Het wordt me dikwijls gevraagd tijdens mijn lezingen: welke Frans-Vlaamse verenigingen en groepen verdienen onze steun. Ieder zingt als hij gebekt is en de gedachten zijn vrij. Op zo een vraag antwoord ik met de criteria die ik zelf hanteer. Ik maak een onderscheid tussen:
Enerzijds:
verenigingen en activiteiten die eng Frans-regionalistisch denken – groepen die blijven steken aan de Frans-Belgische grens, uit angst voor de buren – Lobby’s die het Vlaams dialect promoten ten koste of tegen de standaardtaal – mensen die onze identiteit reduceren tot goedkope folklore voor de eendagstoerist.
Anderzijds:
verenigingen en activiteiten die gaan voor de promotie van het Nederlands, naast de streektaal en die de erkenning van het Nederlands als regionale taal en als taal van de buren steunen – groepen die wel over de schreve heen kijken richting Vlaanderen en Nederland – mensen die niet eng Frans-regionalistisch of nationalistisch denken en de Nederlandse Gedachte zien als een culturele en economische uitweg voor Frans-Vlaanderen.
Dat zijn, samengevat, mijn criteria en dat is wat ik antwoord als me de vraag wordt gesteld.
Naar de woorden van Maurits Sabbe (1873–1938) voeg ik eraan toe: het Nederlands verenigt, het dialect verdeelt. Het is onze taak om te bouwen aan een gemeenschap die verder kijkt dan de grens.
18.01.2026
Architect Renaat Braem noemde België ooit ‘het lelijkste land ter wereld’. Een uitspraak die hij zelf niet altijd tegensprak met zijn stalinistische ontwerpen, maar die vandaag in Vlaanderen nog steeds pijnlijk herkenbaar klinkt. Veel steden en gemeenten blijven worstelen met lintbebouwing, ruimtelijke wanorde, façadepolitiek en de gestage afbraak van landschappelijk, industrieel en architecturaal patrimonium.
In mijn dagelijkse rubriek wil ik voortaan meer aandacht geven aan dat patrimonium, en aan wat ik onderweg tegenkom tijdens mijn wandelingen. Vandaag: Herentals, zogenaamd de poort van de Kempen.
Herentals beschikt nog over waardevolle resten van haar beschermde middeleeuwse aardevesten, waaronder twee stadspoorten uit de 16de eeuw. Een deel van die vesten ligt op de voormalige Francescosite: schoolgebouwen, klooster en gronden van de Zusters Franciscanessen, inmiddels vrijgegeven voor projectontwikkeling door de internationale ontwikkelaar LIFE.
In een artikel van lokaal journalist Marc Helsen was sprake van grootse plannen. Volgens CEO Toon Haverals zou “het uitzicht van Herentals voor honderd jaar veranderen.” Nieuwsgierig naar de stand van zaken ging ik ter plaatse kijken. Ik volgde de vestenwandeling van aan de kerk tot het Begijnhof.
Net voorbij de Bovenpoort, aan het begin van de Nonnenvest – let op de naam – wachtte een onaangename verrassing: een ruw uitgegraven doorgang dwars door de geklasseerde vesten, bedoeld voor werfverkeer. De aannemers zagen blijkbaar geen andere oplossing dan een weg te forceren door een beschermde middeleeuwse aarden omwalling uit de 16de eeuw.
Is dit wat men bedoelt met “het uitzicht van Herentals voor honderd jaar veranderen”?
Daarbovenop komt de collaterale schade. Wanneer overheid en bedrijven geen respect tonen voor erfgoed, volgt de burger vaak hetzelfde voorbeeld. Of beter: het gebrek eraan. Kijk naar de foto’s: links en rechts van de beschadigde vest is een ware vuilnisbelt ontstaan, met afvalzakken en allerhande rommel. En dit op nauwelijks vijfhonderd meter van het stadscentrum én het administratief centrum van de stad.
De vraag is hoelang het stadsbestuur – de coalitie Vooruit–N-VA – de ogen gesloten houdt. En vooral:
En tot slot: waar is het toezicht van de Vlaamse overheid in dit dossier?
17.01.2026
Op 16 januari 1955 liep de feestzaal van Sint-Janskapel in Frans-Vlaanderen vol voor het allereerste optreden van het Volkstoneel voor Frans-Vlaanderen, onder leiding van Flor Barbry (1921-1986).
Voor die eerste voorstelling koos men een werk van Felix Timmermans: En waar de sterre bleef stille staan, in de Westhoektaal omgezet door onze goede vriend Djoos Utendoale, alias pater Joris Declercq (1921-1981).
Het was een tijd waarin de zalen nog volliepen met Frans-Vlamingen, een tijd waarin iedereen iedereen nog Vlaamsch kon klap’n en verstaan.
Het blijft jammer dat de verdedigers van het Frans-Vlaamse dialect nooit de schrijftaal van Djoos Utendoale hebben overgenomen. Dat was niet alleen spijtig, maar ook onverstandig. Djoos was taalkundige en wist waarover hij sprak.
Hij schreef de gesproken taal van de Westhoek op een manier die alle klanken en nuances onmiddellijk weergaf. Wat je las, kon je meteen uitspreken. Zonder archaïsche schrijfwijzen, zonder de ballast waarmee men vandaag onze streektaal in Frans-Vlaanderen dreigt te doen zinken.
Zijn taalstrijd was niet tegen het Nederlands, maar voor de volkstaal.
De toneelvereniging van wijlen Flor Barbry is vandaag nog altijd kwik en gezond – op zich al een unieke prestatie, gedragen door meerdere generaties. Opmerkelijk is ook dat er nog steeds afstammelingen van Flor Barbry bij de groep betrokken zijn.
Wie het Volkstoneel voor Frans-Vlaanderen nog in Frans-Vlaanderen wil beleven, kan terecht op volgende speeldata:
Katsberg – 17/01
Gijvelde – 18/01
Boeschepe – 24/01
Noordpene – 25/01
Rexpoede – 01/02
Pitgam – 08/02
Bray-Duinen – 15/02
Belle – 22/02
En uiteraard ook op verschillende locaties in West-Vlaanderen.
👉 Meer info op de webstek van Flor Barbry’s Volkstoneel voor Frans-Vlaanderen.
16.01.2026
Op 15 januari 1929 verscheen het eerste nummer van de tijdschriften De Torrewachter en Le Lion de Flandre. Beide waren nieuwe uitgaven van het Vlaams Verbond van Frankrijk. Ze vulden het vacuüm dat was ontstaan na het verdwijnen van Le Beffroi de Flandre, een eerdere publicatie van de Vlamingen in Frankrijk.
Jean-Marie Gantois was vanzelfsprekend de initiatiefnemer en de stuwende kracht achter beide bladen. Voor De Torrewachter, geschreven in het Nederlands en in het Vlaamsch, kon hij rekenen op de steun van zijn vriend Marcel Janssen. Daarnaast leverden Vlaams- en Nederlandstalige leden van het Verbond geregeld bijdragen. Namen als Renaat Despicht, Romain van de Meule, Camille Looten, Albert van Hoyweghen en Renaat Schodduyn doken op als gewaardeerde, zij het occasionele, medewerkers.
Nog meer dan bij De Torrewachter nam Gantois bij Le Lion de Flandre het leeuwendeel van het werk op zich. Een van de belangrijkste medewerkers achter de schermen was Nicolas Bourgeois. Tal van artikels verschenen onder uiteenlopende schuilnamen en waren van de hand van Gantois, van Bourgeois, of van beiden samen. Bourgeois vertelde me later dat hij met Gantois had afgesproken dat zijn teksten vrij mochten worden aangepast, herschreven of aangevuld of – onder een andere naam verschijnen -naargelang de noden en de inspiratie van het moment. Naast vaste schuilnamen werden daarom ook pseudoniemen gebruikt telkens wanneer twee of meer personen bij een tekst betrokken waren. Dat maakt het vandaag onmogelijk om één auteur aan één artikel te koppelen.
Het gebruik van schuilnamen had onmiskenbaar ook met veiligheid te maken. Gantois was priester en moest zich bewegen binnen de grenzen van de kerkelijke hiërarchie. Bourgeois was een hoge ambtenaar, secretaris van de voorzitter van de Parijse gemeenteraad, en kon zich veel permitteren, maar niet alles. Ook in zijn professionele leven maakte Bourgeois overvloedig gebruik van pseudoniemen, als ghostwriter voor politici en hoogwaardigheidsbekleders van allerlei pluimage. Voor beiden gold dat schrijven over Vlaanderen en de Nederlanden zonder grenzen niet zonder risico was in het jacobijnse Frankrijk van toen — en, vergeet dat nooit beste lezer, ook niet van nu.
In tegenstelling tot wat sommige historici later hebben beweerd, is het allerminst vanzelfsprekend dat schuilnamen die door Gantois werden gebruikt of opgeëist automatisch betekenen dat de teksten ook uitsluitend van zijn hand waren. Net als bij Le Lion de Flandre gold, volgens de getuigenis van Nicolas Bourgeois, dat een pseudoniem meestal wees op collectief werk, met meerdere auteurs en soms ook vertalers. Dat geldt ook voor sommige van zijn publicaties in boekenvorm. Tijdens het proces tegen het Vlaams Verbond is men nooit volledig tot klaarheid gekomen over wie precies achter welke schuilnaam zat.
Ook Vlaamse historici hebben — met alle respect — achteraf maar al te gretig de naam van Gantois, en van Gantois alleen, gekleefd op alle gevoelige publicaties uit die periode. Vandaag blijkt dat, op zijn zachtst gezegd, een bijzonder kort-door-de-bochtbenadering. Zo gaat dat wanneer historici menen dat zij geen geschiedenis hoeven te schrijven door de tijdsgeest te begrijpen, maar liever, met het morele vingertje in de aanslag, de processen van de Franse jacobijnse inquisitie telkens opnieuw opvoeren.
15.01.2026
Le bruit court dans les chaumières — et même au-delà — que le père fondateur de l’AVNT ne goûterait plus guère aux petites phrases. Surtout à celle-ci :
Le néerlandais est la forme moderne du dialecte flamand.
Étrange amnésie. Je me souviens pourtant d’une époque où il incarnait lui-même cette vérité, corps et âme. C’était vers 1973-1974, lorsqu’il suivait en élève appliqué mon cours de néerlandais à Kaaster.
À l’époque — faut-il le rappeler ? — il n’existait à Kaaster aucun autre cours que des cours de néerlandais. Ni folklore de façade, ni nostalgie incantatoire : du néerlandais. Des témoins vivent encore. Des écrits aussi. Hélas pour certains.
C’est Jean Giono, qui écrivait quelque part :
Pour bien mentir, il faut beaucoup de sincérité.
Et puisque les petites phrases dérangent, poursuivons.
Dix petites phrases et un playdoyer pour le néerlandais.
Le néerlandais est la forme moderne du dialecte flamand.
J’invite tous les amoureux du flamand occidental et du néerlandais à ne pas tomber dans le piège du jacobinisme linguistique et d’utiliser ces petites phrases à bonne escient.
Refuser le néerlandais au nom du flamand occidental, c’est prétendre aimer une langue tout en refusant qu’elle vive.
Le reste n’est pas un combat culturel. C’est un enterrement — avec un beau discours, mémoire sélective et fleurs artificielles.
Het gerucht gaat rond in de Vlaamse huiskamers — en zelfs daarbuiten — dat de stichtende vader van de AVNT niet langer gesteld is op kleine zinnetjes.
Vooral niet op dit:
Het Nederlands is de moderne vorm van het Vlaamse dialect.
Vreemde geheugenstoornis. Ik herinner me nochtans een tijd waarin hij deze waarheid zelf belichaamde, met hart en ziel. Dat was rond 1973–1974, toen hij als ijverige leerling mijn lessen Nederlands volgde in Kaaster.
In die tijd — moet ik het echt nog herhalen? — bestonden er in Kaaster geen andere lessen dan lessen Nederlands. Geen folkloristisch decor, geen bezwerende nostalgie: gewoon Nederlands. Er leven nog getuigen. En er bestaan ook teksten. Helaas voor sommigen.
Het was de Franse schrijver Jean Giono die ergens schreef:
Om goed te liegen, is veel oprechtheid nodig.
En aangezien kleine zinnetjes blijkbaar storen, gaan we vrolijk verder.
Tien kleine zinnetjes en een pleidooi voor het Nederlands
Ik nodig alle liefhebbers van het West-Vlaams en het Nederlands uit om niet in de val van het taalkundig jacobinisme te trappen en deze kleine zinnen doelbewust te gebruiken.
Het Nederlands weigeren in naam van het West-Vlaams,is beweren dat men van een taal houdt en haar tegelijk het recht ontzeggen om te leven.
De rest is geen culturele strijd. Het is een begrafenis —met een mooie toespraak, selectief geheugen en kunstbloemen.
14.01.2026
Groenland is het grootste eiland ter wereld, maar het grootste deel wordt bedekt door een permanente ijskap en is onbewoonbaar. Menselijke aanwezigheid was daarom zeer beperkt en geconcentreerd langs de kusten. Al duizenden jaren vóór de komst van Europeanen leefden er inheemse volkeren, de voorouders van de huidige Inuit, in kleine, verspreide kustgemeenschappen.
Deze groepen ontwikkelden een levenswijze volledig aangepast aan het Arctische milieu. Door jacht op zeezoogdieren, visserij en het gebruik van kajaks, sledes en warme kleding konden zij overleven. Het binnenland bleef leeg; menselijke bewoning was plaatselijk, schaars en kwetsbaar.
Rond 985 bereikten Noorse Vikingen Groenland vanuit IJsland. Erik de Rode vestigde zich aan de relatief milde zuidwestkust, waar de Oostelijke Nederzetting (Østerbygden) en later de Westelijke Nederzetting (Vesterbygden) ontstonden. De nederzettingen besloegen slechts een zeer klein deel van het eiland. De Vikingen leefden van landbouw, veeteelt, jacht en handel, en maakten deel uit van het Noorse handels- en kerksysteem.
Vanuit Groenland trokken de Vikingen verder westwaarts. Rond het jaar 1000 bereikte Leif Eriksson, zoon van Erik de Rode, het gebied dat bekend staat als Vinland, waarschijnlijk het huidige Newfoundland in Canada. Deze reizen vormen het eerste gedocumenteerde Europese contact met Noord-Amerika.
De Vinland-reizen laten ironisch zien dat Groenland destijds niet aan de rand van de wereld lag, maar juist een vertrekpunt was. Historisch gezien was het dus niet Amerika dat Groenland bereikte, maar Groenland dat Europa naar Noord-Amerika bracht — precies de twist die de titel benadrukt.
De Vikingkolonies bleven ongeveer vijf eeuwen bestaan, maar verdwenen in de 15e eeuw. Waarschijnlijke oorzaken zijn klimaatverslechtering (de Kleine IJstijd), economische achteruitgang, isolement en mogelijk spanningen met de Inuit. Later herbezochte gebieden waren verlaten; alleen de kustbewoning van de Inuit bleef bestaan.
In de 19e eeuw groeide de wetenschappelijke interesse in Groenland. Fridtjof Nansen (1861–1930), Noorse poolreiziger en wetenschapper, leidde in 1888 de eerste geslaagde oversteek van de ijskap. In zijn boek ‘Paa ski over Grønland’ beschreef hij het landschap, de enorme schaal van het ijs en de Inuit, voor wie hij veel respect toonde. Groenland was voor hem geen economisch bezit, maar een wetenschappelijk en cultureel belangrijk gebied, met beperkte menselijke aanwezigheid.
Na de Vikingtijd bleef Groenland onder Noorwegen vallen. Toen Noorwegen en Denemarken politiek verbonden raakten, kwam Groenland onder Deens bestuur. Deze historische lijn — van Vikingkolonies naar Deense soevereiniteit — verklaart de huidige positie van Groenland binnen het Koninkrijk Denemarken, met verregaande autonomie.
Groenland kende door de eeuwen heen beperkte menselijke aanwezigheid, voornamelijk langs de kusten. Inuit, Vikingen en wetenschappers zoals Nansen laten zien dat het eiland meer is dan een uitgestrekt ijslandschap: het is een historisch en cultureel landschap. Als Groenland, net als de Vikingen, de weg van de vrijheid kiest, welke prijs is Europa dan bereid te betalen?
13.01.2026
Op 12 januari 1882 werd de protestantse auteur Abraham Hans in Sint-Maria-Horebeke geboren. Dit idyllische dorpje in de Vlaamse Ardennen stond bekend om zijn kleine maar historisch belangrijke protestantse gemeenschap, een enclave die gedurende meer dan 450 jaar standhield in overwegend katholiek gebied. Zijn protestants-Nederlandse afkomst zou een blijvend element vormen in zijn natuurlijke aanleg als volksverteller en schrijver, en uiteraard ook in zijn levenshouding, ethisch denken en zakelijke inzichten, die van hem een uitzonderlijke figuur maken in het schrijverslandschap van zijn tijd.
Abraham Hans volgde een onderwijzersopleiding in Vlaanderen en Nederland, wat uitzonderlijk was voor zijn tijd. Hij studeerde in Doetinchem en Arnhem in Nederland en in Gent, met als doel diploma’s te behalen die hem toelieten zowel in Nederland als in België onderwijs te geven. Die grensoverschrijdende opleiding verruimde zijn culturele en taalkundige blik en droeg bij tot zijn blijvende belangstelling voor grensgebieden en overgangsregio’s.
Na zijn studies was Hans actief als onderwijzer. Tegelijk ontwikkelde hij zich tot journalist en schrijver. Hij stond bekend om zijn uitzonderlijk vlotte en productieve pen: hij schreef snel, helder en verhalend, met een groot gevoel voor ritme en vertelbaarheid. Zijn stijl was bewust toegankelijk en gericht op een breed publiek, wat hem tot een van de meest gelezen Vlaamse volksauteurs van zijn generatie maakte.
Vanaf het begin van de twintigste eeuw publiceerde Abraham Hans een omvangrijk oeuvre van romans, volksverhalen, schetsen, biografieën en reisindrukken. Zijn werk stond in het teken van Vlaamse bewustwording, volksopvoeding en morele verantwoordelijkheid. Literatuur moest volgens hem begrijpelijk zijn en het volk versterken, niet vervreemden.
Een deel van zijn volksverhalen speelt zich af in de Westhoek, een streek die hem sterk aantrok door haar landschap, geschiedenis en volksgeloof. In deze verhalen verweefde hij lokale sagen, bijgeloof en historische herinneringen met herkenbare menselijke conflicten. Bekende voorbeelden zijn De heksen van de Kemmelberg en Nikolaas Zannekin, waarin de Westhoek aan weerszijden van de schreve fungeert als decor én als drager van een eeuwenoud volksverbeeldingsleven. Daarmee droeg Hans bij tot de literaire verankering van de Westhoek als mythisch en historisch beladen gebied.
Daarnaast verwierf hij grote bekendheid met zijn jeugdliteratuur, vooral met de reeks De Hansjes, waarvan hij er naar schatting 745 zelf schreef. Deze verhalen waren gericht op jonge lezers en combineerden avontuur met morele en opvoedende elementen. De Hansjes kende een brede verspreiding en werd vaak gelezen in gezinnen en scholen, wat zijn reputatie als volksschrijver en pedagoog versterkte.
Een uitgesproken aandachtspunt in zijn volwassen werk was het lot van de Nederlandse taal en cultuur extra muros, vooral in Frans-Vlaanderen en Zeeuws-Vlaanderen. Dat engagement kreeg zijn duidelijkste vorm in Fransch-Vlaanderen en Zeeuwsch-Vlaanderen. Reisindrukken (1913), waarin hij de taaltoestand, het volksleven en de culturele achterstelling van deze gebieden beschreef. Dit boek is deels een samenvatting van verschillende teksten die hij eerder publiceerde in de Vlaamsche Gazet. Ook hier voel je de aantrekkelijke werkwijze van de auteur, die als een reporter te werk gaat: ter plaatse gaan kijken, observeren en met mensen spreken om te trachten te begrijpen hoe de situatie ter plaatse werkelijk is.
Tijdens en na de Eerste Wereldoorlog bleef Hans actief als schrijver en publicist. Hij behandelde thema’s als oorlog, verlies, identiteit en volksleven, steeds vanuit de overtuiging dat literatuur een maatschappelijke en opvoedende taak had. Hij bekleedde geen academische of politieke functies, maar fungeerde als cultureel bemiddelaar tussen geschiedenis, taal en het brede publiek.
Abraham Hans overleed op 26 augustus 1939, kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Hij liet een omvangrijk oeuvre na dat in zijn tijd een zeer groot lezerspubliek bereikte, maar later grotendeels uit de literaire canon verdween.
Vandaag wordt hij herinnerd als een kenmerkende vertegenwoordiger van de Vlaamse volksliteratuur van het begin van de twintigste eeuw, als een bevlogen pedagoog en verteller, en als een auteur die zowel Frans-Vlaanderen als de Westhoek een duidelijke plaats gaf in de Nederlandstalige literatuur.
12.01.2026
Jan Achten
20.01.2026 - 11:22Ik ben tweetalig opgevoed, Nederlands en Nederlands-Limburgs en daar ben ik trots op. Ik heb daardoor een beter taalgevoel dan de randstedeling.