WIDOPEDIA
Een blog over Frans-Vlaanderen, de Nederlanden en Europa
Wido Bourel

Meest recente berichten
Archieven
Kernwoorden

Archieven voor week 19, 2026

Louis- Paul Boon: “ de historie geeft me méér dan de verbeelding”

Op 10 mei 1979 overleed in Erembodegem schrijver Louis-Paul Boon aan een hartinfarct, achter zijn schrijftafel.
Enkele maanden voor zijn overlijden had Boon zijn Geuzenboek voltooid, dat postuum verscheen in september van datzelfde jaar. Voor mij is Boon op zijn best wanneer hij historische feiten en anekdotes verwerkt in zijn vlot geschreven verhalen. Persoonlijk gaat mijn voorkeur dan ook uit naar zijn historisch getinte werk, zoals Het Geuzenboek.

Dat boek vormde het derde deel van een trilogie over de sociale ontwikkelingen in Vlaanderen, naast Pieter Daens en De Zwarte Hand, zijn boek over het anarchisme in Aalst.

Het Geuzenboek groeide uit tot een indrukwekkend werk van 708 pagina’s, waarin de geschiedenis van de bos- en watergeuzen uitvoerig aan bod komt: de strijd tegen de inquisitie en de Spaanse tirannie. Uiteraard krijgen ook de Zuidelijke Nederlanden en het huidige Frans-Vlaanderen veel aandacht, met beruchte bosgeuzen als Jan Camerlynck, Jan Denijs, Sebastiaan Matte en hun medestanders.

Voor dit boek putte Louis-Paul Boon rijkelijk uit historische werken zoals The Rise of the Dutch Republic van John Lothrop Motley, Troubles en Flandre du XVIe siècle van Marcus van Vaernewijck, Gendsche Kronijcke van de Beroerten en Ketterijen binnen en omtrent de stad Gend van Bernardus De Jonghe en Het Hongerjaar 1566 van Erich Kuttner.

Over de opstand van de bosgeuzen maakte hij bovendien dankbaar gebruik van de bekende scriptie van Marcel Backhouse, Beeldenstorm en Bosgeuzen in het Westkwartier.

Wat Louis-Paul Boon bijzonder maakt, is dat hij geschiedenis nooit droog of afstandelijk vertelt. Hij schrijft met vaart, mededogen en vaak ook met een flinke dosis ironie. Zijn geuzen zijn geen verheven helden, maar mensen van vlees en bloed: koppig, rebels, soms ruw, maar altijd gedreven door een verlangen naar vrijheid.

Boon voelde zich sterk verbonden met het volkse Vlaanderen en met de “kleine man”, die in zijn werk steeds opnieuw centraal staat. Ook in Het Geuzenboek kijkt hij niet alleen naar prinsen en veldheren, maar vooral naar de gewone mensen die de geschiedenis moesten ondergaan én mee vormgaven.

De uitzonderlijke pen van Louis-Paul Boon doet de rest en maakt van Het Geuzenboek een meeslepend verhaal vol historische details, waarin de geuzenstrijd in het huidige Frans-Vlaanderen een bijzondere plaats krijgt.

Gepubliceerd

10.05.2026

Kernwoorden
Reacties

Friedrich von Schiller en de Nederlanden

Op 9 mei 1805 overleed in Weimar, aan de gevolgen van tuberculose, de Duitse dichter, toneelschrijver, historicus en jurist Friedrich von Schiller.

Samen met Johann Wolfgang von Goethe geldt hij als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Weimarer Klassik en behoort hij tot de grootste auteurs uit de Duitstalige literatuur.

Hij was amper 45 jaar oud toen hij stierf, maar liet een omvangrijk oeuvre na. Bekende werken van hem behandelen historische figuren zoals Wilhelm Tell, Wallenstein, Mary Stuart en Die Jungfrau von Orleans.

Schiller had bovendien een bijzondere belangstelling voor de geschiedenis van de Nederlanden, meer bepaald voor de Nederlandse Opstand tegen de Spaanse overheersing. Ook hierover schreef hij uitvoerig. Zijn werk bevat onder meer biografische schetsen van belangrijke figuren zoals Willem van Oranje, Filips II, Margaretha van Parma en de graaf van Egmont, waarbij hij zijn sympathieën en antipathieën niet verbergt. Ook in zijn drama Don Carlos, dat zich afspeelt aan het hof van Filips II, staat de spanning tussen vrijheid en absolutisme centraal.

Daarnaast behandelde hij ook de belegering van Antwerpen (1584-1585) in zijn geschiedkundige werk Geschichte des Abfalls der vereinigten Niederlande von der spanischen Regierung.

In zijn werk benadrukte Schiller de Nederlandse vrijheidszin als reactie op het Spaanse despotisme.

Friedrich von Schiller werd geboren op 10 november 1759 in Marbach am Neckar in Württemberg en overleed op 9 mei 1805 in Weimar. Meer dan twee eeuwen later blijft zijn werk een van de hoogtepunten van de Duitse en Europese literatuur.

Gepubliceerd

09.05.2026

Kernwoorden
Reacties

Versailles: over stank en gezonde lucht

Ook Paul Cordy schrijft elke dag over geschiedenis op zijn Facebookpagina. Beslist een aanrader. Vandaag heeft hij het over een housewarmingparty van Lodewijk XIV en over de gezonde lucht van de plek waar het kasteel van Versailles zou worden gebouwd, op veilige afstand van het vieze en vuile Parijs.

De Frans-Vlaamse historicus en mijn goede vriend Nicolas Bourgeois, die geschiedenis en rechten studeerde aan de École Normale Supérieure in Parijs, vertelde me ooit over de kwalijke geuren die lange tijd in het Paleis van Versailles bleven hangen. Vergeleken daarmee stelde de stank van de hoofdstad weinig voor. Hij verwees ook naar Félix Gaiffe, auteur van het tijdens het interbellum verschenen boek L’Envers du Grand Siècle, die letterlijk sprak over “l’odeur de musc et de merde” (“de geur van muskus en stront”).

De vele hovelingen die in Versailles rondliepen, hadden namelijk de gewoonte om onder de marmeren trappen te urineren en hun behoefte te doen. Het paleis telde honderden kamers, maar nauwelijks toiletten. Naar verluidt was de stank amper te verdragen en bleef die nog geruime tijd in het paleis hangen.

Bourgeois raadt ons aan goed te leren kijken, niet alleen naar de pracht en praal van Versailles, maar ook naar de vele schilderijen aan de muren. Verschillende werken van Franse meesters tonen het echte Frankrijk van toen, met arme drommels in gelapte kleren en huizen zonder meubilair. Het volk draaide op voor de kosten van de vele bloedige oorlogen én voor de bouw van Versailles.

De werken van Vlaamse en Nederlandse meesters tonen daarentegen feesten, kermissen en dansende mensen. Daarin ligt wellicht ook de reden waarom “Pietje XIV” Vlaanderen zoveel mogelijk wilde inpalmen: niet alleen om geopolitieke redenen, maar ook om de lege schatkist te vullen.

Gepubliceerd

07.05.2026

Kernwoorden
Reacties

Van Flamenpolitik tot het langste geheugen. Mijn antwoord aan prof. Jan Dumolyn

Om 1 mei waardig te vieren schreef prof. Jan Dumolyn in De Standaard (01/05) een artikel getiteld Een eeuw strijd tegen pseudowetenschappelijke rassentheoretici. Hij haalt daarvoor historicus Henri Pirenne uit de kast, pour les besoins de la cause.

Jan vond het “flauw” dat ik in mijn veelgelezen artikel Een klootsjesvolk in een apenland (3 mei) zijn denkoefening rond Henri Pirenne vermeldde. Meer bepaald zijn verwijzing naar Pirenne in het debat over racisme en over de aanwezigheid van een zogenoemde “rassenrealist” aan de Universiteit Gent.

Goed, ik verklaar me nader:

Over de ‘pensée unique’ aan de Vlaamse universiteiten zijn de meningen vrij. Als Frans-Vlaming wil ik even kwijt dat ik verschillen tussen mensen en volkeren niet zie als een probleem, maar als een rijkdom. De ene loopt sneller, de andere schaakt beter. Sommigen hebben talent voor taal, muziek of schilderkunst. Dat kan cultureel, deels aangeleerd of biologisch bepaald zijn. Dat idee alleen maakt mij niet bang. Wat mij meer zorgen baart, is de neiging om elk gesprek hierover meteen moreel te problematiseren.

Maar goed, terug naar Pirenne. Wat heeft een Belgische mediëvist uit de vorige eeuw eigenlijk met dit debat te maken, behalve zijn status als peetvader van de Gentse historische school?

Tijdens de Eerste Wereldoorlog verzette Pirenne zich tegen de Duitse Flamenpolitik en tegen de vernederlandsing van de Gentse universiteit onder Duitse controle. Hij viel ook de zogenaamde Duitse völkische geschiedschrijving aan, die volgens hem het Duitse nationalisme en imperialisme ondersteunde. Onder meer daarom werd hij door de Duitsers opgesloten tot het einde van de oorlog.

Vandaag wordt Pirenne precies opgevoerd als een vroege bestrijder van de “Duitse rassenleer”. Dat lijkt mij historisch toch wat geforceerd. Voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog ging het eerder om Duits nationalisme, völkisch denken en imperialistische machtspolitiek dan om de latere, uitgewerkte raciale doctrines van het nationaalsocialisme.

Mijn punt is dus niet dat Pirenne gelijk of ongelijk had in zijn verzet tegen het Duitse imperialisme van zijn tijd. Wel dat men hem vandaag inzet als moreel uithangbord in een hedendaags debat, via begrippen en schema’s die niet helemaal passen binnen zijn historische context.

Feit blijft ook dat Pirenne zich na de oorlog bleef verzetten tegen een volledig Nederlandstalige universiteit in Gent. En daar wringt het toch een beetje. Want terwijl hij het Duitse superioriteitsdenken veroordeelde, bleef hij tegelijk vasthouden aan een Belgisch model waarin het Frans de verplichte taal van cultuur, bestuur en wetenschap was.

Dat was ook een vorm van superioriteitsdenken, zij het een vorm van cultureel elitisme die voor veel Vlamingen — toch de democratische meerderheid in dit land — aanvoelde als miskenning. Pirenne was een kind van zijn tijd: een briljant historicus, maar ook een vertegenwoordiger van het Franstalige establishment, met de blinde vlekken die daarbij hoorden.

Er zit trouwens iets merkwaardigs in het feit dat een marxistisch gevormd historicus als Dumolyn uitgerekend de liberaal-Belgicistische Pirenne als bondgenoot opvoert. Maar misschien is dat minder paradoxaal dan het lijkt. Belgicisten én bepaalde universalisten delen vaak hetzelfde wantrouwen tegenover sterke nationale of culturele identiteiten zodra die politieke betekenis krijgen. Liberalen en marxisten vinden zich broederlijk terug in de wereldwijd genivelleerde homo consumens versus de arbeidende mens.

Het punt is ook dat je vijfduizend jaar prehistorie tot heden niet kan reduceren tot amper een paar decennia nationaalsocialistische visie, ook niet om je punt te maken over vermeend racisme aan de Gentse universiteit. Archeologische vondsten, maar ook de architectuur van bewoningen en boerenerven, habitat, mensen en dieren, culturele en sociale gewoonten en tradities vertellen misschien meer over onze wortels en over de eigen aard van onze “volksaard” dan wat de mazen van de netten van het historisch materialisme doorlaten.

Mensen leven nu eenmaal niet alleen van economische belangen of abstracte theorieën. Ze leven ook van herinnering, taal, cultuur en verbondenheid. Misschien moeten marxisten nog eens Nietzsche lezen, die schreef: “De mens van de toekomst is degene met het langste geheugen.”

Gepubliceerd

07.05.2026

Kernwoorden
Reacties

Cultuur en etniciteit

Prof. Jan Dumolyn zegt: “natuurlijk zijn er culturen, maar dat zijn daarom geen etnische gegevens, dat is het enige punt Wido”

Mijn antwoord:

Cultuur en etniciteit zijn niet identiek, maar ze volledig van elkaar loskoppelen is conceptueel problematisch.

Etniciteit wordt in de sociale wetenschappen doorgaans begrepen als een vorm van groepsidentiteit die mede wordt opgebouwd via gedeelde culturele kenmerken zoals taal, religie, erfgoed, tradities en sociale praktijken. In die zin is cultuur geen extern of neutraal gegeven, maar een belangrijk onderdeel van hoe etnische identificatie tot stand komt en betekenis krijgt.

Dat betekent dat cultuur en etnische identificatie vaak nauw met elkaar verbonden zijn, maar niet noodzakelijk samenvallen. In elk geval wordt etniciteit in de praktijk zelden volledig los gedacht van culturele inhoud.

De strikte scheiding tussen cultuur en etniciteit doet daarom onvoldoende recht aan de manier waarop deze begrippen in de sociale wetenschappen worden gehanteerd.

Gepubliceerd

07.05.2026

Kernwoorden
Reacties

Roberspierre uit Artesië: de wortels van de terreur

Op 6 mei 1758 wordt in de Artesische hoofdstad Atrecht de latere revolutionaire leider en Jacobijn Maximilien de Robespierre geboren. Zijn voornaam lijkt te wijzen op Habsburgse voorkeuren bij zijn ouders. De familie behoorde niet tot de adel, maar telde wel verschillende advocaten. Dat bevestigt dat de Franse Revolutie niet werd gedragen door proletariërs, maar door hoogopgeleide jongeren uit de gegoede burgerij. De naam Robespierre verwijst vermoedelijk naar het bekken van Leie en Schelde, waar het riviertje L’Espierre (de Spiere) stroomt.

Reeds tijdens zijn jaren in Atrecht, als beginnend advocaat, valt zijn lidmaatschap op van de Rosati, een in 1778 opgerichte vereniging die tot op vandaag bestaat en zich in een mondaine sfeer bezighoudt met literatuur en filosofie. De Rosati hebben bovendien een regionalistische inslag: veelzeggend is dat de naam “Rosati” een anagram vormt van “Artois”, oftewel Artesië.

Even opmerkelijk zijn enkele jeugdvrienden en relaties van Robespierre uit zijn Atrechtse periode:

  • Zijn jongere broer Augustin de Robespierre (1763–1794), eveneens advocaat en lid van de Hoge Raad van Artesië. Hij volgt zijn broer trouw naar Parijs, waar hij actief is bij de Jacobijnen en in de Nationale Vergadering. De broers zijn onafscheidelijk en eindigen op 28 juli 1794 samen onder de guillotine.
  • Lazare Carnot (1753–1823), een Bourgondiër in Artesië, die later belast wordt met de organisatie van het revolutionaire leger. Onder Napoleon Bonaparte wordt hij generaal. Opmerkelijk is dat Antwerpen hem eert met de Carnotstraat, ondanks zijn verantwoordelijkheid voor het platbranden van Kiel en Berchem.
  • Camille Desmoulins (1760–1794), berucht om zijn pamfletten en scherpe journalistieke stukken.
  • Philippe François Le Bas (1762–1794), afkomstig uit Frévent bij Atrecht en de beste vriend van Robespierre. Hij wordt een vooraanstaand revolutionair en volksvertegenwoordiger voor de Jacobijnen. Op dezelfde dag dat Robespierre en diens broer worden terechtgesteld, pleegt hij zelfmoord.
  • Tot slot Joseph Le Bon (1765–1795), een voormalige priester en vriend van Augustin Robespierre, die een waar schrikbewind voert in Artesië en Frans-Vlaanderen. Alleen al in Atrecht en Dowaai worden meer dan 550 mensen door zijn toedoen onthoofd.

7 MEI

Omdat ik uit mijn dagklapper citeer, wil ik de lezer ook niet onthouden wat ik noteerde bij de naam Robespierre op de daaropvolgende dag, 7 mei 1794. Toen verklaarde hij namens het Comité de Salut Public:

Eerst een staaltje van revolutionaire zelfoverschatting:
“Het Franse volk lijkt de rest van de mensheid tweeduizend jaar vooruit te zijn; men zou zelfs geneigd zijn het te beschouwen als een aparte soort.”

Daarna een vaak vergeten voorbeeld van revolutionaire radicaliteit: hij pleitte voor het afbreken van alle kerktorens,
“die door hun verhevenheid boven de andere gebouwen de beginselen van gelijkheid lijken tegen te spreken.”

SLOT

Artesië als broeinest van revolutionaire terreur: geen toeval, maar een historische samenloop van vriendschap, ambitie, ideeën en macht.

Gepubliceerd

06.05.2026

Kernwoorden
Reacties

De dood van Ira-activist Bobby Sands

Op 5 mei 1981 overlijdt Bobby Sands, een Noord-Ierse activist, in de Maze-gevangenis in Belfast. Hij is dan slechts 27 jaar oud en sterft na 66 dagen hongerstaking. Met deze actie wilden IRA-gevangenen afdwingen dat ze erkend zouden worden als politieke gevangenen.

Opmerkelijk: tijdens zijn hongerstaking werd Sands verkozen tot lid van het Britse parlement. Die uitzonderlijke situatie bracht zijn zaak wereldwijd onder de aandacht en zorgde er nadien voor dat de wet werd aangepast, zodat gevangenen niet langer verkiesbaar zijn.

Zijn overlijden veroorzaakte zware rellen in verschillende Noord-Ierse steden. Meer dan 100.000 mensen woonden zijn begrafenis bij. Wereldwijd was er verontwaardiging, maar de Britse premier Margaret Thatcher bleef onvermurwbaar.

Na Bobby Sands stierven nog negen andere hongerstakers in de gevangenis. Enkele van hun eisen werden later toch gedeeltelijk ingewilligd, al gebeurde dat zonder officiële erkenning.

Gepubliceerd

04.05.2026

Kernwoorden
Reacties