Op 11 januari 1790 worden de Zuidelijke Nederlanden, na de Brabantse Revolutie en de verdrijving van het Oostenrijkse gezag, onafhankelijk verklaard.
De nieuwe confederale staat krijgt de naam Verenigde Nederlandse Staten, ook wel Verenigde Belgische Staten (États belgiques unis) genoemd.
De nieuwe staat zou het uiteindelijk nauwelijks één jaar volhouden.
Deze gebeurtenissen waren een reactie op de zogenoemde modernisering, en vooral op de centraliseringsplannen van keizer Jozef II van Habsburg, ook keizer-koster genoemd.
Door die plannen dreigden de provincies hun historische rechten en feitelijke zelfstandigheid te verliezen.
Voorafgaand aan, en parallel met, deze gebeurtenissen begon in 1789 de Brabantse Revolutie, mede onder invloed van de Franse Revolutie.
Twee kampen verdeelden toen de Oostenrijkse Nederlanden.
Aan de ene kant stonden de Statisten, tegenstanders van de hervormingen van Jozef II, onder leiding van de conservatieve advocaat Hendrik van der Noot.
Aan de andere kant bevonden zich de Vonckisten, genoemd naar hun leider Jan Frans Vonck.
De Vonckisten steunden aanvankelijk delen van de hervormingen, maar kozen uiteindelijk, door het autoritaire en repressieve optreden van het Oostenrijkse bewind, de zijde van de opstandelingen.
Vonck moest in het voorjaar van 1790 onderduiken en vluchtte later naar Rijsel, waar hij zijn geschriften in het Nederlands vertaalde onder de titel
Onzydige Aenmerkingen over den tegenwoordigen gesteltenis van Brabant.
Van der Noot verklaarde eerst Brabant en de drie Landen van Overmaas onafhankelijk.
De andere provincies volgden, met uitzondering van Luxemburg, dat zich niet bij de Unie aansloot.
De acht stichtende leden waren: Brabant, Gelre, Mechelen, Vlaanderen, West-Vlaanderen, Henegouwen, Namen en Doornik.
Samen vormden zij de alliantie van de Verenigde Nederlandse Staten.
Van der Noot zocht ook toenadering tot de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden,
maar dat bleef zonder politiek gevolg.
De nieuw opgerichte Verenigde Nederlandse Staten kozen als vlag zwart, geel en rood,
naar de heraldische kleuren van Vlaanderen, Brabant en Henegouwen.
De vlag was horizontaal gestreept,
en dus niet verticaal zoals de huidige Belgische vlag,
maar vergelijkbaar met de Nederlandse en de Duitse vlag.
11.01.2026
Op 10 januari 1876 overleed in Rijsel Edmond de Coussemaker, vandaag exact 150 jaar geleden. Hij was een uitmuntend jurist en magistraat, maar ook etnoloog, historicus, verzamelaar én vooral musicoloog.
Hij wordt traditioneel voorgesteld als auteur en samensteller van het vermaarde boek Chants Populaires des Flamands de France en van Troubles religieux du XVIe siècle dans la Flandre maritime. Ook was hij de eerste voorzitter van het Comité Flamand de France, opgericht in 1853.
Maar zijn leven tot dit te herleiden zoals velen dat voorstellen, doet zijn roeping als musicoloog tekort. Daarom wil ik het hier specifiek hebben over de Coussemaker en de muziek.
De Coussemaker stamde uit een voorname Vlaamse familie met wortels in het Belle-ambacht. Hij volgde zijn humaniora in Belle en Dowaai. Al vroeg toonde hij, naast belangstelling voor geschiedenis en taalwetenschap, een bijzondere aanleg voor muziek. Hij koppelde die talenten aan de werkkracht en honger van een ware encyclopedist.
In Dowaai leerde hij viool bij Baudoin, directeur van de muziekacademie, en zang bij Moreau, organist van de Sint-Pieterskerk.
Van 1825 tot 1830 studeerde hij rechten in Parijs. Daar volgde hij zanglessen bij Pellegrini en harmonie bij Payer en Reicha. In 1831 keerde hij terug naar Dowaai voor zijn proeftijd als advocaat en studeerde er contrapunt bij Victor Lefebvre.
Niet vergeten: Dowaai was toen hét muzikale centrum van de Franse Nederlanden.
In 1836 huwde hij Maria Mignard de la Mouillère, afkomstig uit een voorname Broekburgse familie. Dat verklaart waarom hij het Meethof in Broekburg als zomerverblijf bewoonde.
Zijn loopbaan bracht hem achtereenvolgens naar Belle en Sint-Winoksbergen als vrederechter, en later als rechter naar Hazebroek, Duinkerke en Rijsel.
Vanaf 1825 begon hij ook te componeren. Hij schreef ouvertures, missen, a-cappella gezangen, quadrilles, walsen, polka’s en pianostukken. Daarnaast deed hij onderzoek naar muzieknotatie en publiceerde hij uitvoerig over muziekgeschiedenis.
Hij schreef onder meer over verdwenen middeleeuwse handschriften, over de muziektraktaten van Hucbald (Mémoire sur Hucbald), over middeleeuwse minnezangers uit de Zuidelijke Nederlanden, en over Thomas à Kempis en Théodore de Grüter, om er slechts enkele te noemen.
In 1852 bundelde hij zijn jarenlange onderzoek in het monumentale werk Histoire de l’harmonie au moyen âge, rijk geïllustreerd en met partituren. Het werk werd bekroond door de ‘Académie des Inscriptions et Belles-Lettres’.
Daarna volgden onder meer:
Voor al dit werk verrichtte hij intensief archiefonderzoek in de bibliotheken van Kamerijk, Valencijn, Rijsel, Dowaai en Duinkerke.
En toch lijkt zijn beroemdste werk, Chants Populaires des Flamands de France (Gent, 1856), op het eerste gezicht bijna een anachronisme binnen zijn ‘geleerde’ muzikale geschriften.
Officieel kwam het tot stand na een oproep van keizer Napoleon III in 1854 om de volksliederen van Frankrijk te verzamelen. De Coussemaker nam dit titanenwerk er nog bij en verzamelde en selecteerde 150 Frans-Vlaamse volksliederen uit de regio Duinkerke en Hazebroek.
Hij deed dat met kennis van zaken : met de oorspronkelijke zangwijze in streektaal, met partituur, Franse vertaling en met toelichtingen over oorsprong, ouderdom en muzikale kenmerken.
Het was nog de tijd waarin Frans-Vlamingen hun liederen zongen
en liedjeszangers op markten en feesten te horen waren. Het repertoire omvat liederen rond de ring van het jaar, levensmomenten, mythische herinneringen, kinder- en zeemansliederen. Dit repertoire stond niet op zichzelf en sommige liederen zijn ook aan deze kant van de schreve bekend, al dan niet met andere woorden of melodieën. Maar veel plaatselijke liederen gezongen door het volk kon hij nog noteren als specifiek Frans-Vlaams.
Jan Pol Sepieter merkte later terecht op dat de selectie een ultramontane inslag had en rebelse of schunnige teksten vermeed.
Maar ondanks die beperking blijft het een unieke en onschatbare verzameling, net op tijd en professioneel vastgelegd om een deel van ons volksmuzikaal erfgoed te redden.
Exact 150 jaar na zijn overlijden organiseert de Andries Stevenkring
vandaag een conferentie over leven en werk van Edmond de Coussemaker.
De lezing wordt gegeven door Damien Top, voorzitter van de Andries Steven Kring, zanger en musicoloog.
📍 Plaats: Kassel, eresalon van het stadhuis
🕔 Tijd: 17.00 uur
🗣️ Taal: Frans.
10.01.2026
9 januari 2021 overleed de Nederlandse volkse schrijver en heidens geïnspireerde auteur Aat (Adrianus Plonius) van Gilst. Hij werd geboren in Dordrecht op 10 november 1929.
Aat begon aan een studie geneeskunde, maar dat bleek niet zijn roeping. Hij schakelde later over naar de Nederlandse taal- en letterkunde. Na enkele functies in de ambtenarij werkte hij als corrector voor een Rotterdamse krant en een jaar lang bij de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. In 1963 werd hij hoofd van de afdeling bibliografieën aan de Landbouwuniversiteit Wageningen, een functie die hij tot 1986 zou bekleden.
Ik leerde Aat kennen in de jaren tachtig. Hij was toen redacteur van het tijdschrift TeKos. In bijna elk nummer publiceerde hij een artikel, aanvankelijk onder het pseudoniem Janus Meerbosch. Zijn reeks Erfdeel Europa verscheen in vele afleveringen. Daarnaast schreef hij uitgebreid over tradities, volkskunde en historische thema’s.
Aat moedigde ook mijn eigen werk aan, onder meer over de tradities van de Nederlanden in Frankrijk. Hij gaf mij waardevolle raad tijdens mijn jarenlange zoektocht naar de Drie Gezusters in Europa. Dat dit onderzoek uiteindelijk vorig jaar resulteerde in mijn publicatie De Drie Maagdekens van Kaaster, heb ik mede aan hem te danken.
Zijn onderwerpen waren steevast heidens geïnspireerd, en dat was geen toeval. In zijn jeugd was Aat korte tijd lid van de Jehova’s Getuigen. Het loskomen daarvan leidde bij hem tot een blijvende afkeer van geloofs- en openbaringsgodsdiensten.
Hij publiceerde talloze artikelen en tientallen boeken over de ring van het jaar: van carnaval en Pasen tot midzomer, Sinterklaas en de kerstboom. Daarnaast schreef hij over cultuur, mythologie, traditie, volksleven en historische figuren in brede zin. Veel van zijn laatste boeken zijn nog op internet te verkrijgen, onder meer bij uitgeverij Aspekt.
In zijn boek ‘Vastelavond en Carnaval’ (1974) heeft Van Gilst geschreven over thans vergeten tradities die verband houden met de huidige periode van het jaar:
“Drie Koningen is met vastelavond verbonden door de koppertijd. Kopperen wil zeggen veel eten. Daarnaar is koppermaandag genoemd, de eerste maandag na Drie Koningen, die nog in de vorige eeuw ook in Noord-Nederland plaatselijk werd gevierd.
In het Oldenwald traden de sterrezangers vroeger gemaskerd op. Behalve een ezel was er ook de Hullefraa bij, een in het wit gekleed wezen met snavelvormig hoofdmasker. Uit deze en andere gegevens leidt men af dat Drie Koningen teruggaat op een Oudgermaanse cultus.
(…) In Engeland staat de eerste maandag na Driekoningen bekend als Plough-Monday (…), een dag waarop dertig tot veertig jonge Britten in een optocht een versierde ploeg rondtrokken, vergezeld van Old Bessy , een als oude vrouw verkleden jongeman (…) die een opvallend vooruitstekend reukorgaan draagt. (…)”. En de auteur voegt er nog aan toe dat dergelijke ploegprocessies en het cultisch voor-ploegen van de akker dienden om het komende seizoen een grote vruchtbaarheid te verlenen aan de vegetatie, maar ook aan de mensen.
09.01.2026

In januari 1897 schreef de dichter Guido Gezelle dit prachtige wintergedicht:
Een witte spree
ligt overal
gespreid op ’s werelds akker;
geen mensche en is,
men zeggen zou,
geen levend herte wakker.
Het vogelvolk,
verlegen en
verlaten, in de takken
des perebooms
te piepen hangt,
daar niets en is te pakken!
’t Is even stille
en stom, alhier
aldaar; en, ondertusschen
en hoore ik maar
het kreunen meer ,
en ’t kriepen, van de musschen.
08.01.2026
Op 7 januari 1870 verschijnt in de Gazet van Gent een anonieme brief. Frankrijk is op dat moment verwikkeld in de oorlog met Pruisen. In de brief wordt melding gemaakt van muiterij en desertie van ongeveer 300 gemobiliseerde miliciens uit het Frans-Vlaamse Hazebroek.
Volgens de brief werden de miliciens ontwapend en onder escorte van een detachement liniesoldaten van Hazebroek naar Kales (Calais) overgebracht. Dit wordt ook bevestigd door verschillende Franse bronnen. Ze voeger er aan toe dat deze opstandelingen werden gedeporteerd naar een strafkamp in het Normandische Cherbourg.
In dezelfde krant wordt gesuggereerd dat sommigen hoopten dat Frans-Vlaanderen, na de snelle Pruisische overwinning bij Sedan (september 1870), bij België zou worden gevoegd. De anonieme brief wordt doorgaans toegeschreven aan de Vlaamsgezinde Frans-Vlaming Hendrik Blanckaert (1827–1899).
Opvallend is hoe weinig vandaag nog terug te vinden is over desertie en onrust binnen het zogenaamde “Leger van het Noorden” tijdens de Frans-Duitse Oorlog van 1870-1871. Dit leger werd grotendeels gevormd uit contingenten uit Frans-Vlaanderen en Artesië. Blijkbaar mocht aan zulke feiten weinig ruchtbaarheid worden gegeven.
Geheime rapporten van de bevelvoerende generaal Louis Faidherbe, afkomstig uit Rijsel, laten uitschijnen dat Frans-Vlaamse soldaten niet altijd als betrouwbaar werden beschouwd. Een concrete reden wordt daarbij niet genoemd. Zeker ging het om verzet tegen de verplichte conscriptie, maar ook om hardnekkig Franse fobie: dat taalkundige en culturele verwantschap tussen Germaanstalige volkeren uiteindelijk zou kunnen leiden tot territoriale aanspraken of annexatie van Frans grondgebied.
07.01.2026
Exact één jaar geleden gebruikte ik een citaat dat aan kardinaal de Richelieu (1585–1642) wordt toegeschreven, eerste minister en vertrouweling van de Franse koning Lodewijk XIII. Het diende om te illustreren hoe absolute koningsmacht in de politieke praktijk werd omgezet. Vierhonderd jaar later klinkt deze tekst, die de geest van Richelieus staatsleer samenvat, verrassend actueel:
“Geef de voorkeur aan een geheime oorlog boven een open oorlog, omdat die minder kost en efficiënter is. In de beoogde landen is het aangewezen de geesten te beïnvloeden; altijd en overal open of geheime intriges te voeden; de staatszaken van een land zo moeilijk mogelijk te maken; gebruik te maken van alle bestaande gevoeligheden; onenigheden desnoods aan te wakkeren; betrokken landen te laten berusten in hun onkunde; territoriale twisten aan te moedigen en die internationaal te laten gelden; ze zodanig te beïnvloeden dat men een beroep doet op hulp; en de agenten die met deze taken worden belast goed te betalen.”
Ik weet niet of de grote politieke actoren op het wereldtoneel deze tekst kennen. Feit is wel dat deze strategie, met inzet van hedendaagse technologieën, vandaag op meesterlijke wijze wordt toegepast.
Over kardinaal de Richelieu schreef Victor Hugo later dat “zijn purperen mantel gekleurd was met bloeddruppels.”
06.01.2026
Op 5 januari 1477 sneuvelde Karel de Stoute tijdens het beleg van Nancy (Nantzig), de hoofdstad van Lotharingen. Zijn tegenstander was René II van Lotharingen, die werd gesteund door Zwitserse huurlingen. Het Bourgondische leger was uitgeput en numeriek in de minderheid.
Karel was hertog van Bourgondië, Brabant, Limburg, Gelder en Luxemburg, en graaf van Vlaanderen, Artesië, Henegouwen, Holland, Zeeland, Zutphen en Namen. Daarnaast was hij heer van Mechelen. Hij streefde naar een sterk en onafhankelijk Bourgondisch rijk, maar zijn dood maakte abrupt een einde aan die ambitie.
Zijn bijnaam betekent “de stoutmoedige” en slaat op moed en durf, niet op verwerpelijk gedrag. Over de precieze omstandigheden van zijn dood bestaat geen volledige zekerheid. Vast staat dat hij sneuvelde in de chaos van de slag en niet meteen werd herkend. Zijn lichaam werd pas enkele dagen later teruggevonden, zwaar verminkt en aangevreten door dieren.
Zijn dochter, Maria van Bourgondië, zette de staatkundige vereniging van de Nederlanden verder via haar huwelijk met Maximiliaan van Oostenrijk, de latere keizer Maximiliaan I.
Het praalgraf van Karel de Stoute bevindt zich vandaag in Brugge, in de Onze-Lieve-Vrouwekerk.
05.01.2026