpartij vormde een keerpunt en leidde tot een verdere bloedige escalatie van het conflict in Noord-Ierland.
Het duurde bijna veertig jaar voor de Britse autoriteiten hun verantwoordelijkheid erkenden. Pas in 2010 bood de Britse premier David Cameron, namens de Britse regering, officieel excuses aan voor de dood van veertien onschuldige mensen en voor het onrecht dat hun families was aangedaan.
Ik was toen zelf net geen zeventien jaar oud, dezelfde leeftijd als het jongste slachtoffer. Deze gebeurtenissen hebben een diepe indruk op mij nagelaten en mijn engagement in de strijd van de volkeren blijvend beïnvloed.
30.01.2026
Op 28 januari 1898 wordt de dichter en Groot-Nederlands voorman Wies Moens geboren in Sint-Gillis-bij-Dendermonde. Al vroeg sluit hij zich aan bij het AKVS. Hij studeert Germaanse filologie aan de vernederlandste Universiteit Gent en engageert zich in het activisme. Na de Eerste Wereldoorlog wordt hij daarvoor veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf. Tijdens zijn detentie schrijft hij de Celbrieven, die hem ruime bekendheid bezorgen.
Moens komt vervroegd vrij in 1921, maar de gevangenisjaren laten diepe sporen na. Ze maken hem uitgesproken anti-Belgisch en versterken zijn Groot-Nederlandse overtuiging. Vanuit de gevangenis werkt hij mee aan het cultureel tijdschrift Ter Waarheid, uitgegeven door Joris van Severen. Samen zullen zij later het Verbond van Dietse Nationale Solidaristen oprichten, beter bekend als het Verdinaso.
In 1934 neemt Moens afscheid van het Verdinaso wanneer Van Severen zijn Beneluxiaanse ‘nieuwe marsrichting’ aankondigt. Vanaf dan verdiept hij zijn Dietse visie in het maandblad Dietbrand. In 1941 krijgt hij de redactionele leiding over Zender Brussel, maar in 1943 neemt hij ontslag wegens toenemende Duitse inmenging. Voor zijn collaboratie wordt hij bij verstek ter dood veroordeeld.
Moens vlucht naar Nederlands Limburg, waar hij leraar wordt en later directeur van een volkshogeschool in het Limburgse Geleen. Prof. dr. Piet Tommissen situeert Wies Moens ideologisch binnen “de brede konservatief-revolutionaire stroming” van de twintigste eeuw (Wies Moens 1898–1982. Gedenkboek, samengesteld door Erik Verstraete, 1984).
Wies Moens overlijdt in Geleen op 5 februari 1982.
Mijn lievelingsverzen van de dichter Wies Moens:
KORT MANIFEST
Niets van wat overal de velen noemen
geluk en welvaart, heeft me ooit bekoord.
Slechts op die éne wil ik gaarne roemen:
Geen enkle macht te hebben toebehoord,
Die ’t mensenhart houdt voor een koopbaar ding.
Reken mij rustig tot het gild der narren,
gij die om d’uitkomst gnuift van mijn gedrag.
Ik volg mijn ster. Ik laat me niet verwarren
door schijnsel dat maar wisselt, dag op dag,
van stand en kleur, gestalt’ en flonkering.
Twee sneden brood, twee kleine, smalle vissen,
Daarmee ben ik den donker ingegaan.
Bericht van mij zal zijn als in de lissen
het windgeruis. En fluistren af en aan,
dat ik nog levend ben, somtids ook zing.
(Uit “De Verslagene”)
28.01.2026
Op 27 januari 1927 werd te Nitra, toen gelegen in Tsjechoslowakije (het huidige Slowakije), de Slowaakse historicus, politicus en dissident Milan Hübl (1927–1989) geboren.
Hübl was aanvankelijk een vooraanstaand communist en lid van het Centraal Comité van de Communistische Partij van Tsjechoslowakije. Gaandeweg nam hij afstand van het dogmatische marxisme en engageerde hij zich actief voor de rehabilitatie van de slachtoffers van de stalinistische zuiveringen. Als historicus en intellectueel groeide hij uit tot een scherpe criticus van machtsmisbruik en ideologische vervalsing van het verleden.
Tijdens de Praagse Lente van 1968 behoorde Hübl tot de hervormingsgezinde communisten die pleitten voor zogenaamd “socialisme met een menselijk gezicht”. Zijn politieke loopbaan kwam abrupt ten einde na de inval van de troepen van het Warschaupact. In 1969 werd hij uit het Centraal Comité gezet; een jaar later werd zijn lidmaatschap van de partij definitief ingetrokken.
In de jaren zeventig en tachtig was Hübl actief in de oppositie en ondertekenaar van Charta 77. Hij werkte mee aan en publiceerde clandestiene geschriften (samizdat), wat hem zware repressie opleverde. Tussen 1972 en 1976 verdween hij voor bijna vijf jaar in de gevangenis. Na zijn vrijlating werd hij systematisch gemarginaliseerd: hij mocht niet meer publiceren of doceren en werd onder permanent toezicht geplaatst. De jarenlange vervolging tastte zijn gezondheid ernstig aan.
Milan Hübl overleed op 20 november 1989 in Praag, slechts enkele dagen vóór de Fluwelen Revolutie die het communistische regime ten val bracht — een bitter ironisch einde voor iemand die zijn leven lang had gewaarschuwd tegen het uitwissen en vervalsen van het collectieve geheugen.
Een aan hem toegeschreven uitspraak, overgeleverd via Franse bronnen, vat zijn visie op historische uitwissing en culturele ontworteling kernachtig samen:
“Om een volk te doen verdwijnen, begint men met het wissen van zijn geheugen. Men vernietigt zijn boeken, zijn cultuur en zijn geschiedenis. Vervolgens schrijft iemand anders er nieuwe boeken voor, geeft het een andere cultuur en verzint er een andere geschiedenis voor. Langzaam begint het volk te vergeten wie het is en wie het was. De omringende wereld vergeet het zelfs nog sneller.”
Ik gebruik dit citaat bij al mijn lezingen, omdat het treffend weergeeft wat ook Frans-Vlaanderen is overkomen.
27.01.2026
Op 26 januari 1794, tijdens de Franse Revolutie bepaalt in Frankrijk een wetsbesluit dat voortaan “in alle delen van de Republiek het onderwijs in het Frans zal worden gegeven.
Dit betekent het einde van het onderwijs in de streektalen en grensoverschrijdende talen zoals het Nederlands, het Duits, het Catalaans, het Baskisch en het Italiaans, allemaal gesproken op Franse grondgebied.
Een Franstalige onderwijzer, vreemd aan de streek, moet worden benoemd in elke gemeente van het Noorderdepartement. Ambtenaren als bewuste en onbewuste pilaren van de verfransing. Dat is de reden dat tot vandaag jonge ambtenaren in bepaalde vakken nooit in eigen regio te werk worden gesteld. Ben je leraar, of werk je bij de douane, bij de politie, of de ambtenarij in het algemeen is de kans voor een eerste benoeming in eigen streek.
In 1792 kent 42 % van de bevolking in Frankrijk geen Frans. 6 miljoen Fransen spreken helemaal geen Frans en nog, andere miljoen Fransen kunnen de taal alleen maar verstaan.
Aangezien de schoolplicht in 1794 nog niet bestaat – het zal pas in 1880 worden ingevoerd, zal Frankrijk niet onmiddellijk verfransen. Maar de datum van 26 januari 1794 geldt als het signaal van de start van een bewuste linguicide. De Roemeens-Amerikaanse specialist van Frankrijk Eugen Weber stelt evenwel, in zijn boek “Van boeren tot Fransen De modernisering van het Franse platteland 1870-1914” dat de feitelijk taalsituatie van Frankrijk niet zal veranderen tot aan de eerste wereldoorlog.
26.01.2026