Een zomerse cultuuruitstap van Marnixring Land van Rijen bracht ons vandaag naar twee uitzonderlijke plekken in Antwerpen die doorgaans verborgen blijven voor het grote publiek.
In de voormiddag kregen we een unieke inkijk in het depot van het Museum voor Schone Kunsten. In de ondergrondse bewaarplaatsen – de verborgen schatkamer van de Antwerpse kunstcollectie – ontdekten we hoe meer dan tweeduizend kunstwerken onder optimale omstandigheden worden bewaard wanneer ze niet tentoongesteld zijn. Een fascinerende blik achter de schermen van een van onze belangrijkste musea.
In de namiddag wachtte een tweede hoogtepunt: een bezoek aan het prachtige Antwerpse stadhuis. Onder de deskundige en begeesterende begeleiding van Paul Cordy maakten we kennis met de rijke geschiedenis, de indrukwekkende zalen en het bijzondere erfgoed van dit iconische gebouw.
Het werd een boeiende dag vol kunst, geschiedenis en verrassende ontdekkingen.
Hieronder enkele sfeerbeelden.











18.07.2026
Op 17 juli 1912 overleed in Parijs de Lotharingse wiskundige, natuurkundige, ingenieur en wetenschapsfilosoof Henri Poincaré. Hij werd geboren in Nancy (Nanzig) op 29 april 1854.
Poincaré geldt als een van de grootste wetenschappers van zijn tijd. Met zijn baanbrekende werk legde hij mee de grondslagen van de moderne wiskunde en de theoretische natuurkunde en wordt hij vaak beschouwd als een pionier van de chaostheorie.
Ter gelegenheid van de viering van de 75ste verjaardag van de Université libre de Bruxelles (ULB) sprak hij op 19 november 1909 woorden uit die vandaag nog altijd verrassend actueel klinken:
“Het denken mag zich nooit onderwerpen, noch aan een dogma, noch aan een partij, noch aan een hartstocht, noch aan een belang, noch aan een vooroordeel, noch aan om het even wat, maar uitsluitend aan de feiten zelf. Want zich onderwerpen betekent het einde van alle denken.”
17.07.2026
Mijn kleinzoon, die in Nederland woont, hoorde onlangs dat Vlaanderen vanaf mei 2027 een wegenvignet wil invoeren. Zijn eerste vraag aan zijn ouders was: “Kunnen jullie dat nog betalen? En kan ik dan nog naar oma en opa?” Kindermond, waarheid in de mond.
Als ik in Nederland rijd, denk ik telkens: voor zo’n wegennet wil ik gerust betalen. Alles ligt er netjes bij. Dan kom ik Vlaanderen binnen en word ik door elkaar geschud op onze betonnen snelwegen, vol scheuren, putten en verdwenen wegmarkeringen. De vraag is dus niet óf we moeten betalen, maar waarvoor. En zal de opbrengst naar degelijk wegenonderhoud gaan? Of verdwijnt ze gewoon in de bodemloze put van onze financiën? De vraag stellen is ze beantwoorden.
België is bovendien een klein land. Je botst hier om de haverklap op een grens. Een algemeen wegenvignet, zonder onderscheid tussen snelwegen en gewone wegen, is dan ook een bijzonder ongelukkige maatregel. Voor West-Vlaanderen dreigt dit een stevige klap te worden: minder Nederlanders en Fransen die de grens oversteken, minder weekendtoerisme, meer hinder voor grensarbeiders en gezinnen met kinderen die over de grens naar school gaan.
En ja, ik hoor het al: “In Frankrijk betaal je toch ook tol?” Dat klopt. Maar daar betaal je op de autosnelweg. Wie dat niet wil, kan meestal nog kiezen voor de gewone wegen. Hier lijkt die keuze stilaan te verdwijnen.
Ook de verschillende tarieven zijn moeilijk te verdedigen. Wie zich een elektrische wagen kan veroorloven, betaalt minder. Wie met een oudere diesel of benzinewagen rijdt, betaalt meer. Allemaal onder het mom van het milieu. Maar die auto’s zijn ooit perfect legaal gekocht volgens de toen geldende normen en vervolgens jaarlijks gekeurd. Hun eigenaars betaalden btw, accijnzen, verkeersbelasting en dure boetes op alles wat beweegt. Ze hebben hun bijdrage al ruimschoots geleverd. Ondertussen blijven onze overheden kwistig premies uitdelen en vriendjes bedienen. Uiteraard niet met hun eigen geld.
Zelf heb ik een eenvoudige regel: steden waar ik allerlei toegangsheffingen en milieutaksen moet betalen, bezoek ik niet meer met de wagen. Het gaat niet alleen om het geld, maar ook om de administratieve rompslomp. Vorig jaar reed ik naar Zuid-Tirol en mijn voorruit leek haast een stickeralbum: Zwitserland, Oostenrijk, tolwegen, tunnels, milieuzones… Nog even en je hebt een handleiding nodig om op vakantie te vertrekken.
Nog een bedenking. Stel dat Nederland en Frankrijk binnen enkele jaren ons “briljante” idee kopiëren en ook een wegenvignet invoeren op alle wegen. Dan betaalt de modale Vlaming niet alleen 100 euro per jaar in eigen land, maar ook nog eens 100 euro in Nederland en 100 euro in Frankrijk. Dat is 300 euro per jaar, gewoon om je buren te bezoeken. Gelukkig kom ik niet elke week in Duitsland of Luxemburg, anders brengen we onze beleidsmakers misschien nog op ideeën.
De Vlaming behoort nu al tot de zwaarst belaste burgers van Europa. Toch blijven onze overheden – van de federale overheid tot de provincies en steden – steeds nieuwe belastingen, heffingen en vignetten bedenken. Zelfs maatregelen die achteraf juridisch niet houdbaar blijken.
De creativiteit van onze overheden lijkt onuitputtelijk: telkens weer een nieuwe taks, een nieuw vignet of een extra heffing. Voor grensbewoners zouden er minstens vrijstellingen moeten bestaan, zeker op secundaire wegen.
In België wordt stilaan niet meer bestuurd, maar gefactureerd.
16.07.2026
“Je hoeft niet ver te gaan om veel te zien.” — Simon Carmiggelt
Wie mij een beetje kent, weet het intussen wel: ik ben geen grootreiziger. Uren in de file staan, me laten verdringen in een mensenmassa of als een sardientje liggen bakken op een overvol strand… ik laat dat graag aan anderen over. Mijn avonturen hoeven niet te beginnen met zonnecrème factor 50 en een gevecht om het laatste ligbed.
Dit jaar kies ik dus voor korte, fijne omzwervingen door de Nederlanden. Kleine ontdekkingen, vergeten histories, boeiende tentoonstellingen en culturele evenementen: dát is mijn soort reisgeluk. Een paar dagen aan de Moezel staan ook op het programma, net als een zoektocht naar sporen van de Drie Gezusters in de Eifel – een logisch vervolg op mijn studie over de Drie Maagdekens van Kaaster. De zomer is soms gul voor wie haar met nieuwsgierigheid tegemoet treedt.
In augustus ben ik opnieuw paraat voor dagelijkse teksten op mijn Facebookpagina én voor de lancering van mijn nieuwe boek TAALMOORD. Tussendoor verken ik met de fiets de routes van de Westhoek, langs beide kanten van de Schreve — want zelfs een schrijver moet af en toe zijn benen strekken.
Tot eind juli beperk ik mijn dagelijkse publicaties tot een foto, een korte reisanekdote of een citaat. Een soort zomerregime: minder woorden, meer zon. Vandaag alvast een paar beelden van de fiere Vlaamse leeuw, die dezer dagen trots wappert op het belfort van de pas gerestaureerde Ieperse hallen, dat na de geslaagde restauratie opnieuw schittert in de blakende zon. Soms zegt een vlag meer dan een hele bladzijde.
15.07.2026
Mijn herinneringen aan 14 juli? In mijn vroegste herinneringen draait alles rond het zingen – of toch proberen te zingen – van de Marseillaise.
Mijn grootvader vertelde me dat zijn ouders het Franse volkslied pas op latere leeftijd hadden geleerd. Rond 1870 was het in de Westhoek eerder uitzonderlijk dat iemand überhaupt in het Frans zong. Zelf had hij de Marseillaise geleerd in de scholen van de Franse Republiek. Sinds de invoering van de leerplicht behoorde het instuderen van de Franse hymne tot de kerntaken van het onderwijs. Een andere was leren schieten op de speelplaats. Volgens het Franse revanchisme zouden beide vaardigheden ooit nog van pas komen om het ‘verloren’ Elzas-Lotharingen terug te veroveren op de Duitse vijand.
In de jaren zestig speelde ik – en dat mag gerust letterlijk genomen worden – slecht klarinet in de plaatselijke fanfare van Kaaster. Een jaarlijkse, verplichte afspraak was de viering van 14 juli aan het monument voor de gesneuvelden, naast het oude gemeentehuis, dat intussen verdwenen is. Daarvoor oefenden we een heel jaar militaire marsen, met als onvermijdelijke apotheose: de Marseillaise.
Ondertussen liet Maurice Smet – die in werkelijkheid Ruckebusch heette – als fiere vlaggendrager van de fanfare, en met de overtuigingskracht van zijn 140 kilogram, de Franse driekleur waardig wapperen. Alleen al daarvoor verdiende hij een onderscheiding.
De laatste keer dat ik meespeelde, was de afgesproken datum van een eerste, bescheiden opstand. Mijn broer, beter bekend als Broere, gaf het startsein door op zijn klaroen een welgemikte valse noot te blazen. Leonard, de trommelaar, alias Snoek, verloor vervolgens langzaam maar onmiskenbaar de maat der dingen. En uit mijn klarinet ontsnapte een fluwelen versnelling die de verwarring alleen maar groter maakte.
De kakofonie die daarop volgde, was van een niveau dat zelfs de oud-strijders er wakker van schrokken. In het publiek twijfelde men nog even: speelde de fanfare nu gewoon verschrikkelijk vals, of zat er moedwil achter?
Onze goed gevulde burgemeester wist het antwoord vermoedelijk wel. Hij keek verontwaardigd om zich heen, trok plechtig zijn das recht, stopte zijn zorgvuldig voorbereide speech terug in zijn binnenzak en improviseerde een donderpreek over de morele plichten van de jeugd in deze woelige tijden. Over de heilige taak om de Franse driekleur door te geven aan de volgende generaties. En natuurlijk besloot hij dat we op zo’n schone dag, ter ere van alle gesneuvelden voor het ene en ondeelbare vaderland, toch nog samen de Marseillaise moesten zingen.
Broere en Snoek hebben toen uit volle borst ingezet:
“Allons infâmes de la platrie, le jour de foire est arrivé…”
Ik geloof niet dat de Marseillaise ooit met meer overtuiging verkeerd is gezongen.
Het was het begin van een jaarlijkse traditie: de verstoring van de Franse nationale feestdag.
Of Frankrijk dat uiteindelijk heeft overleefd, vertel ik jullie een volgende keer…
14.07.2026
Op 13 juli 1793 vermoordt Charlotte Corday, sympathisante van de gematigde Girondijnen, de radicale jakobijn Jean‑Paul Marat in zijn bad. Marat leed aan een zware huidziekte, waarschijnlijk een chronische dermatitis, waardoor hij bijna voortdurend in een medicinale badkuip werkte. Daar schreef hij zijn vurige artikels voor L’Ami du peuple en stelde hij lijsten op van vermeende vijanden van de revolutie, lijsten die vaak eindigden onder de guillotine.
Corday, voluit Marie Anne Charlotte Corday d’Armont, handelde volledig alleen. Onder het voorwendsel dat ze informatie had over gevluchte Girondijnen kreeg ze toegang tot Marat. In werkelijkheid wilde ze het escalerende geweld stoppen: “Duizend doden voorkomen door één man te doden,” verklaarde ze later. Ze stak Marat met een mes in de borst en riep bij haar arrestatie: “Het is volbracht; het monster is dood.” Ze had haar geboorteakte bij zich, zodat niemand aan haar identiteit kon twijfelen. Op 17 juli 1793 werd ze onder de guillotine gebracht, kalm en waardig tot het einde.
Rond Marat ontstond meteen een revolutionaire cultus. Zijn ganzenveren, papieren en zelfs het moordwapen werden uitgestald naast zijn lichaam. Jacques‑Louis David maakte van de moordscène een iconisch beeld en regisseerde zijn begrafenis naar het voorbeeld van Caesar. Marats gebalsemde lichaam werd rondgedragen door Frankrijk en een urne met zijn hart kreeg een plaats in de Jakobijnenclub. Die verering was intens maar kort: na de val van Robespierre verdween Marats cultus snel.
Corday had scherp aangevoeld wat zou volgen. Tijdens de Terreur (1793–1794) werden duizenden vermeende vijanden van de revolutie – royalisten én gematigden zoals de Girondijnen – beschuldigd van verraad en zonder genade geëxecuteerd.
13.07.2026