Op 2 augustus 1994 overleed schrijver en journalist Valère Depauw in Brasschaat. Hij woonde bijna zijn hele leven in de Kapelhoeve in Sint‑Job‑in‑’t‑Goor, het decor van zijn autobiografische boek Kapelhoeve, laatste haven (1962), maar hij werd geboren in Ronse.
Depauw groeide op in Ronse, in een liberaal‑katholiek, franskiljons gezin. Zijn vader was eigenaar van het textielbedrijf Fabrique de tissus en tous genres Léon Depauw Dierickx. Als kind nam hij zelfs deel aan een betoging tégen de vernederlandsing van de Gentse Universiteit: de tienjarige Valère stapte in 1922 mee met de katholieke turnclub van Ronse.
Maar Depauw keerde zich al vroeg tegen zijn milieu. Later vertelde hij hoe een uitspraak van zijn leraar Frans — “La langue française est la plus belle langue du monde” — hem Vlaamsgezind maakte. Vanaf dat moment koos hij bewust voor de Vlaamse zaak.
Depauw was een van de eerste autobezitters in Vlaanderen. Daardoor werd hij chauffeur én bondgenoot van Flor Grammens tijdens diens taalgrensacties in de jaren ’30. Hij reed Grammens rond, hielp routes plannen en documenteerde de acties. Die periode vormde zijn blijvende inzet voor taalrechten en culturele autonomie.
Zijn bekendste roman is De dood met de kogel (1950), de belangrijkste repressieroman in Vlaanderen. Het boek vertelt over het engagement, het schertsproces en de executie van Leo Vindevogel, de Ronsense burgemeester en enige Belgische volksvertegenwoordiger die na 1945 werd terechtgesteld.
Depauw keek verder dan Vlaanderen. Hij voelde zich sterk verbonden met nationale minderheden in Europa. Over de Bretoenen schreef hij Breiz atao (1964), waarin hij hun taalstrijd en culturele onderdrukking belicht. Hij bezocht Bretagne meermaals en stond in contact met Bretoense activisten. In Opdracht in Guernica (1965) richtte hij zich op de Basken en hun strijd onder het Franco‑regime. Ook daar sprak hij met militanten en volgde processen. Depauw werd zo een van de weinige Vlaamse auteurs die zich actief solidair toonde met deze volkeren.
Valère Depauw blijft bijzonder omdat hij de Vlaamse taalstrijd verbond met de emancipatie van andere Europese minderheden. Zijn werk is een unieke mix van literatuur, journalistiek en engagement.
“Wie zijn volk dient, staat altijd alleen.” — Valère Depauw, De dood met de kogel (1950)
02.08.2026
(En français ci-dessous)
Het is zoals in het Evangelie volgens Thomas: “De splinter in het oog van je broer zie je wel. De balk in je eigen oog zie je niet.”
De Frans-Vlamingen voelen zich miskend door hun Vlaamse “broeders” in België. Onbemind… en, om Édith Piafs liedje te parafraseren: “weggeveegd, vergeten”. Moeten we daar morgen ook nog aan toevoegen: “aangeslagen en belast”?
Vrienden van mij maken zich nu al zorgen over een mogelijk wegenvignet bij onze buren. Ik begrijp dat. Niemand zit te wachten op nieuwe belastingen. Ik ook niet. Daarom heb ik mij trouwens al eerder tegen zo’n vignet uitgesproken.
Maar toch…
Vlamingen en Nederlanders betalen al tientallen jaren — of ze het nu willen of niet — om gebruik te maken van de Franse autosnelwegen. Moeten we onze tegenstanders dan echt een cadeau geven? Door te doen alsof dat vervloekte vignet het einde betekent van de Vlaams-Vlaamse verstandhouding? Of zelfs het einde van de wereld?
Een mening hebben mag. Maar een beetje maat houden mag ook.
Ook ik wil een gratis wegennet voor iedereen. Te beginnen in Frankrijk, waar we al tientallen jaren betalen.
Maar het klopt niet te beweren dat een Frans-Vlaming op jaarbasis meer zou betalen dan bijvoorbeeld een inwoner van Rijsel die tien keer per jaar naar Parijs rijdt.
Ja, deze vragen moeten gesteld worden. Absoluut.
Maar vóór we antwoorden geven, moeten we wel weten waarover we spreken. En vooral vermijden dat we onze tegenstanders argumenten cadeau doen.
Ik verwees naar het Evangelie volgens Thomas. Ik zou ook kunnen verwijzen naar dat typisch Frans-Vlaamse vertrouwen in de bescherming van Sint-Christoffel. Mijn vader zei vóór elke verplaatsing steevast:
“Kijk naar Sint-Christoffel en vertrek gerust.”
Dus ja, ik kijk naar Sint-Christoffel…
Maar ik houd ook de ministers van Financiën in de gaten.
Je weet maar nooit.
(Nederlandse versie hierboven)
C’est comme dans l’Évangile selon Thomas : « La paille qui est dans l’œil de ton frère, tu la vois. Mais la poutre qui est dans ton œil, tu ne la vois pas. »
Les Flamands de France se disent incompris de leurs « frères » flamands de Belgique. Mal-aimés… et, pour paraphraser Édith Piaf : « balayés, oubliés ». Faudra-t-il demain ajouter : « imposés et taxés » ?
De mes amis se désolent déjà à l’idée d’une vignette qui pourrait voir le jour chez nos voisins. Certes, je partage l’idée que nous n’avons pas besoin de taxes supplémentaires et je suis donc opposé à cette vignette en général. Je me suis d’ailleurs déjà exprimé sur la question.
Encore que… les Flamands et les Néerlandais paient, qu’ils le veuillent ou non, depuis des décennies pour emprunter les autoroutes françaises. Faut-il pour autant donner des arguments à nos adversaires en faisant comme si cette foutue vignette représentait la fin des relations flamando-flamandes, voire la fin du monde ?
Il est permis d’exprimer une opinion, mais il est tout aussi permis de garder raison. Moi aussi, je souhaite un réseau routier gratuit pour tous. À commencer par la France, où nous payons déjà depuis des décennies. Mais il est inexact d’affirmer que les Flamands de France paieront davantage sur une année, par exemple, qu’un Lillois qui se rend dix fois par an à Paris.
Oui, ces questions méritent d’être soulevées. Encore faudrait-il, avant d’y répondre, savoir précisément de quoi nous parlons et éviter d’alimenter les arguments de nos adversaires.
J’évoquais l’Évangile selon Thomas. Je pourrais aussi évoquer, avec ou sans vignette, cette croyance si flamande en la protection de saint Christophe, que mon père rappelait avant chaque déplacement : « Regarde saint Christophe puis va-t-en rassuré. »
Alors oui, je regarderai saint Christophe… mais je garderai aussi un œil sur les ministres des Finances.
01.08.2026
Soms kan één woord een heel verhaal vertellen.
De Franse Nederlanden, en meer bepaald Artesië, komen nog eens in het nieuws. Professor Freek Van de Velde stelde voor om de provincie Artois misschien Artoos te noemen. Een verwijzing naar de uitspraak die velen kennen van het bier Stella-Artois.
Een interessante gedachte.
Maar wie luistert naar de streek zelf, hoort nog andere klanken.
In Frans-Vlaanderen en in het vroegere Vlaams Artesië leefde de naam Artesië. Mijn vader, die het Vlaams van Kaaster sprak – vlak bij de schreve – noemde de inwoners van dat gebied Artesers.
En geef toe:
de Artesers die in Artesië wonen… dat klinkt toch logisch.
Cyriel Moeyaert noteerde in zijn Woordenboek van het Frans-Vlaams de vorm Artoois, met de uitspraak ar’tœjs. Een bewijs dat onze streektaal haar eigen klanken had en heeft.
De naam Artesië draagt trouwens een lange geschiedenis mee. Hij verwijst naar de Gallische stam van de Atrebates, met Atrecht als hoofdstad. Het gebied maakte ooit deel uit van Vlaanderen en de Nederlanden, tot het in de zeventiende eeuw bij Frankrijk werd gevoegd.
Ook de taalgeschiedenis van Artesië is boeiend. Het was geen eenvoudig Franssprekend gebied. Eeuwenlang spraken de bewoners vooral het Picardisch. In delen van het gebied klonk ook het Vlaams.
Tussen Ariën aan de Leie en Sint-Omaars (Vlaams Artesië of Artois flamingant) bleef onze streektaal nog tot in de negentiende eeuw aanwezig. Taal verdwijnt immers niet plots. Ze blijft ook voortleven in woorden, namen, uitspraken en herinneringen.
Ook familienamen vertellen een verhaal. De naamkundige Frans Debrabandere vermeldt in zijn Woordenboek van de familienamen in België en Noord-Frankrijk verschillende vormen: Artois, Dartois, D’Artois, Artoys… en inderdaad ook Artoos.
Misschien moeten we dus niet kiezen tussen één juiste vorm.
Artois, Artoos, Artesië… elke naam draagt een stukje geschiedenis mee.
In Leuven mogen ze gerust hun Stella-Artoos drinken.
Zelf kies ik liever voor een lekkere biobier als Pays d’Artois.
Zoals mijn vader het in Kaaster zei:
“Op under gezondhyd!”
31.07.2026
Van Lieve Devijver, weduwe van Willy Kuijpers, kreeg ik enkele boeken over Frans-Vlaanderen cadeau. Ze komen uit de bibliotheek van onze betreurde vriend. Een bijzonder waardevol geschenk, waarvoor ik Lieve erg dankbaar ben.
Twee boeken zijn ingebonden jaargangen van de KFV-Mededelingen. Ideaal om opnieuw te grasduinen in die rijke bron van informatie over het reilen en zeilen in en rond Frans-Vlaanderen. Daarbij doken ook herinneringen op die ik zelf niet meer zo scherp voor de geest had.
Zo organiseerde ik in 1973-1974 een opleiding Nederlands in Kaaster. Met de volle steun van de Vlaamsgezinde burgemeester, mevrouw Gournay-Demey, kreeg ik daarvoor zowat het hele gemeentehuis ter beschikking. Haar vader was bevriend met Jean-Marie Gantois en was een vooraanstaand lid van het Vlaams Verbond van Frankrijk.
De cursus maakte deel uit van de vrije opleidingen van het Komitee voor Frans-Vlaanderen. Het KFV zorgde voor het lesmateriaal, de leraren en de vergoedingen. Zelf nam ik de lessen in Kaaster voor mijn rekening, af en toe geholpen door Cyriel Moeyaert, die graag bijsprong wanneer dat nodig was.
In de KFV-Mededelingen lees ik dat de opleiding twaalf cursisten telde in het eerste niveau en zeven in het tweede. Dat waren de volhouders. Oorspronkelijk waren er meer: een vijftiental in het eerste niveau en een tiental in het tweede. Ik werkte het liefst met de cursisten die echt gemotiveerd waren. De anderen hield ik niet tegen.
Enkele namen springen vandaag nog altijd in het oog: gemeentesecretaris Michel Leschaeve, Jean-Paul Couché – later de bezieler van de Akademie voor Nuze Vlaamsche Taele – en Jean-Charles Decoopman.
Toen ik in de tweede helft van 1974 naar Nederland en Vlaanderen vertrok om mijn taalervaring te verdiepen, droeg ik de opleiding over aan… Jean-Paul Couché en Jean-Charles Decoopman.
Ik herhaal: de opleiding Nederlands. Niet West-Vlaams.
De proef op de som staat zwart op wit in de KFV-Mededelingen (jaargang 4, nr. 3, december 1976, blz. 33). Daar schrijft Jean-Charles Decoopman:
“Sinds die dag onderwijs ik de Nederlandse taal in Kaaster, met de hulp van mijn vriend Jean-Paul Couché.”
Duidelijker kan moeilijk. Twee jaar na mijn vertrek werd in Kaaster dus nog altijd Nederlands onderwezen. Dat blijkt uit de KFV-Mededelingen zelf. De bewering dat het om een opleiding West-Vlaams zou zijn gegaan, vindt daarin alvast geen bevestiging. Als ik me niet vergis, heeft het KFV tijdens zijn bestaan alleen opleidingen Nederlands georganiseerd en niets anders.
De Nederlandse schrijver Toon Kortooms wist het al:
“Ver weg liegt lekker.”
30.07.2026
Met veel genoegen nodig ik u uit voor de voorstelling van mijn nieuwste essay:
📖 TAALMOORD. Over taal, identiteit en gemeenschap
📅 Wanneer?
Woensdag 2 september 2026 om 19.30 uur
📍 Waar?
Oranjezaal – Bibliotheek Kortrijk
Leiestraat 30, Kortrijk
🎙️ Tijdens de voorstelling ga ik in gesprek met prof. Freek Van de Velde, hoogleraar historische taalkunde aan de KU Leuven, en Geert Bourgeois, gewezen Vlaams minister-president en voormalig lid van het Europees Parlement.
🎤 Moderator: Flip Feyten, voormalig VRT-journalist.
Mijn Facebook-lezers zijn uiteraard van harte welkom.
Ik hoop u op 2 september in Kortrijk te mogen begroeten voor een boeiende avond over taal, identiteit en gemeenschap.
Graag tot dan!
29.07.2026
Mijn kort bezoek aan Duitsland brengt me tot enkele overpeinzingen over identiteit en samenleving in dit land.
Voor mijn observatie van de samenleving heb ik enkele vaste criteria. Een is – mijn afkomst getrouwe- ‘de verdwijning van de Heimat’. Opvallend aan de Moezel: Ook in de meeste kleine dorpen langs de Moezel zijn alle basisbehoeften verdwenen: geen bakker meer, geen beenhouwer, geen apotheker, en zelfs geen supermarkt. Hier zijn alleen wijnboeren en wijnkelders een basisbehoefte 😊. Winkelen voor het essentieel betekent dus de wagen nemen, soms meer dan 10 km verder. Ik heb dit fenomeen als het opgeven van het plattenland beschreven, en dat is het helemaal. In Frankrijk zie je dat, bij ons in de Westhoek. En ook in Duitsland dus.
SAMENSTELLING VAN DE BEVOLKING
Een andere observatie in de samenstelling en verspreiding van de bevolking vanuit mijn belangstelling voor volkeren en etnische groepen. Ik zag op bepaalde plaatsen veel mensen. Maar opvallend genoeg, in vergelijking met Vlaanderen, weinig hoofdoeken en vreemdelingen aan de Moezel. Ik telde op acht dagen één Sikh achter een etalage, personeel van gemengde afkomst -waaronder vriendelijke en gedienstige Aziaten -tussen het personeel van restaurants en hotels, en welgeteld twee hoofddoeken met kinderen in een stadje. Ik vergat nog enkele schaarse jongens op hun fat bike.
Wat mag ik voorzichtig hier uit concluderen? dat Duitsland zich nog niet bezighoudt met de verplichte spreiding van vreemdelingen in elke dorp en gemeente van het land zoals dat het geval is in Vlaanderen. Blijkbaar is de methode van ieder gemeente zijn verplichte contingent mensen van vreemde afkomst een typische Belgische fenomeen.
Ik stel me over deze politiek van bij ons meer en meer vragen: is dit de Belgische werkwijze om de Vlaamse meerderheid en samenhorigheid te doorbreken? is dit een slinkse methode om de democratische opkomst van conservatieve krachten tegen te gaan ; is dit kortom een bewuste destabilisering in de diepte van onze samenleving? Of laten onze vetbetaalde politici door Europa zich van alles door de strop duwen terwijl de grotere landen en tegenovergestelde toepassen van wat ze moreel verkondigen? Van dit alles een beetje voorzekers…
28.07.2026
Een journalist van de Noord-Franse krant La Voix du Nord, Pierre-Laurent Flamen – let op de familienaam – schreef op 25 juli een merkwaardig, maar tegelijk onthullend stuk over onze taal over de Schreve.
Hij vertelt over een bezoek aan een apotheek in Rijsel. De winkel zit vol. Het aanschuiven duurt eindeloos. Hij vangt flarden op van een gesprek. Volgens hem gaat het om een bijzonder taaltje: ‘Frans met een Belgisch accent’. Dat zou ook de reden zijn voor de lange wachtrij. ‘Het zijn Vlamingen die hun dialect spreken’, schrijft hij. Hij voegt eraan toe dat zij cosmetica in Rijsel komen kopen omdat in Vlaanderen alle winkels gesloten zijn wegens 21 juli.
Zo’n staaltje van arrogante onkunde lokt terecht verontwaardiging uit bij Frans-Vlamingen. Maar tegelijk moeten zij ook in eigen boezem kijken. Jarenlang hebben sommigen zelf de spraakverwarring gevoed. Als het Vlaams van de Westhoek wordt voorgesteld als een aparte regionale taal, los van het Nederlands, en het Nederlands zelfs als een vreemde taal wordt beschouwd, dan hoeven we niet verbaasd te zijn dat een journalist niet meer weet waarover hij schrijft.
De werkelijkheid is nochtans eenvoudig. Het Nederlands is de taal van 25 miljoen Europeanen. Het Vlaams van de Westhoek is een van de streektalen van dat Nederlands. Niet meer, maar ook niet minder.
Ik val in herhaling, omdat de boodschap blijkbaar nog altijd nodig is. Zolang Frans-Vlamingen de verwarring zelf blijven voeden en zolang de Vlaamse en Nederlandse overheid – met de Taalunie voorop – weigeren het Nederlands in Noord-Frankrijk zichtbaar en bekend te maken, zullen dit soort dwalingen blijven opduiken. Niet alleen in La Voix du Nord, maar ook in kringen die beweren het Vlaams te verdedigen.
De leuze van de vereniging Hekkerschreeuwen, die Jan Pol Sepieter en ik in 1973 bedachten, blijft daarom actueler dan ooit:
“Ons Vlaamsch is een dialect van het Nederlands, de taal van 25 miljoen Europeanen.”
In augustus verschijnt mijn essay TAALMOORD. Over taal, identiteit en gemeenschap. Het vertelt hoe en waarom ik als Frans-Vlaming Nederlands heb geleerd, en waarom taalverlies nooit alleen over woorden gaat, maar ook over identiteit, geschiedenis en gemeenschap.
27.07.2026
📖 TAALMOORD
Over taal, identiteit en gemeenschap
📅 2 september 2026 – 19.30 uur
📍 Officiële boekvoorstelling in de Bibliotheek Kortrijk, Oranjezaal, Leiestraat 30
💬 Ik ga in gesprek met prof. Freek Van de Velde, hoogleraar historische taalkunde aan de KU LEUVEN , en Geert Bourgeois, gewezen minister-president van Vlaanderen en voormalig lid van het Europees Parlement. Moderator is Flip Feyten, voormalig VRT-journalist.
📝 Vooraf inschrijven is noodzakelijk via de webstek van uitgeverij Ertsberg.
📅 5 september 2026 – 17 uur
🎤 Lezing voor de Andries Stevenkring.
💬 Ik beantwoord de vragen van voorzitter Damien Top (in het Frans).
📍 Eresalon, stadhuis van Kassel.
📅 6 september 2026 – vanaf 12.30 uur
🥂 Eregenodigde op het jaarlijkse banket van de Michiel de Swaenkring.
📖 Tweetalige presentatie van mijn boek.
📍 Restaurant Le Sauvage, Grote Markt 38, Kassel.
📅 8 september 2026 – 19.30 uur
🎤 Lezing voor de Marnixring Diest Oranjestad.
📍 Kookstudio Asdonk, Steenovenstraat 3, 3980 Tessenderlo-Ham.
📅 18 oktober 2026 – 9.00 tot 16.00 uur
📚 Aanwezig met een boekenstand op de Historische Boekenbeurs Vlaamse Beweging.
📍 Duffelsesteenweg 145, Kontich.
✅ Toegang is vrij.
📅 13 november 2026 – 19.00 uur
🎤 Lezing voor de Orde van den Prince, afdeling Gent Prinsenhof.
📍 Salons ’t Groenhof, Melle.
📅 27 november 2026 – 14.00 uur
🎤Lezing voor het Seniorenforum Antwerpen
📍Amerikalei 98 Antwerpen.
27.07.2026