Op 25 januari 1902 werd in het Gelderse Arnhem Gerard Knuvelder geboren. Hij was Nederlands literatuurhistoricus en leraar, maar ook non-conformistisch journalist en essayist. Hoewel hij in Arnhem werd geboren, werd hij in opleiding, loopbaan en culturele overtuiging een Brabander. Zijn naam zegt vandaag wellicht nog weinig. Toch was hij de samensteller van het invloedrijke Handboek tot de Geschiedenis der Nederlandse Letterkunde, een vierdelig standaardwerk dat oorspronkelijk verscheen tussen 1948 en 1953 en later herhaaldelijk werd herdrukt.
Tijdens mijn studie Nederlands heb ik talloze uren doorgebracht met dit handboek. Ik las het, ontleedde het en keerde er telkens naar terug. Mijn interesse in de Nederlandse literatuur groeide mee met Knuvelders werk. Gaandeweg raakte ik ook gefascineerd door de man zelf, niet in het minst omdat hij onvermoeibaar ijverde voor toenadering tussen Nederland en Vlaanderen.
Knuvelder studeerde Nederlands aan de Katholieke Leergangen in Tilburg. Al op elfjarige leeftijd publiceerde hij zijn eerste teksten in een plaatselijke krant. Later werd hij leraar Nederlands in Bergen op Zoom en Eindhoven, en rector van het Sint-Joriscollege in Eindhoven.
Tijdens het interbellum groeide hij uit tot een van de prominente figuren van de Nederlands conservatief-revolutionaire Herstelbeweging, samen met Wouter Lutkie en Emiel Verviers. Tussen 1927 en 1944 was hij redacteur, later hoofdredacteur, van het katholieke culturele tijdschrift Roeping. In dat blad verschenen ook bijdragen van Vlaamse auteurs als Hendrik Elias, Jan Brans, Victor Leemans en Wies Moens. Van 1944 tot 1952 werkte hij mee aan het katholieke weekblad De Nieuwe Eeuw.
Knuvelder had een uitgesproken conservatieve signatuur, maar was nooit lid van een politieke partij. Zijn Groot-Nederlandse overtuiging hield hem tijdens de Tweede Wereldoorlog weg van elke vorm van collaboratie. Integendeel: hij werkte mee aan het verzetsblad Het Parool, dat hij kort na de bevrijding zelfs tijdelijk leidde.
Na de oorlog concentreerde hij zich opnieuw op zijn vak: de Nederlandse literatuur. Daarnaast bleef hij zich inzetten voor culturele samenwerking met Vlaanderen. Hij was onder meer voorzitter van het Guido Gezelle-genootschap en secretaris van de Groot-Nederlandse Vereniging in Eindhoven.
Naast zijn gezaghebbende en populaire publicaties over de Nederlandse literatuur schreef hij ook het boek Het rampjaar 1830, waarin hij de breuk tussen Noord en Zuid analyseerde. Het werk verscheen in 1945 en kende vooral in Vlaanderen aanzienlijke weerklank, omdat het de Belgische omwenteling van 1830 vanuit een kritisch Groot-Nederlands perspectief benaderde.
Opvallend is ook zijn visie op Brabant. Knuvelder zag in ‘zijn’ Brabant een sleutelregio voor een hernieuwde Vlaamse-Nederlandse toenadering.
Gerard Knuvelder overleed in Eindhoven op 29 juni 1982.
25.01.2026
Op 24 januari 1947 stierf Felix Timmermans in zijn geboortestad Lier. Voor zijn vrienden was hij de Fee. In zijn tijd was hij de meest gelezen Vlaamse schrijver, ook ver buiten onze grenzen.
In Bouwel, het Kempense dorp waar ik woon, kwam Timmermans graag tot rust. Hij wandelde er langs bossen en duinen, samen met zijn familie. Het vakantiehuisje dat hij hier huurde, droeg de naam “Minneke Poes”. Die naam gaf hij later ook aan een klein, lief verhaal dat ik elke winter opnieuw graag lees.
Gaston Durnez, zijn biograaf, noemde Minneke Poes een eenvoudig maar stralend boekje. Jammer genoeg is het wat vergeten geraakt. Het vertelt over een Kempens dorp, over kleine momenten, over mensen van alledag, en over de seizoenen die voorbijgaan — en de dagen die open en toe gaan.
Vandaag is die stilte bijna verdwenen. Waar vroeger rust was, razen nu auto’s voorbij. Het water werd een recht kanaal voor grote schepen. Hoogspanningslijnen snijden door een landschap dat ooit heide was. Wat toen paradijs was, leeft nu vooral nog in woorden van de Fee.
Als ik Minneke Poes lees, word ik rustig. Dan zie ik weer het dorp van toen: wolken die traag voorbijdrijven, een molen op zondag, een vogel die de stilte doorbreekt. Even lijkt alles weer eenvoudig en vredig.
“Vredig slenteren witte wolken, dik van geluk door de zondagmorgen, aan de vertelselblauwe lucht. De rust rekt zich uit over de mastenbossenlanden, en hangt voldaan van eikeboom tot eikeboom langs de dijken van de edelrechte vaart. Slechts heel ver duikt er een kerktoren op, die nu eens wit en dan weer donker wordt.
De zondag zit ook in de molen, met op zijn rechtstaande wiek een vogelwip voor de boogschutters.
Een distelvink tikt gaatjes in de stilte. En op het glanzend vlies van ’t diepe water, ligt de hemel genietend op zijn rug met waterleliën tussen de vingeren. Een telefoonpaal, die naar schepen riekt, zoemt binnensmonds gazettennieuws.”
(Eerste regels uit ‘Minneke Poes’, 1943)
24.01.2026
Vandaag geef ik een lezing over mijn boek ‘Frans en toch Vlaams – Het verhaal van Frans-Vlaanderen,’ op uitnodiging van ‘De Cultuurmakers’.
(Kortenberg, Auditorium OC Berkenhof – vanaf 19.30 u.)
Zo heet mijn blog: widopedia.eu.
Vanaf dit jaar kan je daar de meeste teksten terugvinden die ik in de loop van een week op Facebook en andere virtuele oorden publiceer. Ook van vorig jaar zijn intussen al tien van de twaalf maanden gearchiveerd. November en december ontbreken nog — daarna is het archief 2025 compleet.
Langere teksten die in papieren media verschenen, neem ik niet integraal op.
Zoek je een oude tekst van uw dienaar?
Met Drie Koningen heb ik de tekst van mijn nieuwste essay afgerond en aan mijn uitgever bezorgd. De definitieve titel moet nog worden gekozen, maar het onderwerp zal niemand verbazen: taal, identiteit en gemeenschap.
Dankzij Petra en Rik heb ik me deze week nog eens grondig beziggehouden met het controleren van alle citaten — om de ultieme hallucinatie te vermijden. Voorwaar geen sinecure. Gelukkig zijn er nog mijn geheugen en een reeks versleten boeken uit mijn bibliotheek die, bij raadpleging, wonderbaarlijk genoeg vanzelf op de juiste pagina openvallen.
Volgende keer pak ik het minder anarchistisch aan: alles netjes noteren, mét bron, pagina en jaartal.
Wat ik leerde van deze oefening:
Ik troost me met de gedachte dat ik de voorbije dagen niet de enige was die hiermee worstelde. Maar een autodidact kan zich geen ultieme hallucinatie permitteren. Dat privilege is voorbehouden aan lange zinnen, moeilijke woorden en een doctoraat op zak.
Meer nieuws over dit boek in wording lees je de komende weken op mijn FB-pagina.
23.01.2026
(en français ci-dessous)
De Nederlandse dichter, schrijver en vertaler Benno Barnard is een taalvirtuoos. Voor hij naar Sussex verhuisde woonde hij ook jaren in Vlaanderen, in de buurt van de taalgrens; Hij spreekt met kennis van zaken over onze gemeenschappelijke taal. Een visie die Vlamingen en Frans-Vlamingen inderdaad best in het oog houden.
Benno Barnard schrijft:
“Nederlands is een huis met vele kamers. Er is niks tegen Vlaamse of Surinaamse woorden en uitdrukkingen die onze gemeenschappelijke taal verrijken, integendeel. Van het sensuele goesting (‘een broek vol’) tot het zinnenprikkelende ‘kuisvrouw’; van het theatrale ‘triestige plant’ tot het bonkige ‘en stoemelings’, dat een geniale improvisatiecultuur onthult – het behoort allemaal tot de weelde van het Nederlands. Maar het is natuurlijk wel nuttig als die taal, met meer dan twintig miljoen sprekers, en mede in Europees verband, inderdaad gemeenschappelijk blijft. Aan nog een Afrikaans hebben we weinig.
U hoeft niet van Hollanders te houden; u mag hun tongval onmelodieus vinden en hun humor als niet-grappig ervaren — ook al zou het heilzaam voor uw taalgevoel en uw algemene ontwikkeling zijn als u de Statenbijbel, de brieven van Gerard Reve en de verhalen van Heer Bommel las. Geheel zoals u verkiest.
Maar u doet er goed aan ons gezamenlijke belang in het oog te houden.”
________________________________________
Le poète, écrivain et traducteur néerlandais Benno Barnard est un virtuose de la langue néerlandaise. Avant de s’installer dans le Sussex, il a également vécu de nombreuses années en Flandre, à proximité de la frontière linguistique. Il parle donc de notre langue commune en connaissance de cause. Une réflexion que les Flamands et les Flamands de France feraient bien de garder à l’esprit.
Benno Barnard écrit :
« Le néerlandais est une maison à plusieurs étages. Il n’y a évidemment rien contre les expressions et mots flamands ou surinamais qui enrichissent notre langue commune, bien au contraire. Du sensuel ‘goesting’ (« plein le pantalon ») à la ‘kuisvrouw’ très suggestive ; et du théâtral ’triestige plant’ au pesant ‘en stoemelings’, voilà qui révèle une culture géniale de l’improvisation — tout cela représentant la richesse du néerlandais.
Mais il est tout de même utile que cette langue, parlée par plus de vingt millions de personnes dans un cadre européen, reste effectivement commune. Une variante supplémentaire ne s’impose pas vraiment : nous avons déjà l’afrikaans.
Vous n’êtes pas obligé d’aimer les Hollandais ; vous pouvez trouver leur accent détestable et leur humour de mauvais goût. Encore serait-il salutaire pour votre maitrise de la langue et aussi, pour votre culture générale, de lire la Bible des États, les lettres de Gerard Reve ou les histoires de Heer Bommel. Sans obligation aucune, cela va de soi.
Mais vous feriez bien de garder à l’esprit notre intérêt commun. »
22.01.2026
Op 21 januari 1944 overleed Gustaaf Schamelhout, arts, antropoloog, etnoloog, schrijver en vrijzinnig Vlaams nationalist. Hij werd in 1869 in Brussel geboren en kreeg aanvankelijk een overwegend Franstalige opvoeding. Tijdens zijn humaniorajaren leerde hij Nederlands, waarna hij al snel zijn weg vond in het Vlaamse studentenleven. Hij werd lid van het vrijzinnige genootschap Geen Taal, Geen Vrijheid en richtte het opvallend genaamde Diets Dispuutgezelschap op.
Schamelhout studeerde geneeskunde aan de Université Libre de Bruxelles (ULB) en specialiseerde zich nadien in Duitsland en Engeland als ftisioloog, een arts gespecialiseerd in tuberculose. Als voortrekker van het literaire tijdschrift Van Nu en Straks werkte hij samen met onder meer Alfred Hegenscheidt, Prosper Van Langendonck en August Vermeylen.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog ondertekende hij het Manifest voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit. Dit engagement kostte hem zijn positie als tuberculosespecialist, waarna hij zich noodgedwongen terugtrok in zijn privépraktijk. Na 1918 verlegde hij zijn aandacht naar zijn grote passie: antropologie en etnologie.
In Vlaanderen was dit toen een vrijwel uniek specialisme, waarmee hij een belangrijke rol speelde in de ontplooiing van de wetenschapsbeoefening. Hij was medeoprichter van de Vereniging voor Wetenschap, werkend lid van het Vlaams Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek en stichtend lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Geneeskunde van België.
Schamelhout specialiseerde zich in de studie van onderdrukte volkeren en hun streven naar zelfbeschikking. Hij publiceerde over de bevrijdingsstrijd van onder meer de Ieren, Catalanen, Tsjechen en verschillende Oostzee- en Balkanvolkeren. Als etnoloog besteedde hij daarbij bijzondere aandacht aan hun etnische samenstelling.
Tussen 1929 en 1932 verscheen zijn driedelige werk ‘De volkeren van Europa en de strijd der nationaliteiten’, waarin hij een Europa beschrijft dat sterk verschilt van het huidige politieke en etnische landschap, vooral in Oost-Europa en de Balkan.
Later publiceerde hij Herkomst en etnische samenstelling van het Vlaamse volk (1936) en Antropologie van het Nederlandse volk (1944). Met de wetenschappelijke inzichten van zijn tijd onderzocht hij daarin de etnische oorsprong en antropologische kenmerken van Vlamingen en Nederlanders. Daarbij weerlegde hij expliciet de racistische stelling van de Brusselse antropoloog Emile Houzé, die Vlamingen als een zogenaamd “inferieur ras” bestempelde.
Schamelhout was niet alleen theoretisch sterk onderlegd, maar ondernam ook talrijke studiereizen doorheen Europa. Door de combinatie van zijn wetenschappelijke werk en zijn engagement voor nationale en culturele vraagstukken nam hij een unieke plaats in binnen Vlaanderen van zijn tijd.
Opmerkelijk is ook dat hij, ondanks zijn goede kennis van Duitsland waar hij had gestudeerd, tijdens de Tweede Wereldoorlog strikt buiten elke vorm van collaboratie bleef. Ook van Duitse zijde was er geen belangstelling: Schamelhouts visie op de diversiteit en het streven naar zelfstandigheid van de Europese volkeren pasten niet binnen de toenmalige ideologische denkkaders van het Derde Rijk.
Gustaaf Schamelhout overleed in Antwerpen in 1944, nog voor het einde van de oorlog.
“Voor de mannen van de Onwenteling waren de gewesttalen overblijfselen van de middeleeuwse verwarring en zij zetten al hun krachten in om ze uit te roeien. Zij maakten geen onderscheid tussen taal en tongval, tussen Bretoens en Provençaals, Vlaams en Waals, Baskisch en Duits. Zover het Frans grondgebied zich uitstrekte, mocht er maar een taal behouden worden, de staatstaal. Toen de Zuidelijke Nederlanden als winstgewest van de Republiek ten deel vielen, voerden de Franse ambtenaren meedogenloos de strijd tegen het Nederlands, met het gevolg dat twintig jaren Franse overheersing noodlottiger voor de taal van de Vlamingen zijn geweest dan twee eeuwen Spaanse en Oostenrijkse heerschappij (…).”
(citaat uit “De volkeren van Europa en de strijd der nationaliteiten, deel 1, blz. 101)
21.01.2026
Op 20 januari 1654 werd in Duinkerke Michiel de Swaen geboren, de belangrijkste dichter en rederijker van de Zuidelijke Nederlanden.
Tijdens zijn leven maakte De Swaen mee hoe zijn geboortestreek door Frankrijk militair werd aangevallen en uiteindelijk veroverd. Toch vertoont zijn werk talrijke sporen van een blijvende liefde en trouw aan de Nederlanden. Dit staat in scherp contrast met zijn tijdgenoot Jan Bart, die ervoor koos de kant van de overwinnaar te kiezen en met Frankrijk samen te werken.
Daarbij zijn evenwel verzachtende omstandigheden op hun plaats: Jan Bart was een kaper die in de eerste plaats voor het geld streed. Frans patriotisme was voor hem geen drijfveer, maar een element dat pas veel later aan de mythevorming rond zijn persoon werd toegevoegd.
In De Zedelijke Dood van Carel den Vijfden schreef Michiel de Swaen:
O prins! dat Nederlant soo roem en zegen rijk,
Het schoonste en beste deel van gheel het Spaensche rijck,
De bloeme van Euroop, den pronk van alle landen.
Zoals duidelijk blijkt, schreef Michiel de Swaen in de zeventiende eeuw in het Nederlands van zijn tijd en niet in het dialect. Het Nederlands, en niet het dialect, was de taal van het onderwijs en dus ook van het schriftelijk gebruik in administratie, literatuur en wetenschap. De streektaal daarentegen was in hoofdzaak een gesproken taal, die Michiel de Swaen en Jan Bart in hun dagelijks leven gebruikten. Dit gold overigens niet alleen voor Frans-Vlaanderen, maar voor de hele Zuidelijke Nederlanden.
20.01.2026
Hierbij een overzicht van mijn programma tot maart.
19.01.2026