Op 22 maart 1832 overleed in Weimar Johann Wolfgang von Goethe: natuuronderzoeker, dichter, toneelschrijver, romanschrijver en filosoof. Hij werd geboren op 28 augustus 1749 in Frankfurt am Main.
Goethe geldt als een van de grootste figuren uit de Duitse en Europese literatuur. Zijn werk, dat de grenzen tussen kunst en wetenschap overschrijdt, blijft tot op vandaag van grote betekenis.
Een gedicht van zijn hand:
NATUUR EN KUNST
Natuur en kunst – ze gaan, zo lijkt het, eigen wegen,
Maar je treft ze, voor je ’t weet, eendrachtig samen;
Mijn onvree ging weer over in beamen,
Ze hebben mij nu beide in hun ban gekregen.
Het vergt alleen dat men zich inzet en volhardt!
Pas als, in daartoe uitgelezen uren, ons brein,
Ons lijf en onze ziel aan kunst gebonden zijn,
Kan zuivere natuur weer gloeien in ons hart.
Zo is het ook met vorming en beschaving:
Vergeefs zullen de aan niets gebonden geesten
Naar de voltooiing van hun hoge doelen streven.
Wie hoge dingen wil, moet zich bedwingen;
In de beperking toont zich pas de meester,
En slechts de wet kan ons de vrijheid geven.
Johann Wolfgang von Goethe (1802)
Goethe benadrukt hier dat vrijheid niet ontstaat door alles open te laten, maar juist door inzet en zelfbeheersing. Wie zich discipline oplegt, bereikt diepgang en de poort tot meesterschap.
Wie alles wil, bereikt weinig — wie zich beperkt, groeit.
22.03.2026
Wat hebben ‘collaboratie’ en ‘separatisme’ met elkaar te maken?
Na de Tweede Wereldoorlog greep de Franse staat handig naar de verdenking van ‘collaboratie’ wanneer het er in Frans-Vlaanderen op aankwam de Vlaamse Beweging definitief het zwijgen op te leggen.
Enerzijds benadrukt men graag dat het beschuldigde Vlaams Verbond van Frankrijk (VVF) numeriek niet meer was dan enkele druppels in een Franse oceaan, om vervolgens, met zichtbaar genoegen, een weinig originele catalogus aan verwijten boven te halen: separatisten, irredentisten, fascisten en racisten. En nog meer van dat fraais.
Opmerkelijk is dat Frans-Vlaanderen, in verhouding tot het aantal collaborateurs per km² op Frans grondgebied, eigenlijk geen les te ontvangen had. Maar dat detail vergeet men liefst.
Dat neemt niet weg dat Jean-Marie Gantois en enkele van zijn medestanders laveerden tussen elkaar kruisende loyaliteiten. Ze bewogen zich tussen de dienaars van het Franse jacobinisme, de collaboratie én het verzet, de Vlaamse en Heel-Nederlandse beweging in al haar geledingen en — niet te vergeten — de realiteit en eisen van een Duitse bezetter, die zelf ook niet bepaald uit één lijn bestond.
Een minimale kennis van het Nederlands en het Duits volstond om de contacten van sommige VVF-leden met Duitse instanties en de Vlaamse collaboratie te ontwaren. De openbaar aanklager vond het toch nodig een valse brief aan Hitler en enkele slecht voorbereide valse getuigenissen te laten gelden, wat uiteindelijk tot een anticlimax leidde.
Maar in het naoorlogse klimaat was een haastige verdenking van ‘collaboratie’ voldoende om een proces op gang te trekken — en de publieke opinie mee te krijgen. De verdenking van collaboratie fungeerde als hefboom; de juridische en politieke afrekening viseerde in feite de beschuldiging van separatisme.
Wie het vonnis in het proces tegen het VVF leest, ziet dat in de motivering het zwaartepunt is verschoven: wie vervolgd en veroordeeld werd, werd dat niet wegens collaboratie, maar wegens vermeend ‘separatisme’. Dat roept de vraag op: hoe komt dat?
Wie een beetje dieper graaft, ziet dat deze beschuldiging naadloos past binnen de Franse jacobijnse traditie. Al in de negentiende eeuw werd Edmond de Coussemaker — de samensteller van ‘Chants populaires des Flamands de France’ en bepaald geen revolutionair — door minister Victor Duruy als ‘separatist’ bestempeld. Zijn medewerker, de filoloog Lodewijk de Baecker, die zich als heel-Nederlander profileerde, nam prompt afstand en verliet het Comité Flamand de France.
Ook in de twintigste eeuw bleef het etiket gretig in gebruik. Kanunnik Camille Looten kreeg de bijnaam “le chanoine séparatiste de la Catho”. En Jules Lemire, sociaal bewogen priester en parlementslid, werd in de Franse Kamer als separatist aangevallen — niet om een staatsgreep, maar omdat hij een wetsvoorstel indiende ten gunste van het onderwijs van het Nederlands in Frans-Vlaanderen: standpunten die elders dan in Frankrijk als louter cultureel of taalkundig zouden worden omschreven.
Wie zijn wij om Franse rechters tegen te spreken?
De conclusie lijkt duidelijk: de misdaad heet ‘separatisme’.
Separatistische volksmuziek,
separatistische taal,
met de absolutie van separatistische pastoors.
Collaboratie? Dat zijn de kruimels voor historici. Maar de eenheid van de Franse staat, die zogezegd gevaar liep — en dus de veroordeling van separatisme — was politiek veel belangrijker voor Parijs.
In 1955 zou de voorzitter van de rechtbank, die Gantois en zijn vrienden veroordeelde, postuum aan de Franse president dit bevestigen en schrijven dat het proces deze hoofdbeschuldiging van separatisme niet had kunnen aantonen.
Het woord ‘collaboratie’ komt in zijn brief niet eens voor.
20.03.2026
Op 19 maart 1478 werd de stad Belle, vandaag in Frans-Vlaanderen, volledig platgebrand door de troepen van de Franse koning Lodewijk XI. Vijfhonderd Bellenaars werden gevangen genomen en naar Frankrijk gevoerd. Het was de derde Bellebrand.
Daarvoor waren er al twee grote branden geweest. De eerste Bellebrand vond plaats in 900, als gevolg van een aanval door de Noormannen.
De tweede brand dateert van 1436, toen de Engelsen Vlaanderen binnenvielen. Nadat ze Belle volledig geplunderd hadden, staken ze de stad in brand. Menige duizenden ellen laken en tal van andere goederen werden buitgemaakt en naar Engeland vervoerd.
Na de derde Bellebrand van 1478 zouden er nog vier volgen.
De vierde brand, in 1502, was een ongeluk waarbij 500 huizen in de vlammen opgingen. Toch werd Belle heropgebouwd en konden de lakennijverheid en de ambachten er opnieuw bloeien.
De vijfde brand, in 1582, was een gevolg van de godsdiensttroebelen in de regio. De proosdij van Sint-Antheunis ging in de vlammen op en de monniken moesten vluchten. Daarna volgden hongersnood en later de pest. Duizenden Bellenaars stierven of vluchtten naar Engeland.
De zesde brand werd opnieuw door de Fransen veroorzaakt, tijdens de oorlog tegen Spanje. In korte tijd werden 470 huizen in brand gestoken, evenals het Zwartzustersklooster, een windmolen en drie oliekoten.
De zevende brand ontstond per ongeluk in de brouwerij van de Zwarte Zusters, op 8 mei 1681. De oostenwind joeg de vlammen voort en opnieuw werden vele straten vernield: 488 huizen, 14 brouwerijen, 80 twijnmolens, het klooster en twee kerken gingen verloren. Er vielen 23 slachtoffers, die in de brand van hun huis omkwamen.
De strategische ligging van Belle maakte dat de stad herhaaldelijk zwaar werd getroffen. In de 17de eeuw schreef de Bellenaar Frans de Springher (1623-1688), zelf slachtoffer van de brand van 1681, het relaas van de verschillende branden en plunderingen die de stad teisterden. Hij schreef in verzorgd Nederlands en gaf zijn verzen de passende titel De Belle Brand.
De brand van 1681 beschreef hij als ooggetuige:
“Maer al het schaedig vier, nog eens verwon de stede
Den oorlog was gedaen, en Belle was in vrede…
‘K wil zeggen van den brand, den achtsten mey geschied
Zoo zal in nog in ’t kort beschryven het verdriet
Dat op dien droeven dag te Belle was ’t aenschouwen,
Den hangst, den schrik, de vrees: en ’t schromelyk benouwen,
Eerst, als het kloppen storm wierd dapperlyk behoord!
Dan als men zag het vier, zoo kragtig branden voort!
En als men zag den wind het vier te hulpe komen,
En als men zeyd veel volk hun leven zyn genomen!
Als men ook zag de vlam’ in menig plaets zoo straf,
En als men riep eylaes! (de stad gaet branden af).
Dan als er menig dacht, wy laeten al ons leven!
Nu komt den zoone gods de menschen oordeel geven!
Men zag de zonn’ als bloed rood in den hemel staen!
Al of de wereld stond, bereyd om te vergaen!
‘T gerugte van het vier, zoo ’t scheen de locht doorboorde
Ja ‘dochte zomm’ dat zy ’t oordeels trompetten hoorden,
Gelyk Hironimus zeyd, zoo stond het volk verbaest,
Hun docht d’oordeels trompet aen d’ooren was geblaest,
Geen tong hoe wel besneên die kan den druk vertellen
De kloekste penn’ van ’t land, ook niet in schrifte stellen,
Want menig mensch die ’t vier ten strafsten branden zag,
Geloofden dat het was, den alder jongsten dag.”
Ook in de twintigste eeuw werd Belle opnieuw slachtoffer van oorlogsgeweld: tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de stad volledig van de kaart geveegd. Dit komt bovenop de zeven Bellebranden en voedt het beeld van Belle als een vervloekte stad.
Het blijft dan ook een wonder dat deze stad, na al die verwoestingen, nog steeds Vlaams oogt.
19.03.2026
Wie meer wil weten over de geschiedenis, de taal en de actuele situatie van Frans-Vlaanderen, is van harte welkom op mijn volgende lezing. Daarbij ga ik ook dieper in op mijn boek “Frans en toch Vlaams. Het verhaal van Frans-Vlaanderen”.
De lezing vindt plaats in Ieper op vrijdag 17 april, op uitnodiging van de Vlaamse Volksbeweging, afdeling Zuid-West-Vlaanderen.
De exacte locatie en het aanvangsuur worden binnenkort via deze pagina bekendgemaakt.
Na afloop is er gelegenheid om vragen te stellen en het boek te laten signeren.
Graag tot dan in Ieper.
19.03.2026
(vrij naar Nietzsche)
Tijdens lezingen krijg ik wel eens een vraag.
Soms van geleerde professoren.
Soms van politiek-correcte lieden.
De vraag is altijd ongeveer dezelfde:
Ben ik nu een historicus en/of een taalkundige?
Geen van beide, als ik even mag. Ik ben een auteur en cultuuractivist, een Frans-Vlaamse autodidact die ergens tussen de mazen van de geschiedenis die hij niet mocht leren en van de taal die hij niet mocht spreken is gevallen.
In het Frans zegt men: ‘excusez-moi du peu’.
Ik ben geboren in’een authentiek Frans-Vlaams proletariërsnest,
onwetende laatste bewakers van het Vlaamsch dat ze nog klapten.
Een nest — hoe kon het ook anders — met linkse reflexen en sympathieën om den brode.
Mijn lot leek dus netjes uitgestippeld: de linkse erfenis voortzetten
en elk jaar op 14 juli met de fanfare de Marseillaise spelen.
Dus:
ik opende een deur links, keek even rond…
ontmoette er de oud-strijders van mei ’68, de telgen van ‘la gauche caviar’en de kameraden van het communisme “met een menselijk gezicht”.
Ontsnappen zonder om te kijken was de opdracht.
De rechterkant opzoeken moest niet eens:
die rolde een tapijt uit voor beloftevolle zoekenden.Je kruiste er eveneens interessante eenlingen. Maar je liep er ook “la droite la plus bête du monde” tegen het lijf —de Franse dus —wat mij al even snel weer naar lucht deed happen.
Waar kon een mens dan nog terecht?
Ik liet het niet aan mijn hart komen en leerde vrolijk “Die Gedanken sind frei” zingen, in de versie van Heinrich Hoffmann von Fallersleben —uiteraard ook al door links ingepalmd.
En zo ben ik uiteindelijk gewoon mezelf geworden:
vrij en vrank, een non-conformist tot in de kist.
Tot spijt van wie het benijdt is de Vlaamse beweging — volgens de formule van Lode Claes —“mijn familie” geworden.
Al verkies ik, door mijn afkomst, liever de ruime sop van de historische Nederlanden.
Volgens sommige waarde professoren is dit natuurlijk een vileine gedachte: irredentistisch, fascistisch en voorzekers racistisch —
kortom: de snelste weg naar de verdoemenis.
De premier sprak dat onlangs tegen, toen hij plots een nieuwe opening creëerde met — stel je voor — het idee van een soort Benelux-confederatie.
Dankzij Maximus val ik dus weer netjes op mijn poten.
Mijn geopolitieke horizon klaart bovendien op met de Frans-Engelse Hilaire Belloc, die het mooi samenvatte:
“Mijn vaderland is de Noordzee.”
En cultureel, met Jozef Deleu:
“Mijn vaderland is de Nederlandse taal.”
Als schrijver verkies ik rustig non-conformistische onderwerpen,
in de traditie van Pierlala. Want wie ben ik om de heren professoren in hun wetenschap te verstoren.
Ik schrijf over historische feiten en figuren
die verstrikt raakten in de netten van de ideologieën van de overwinnaars. Over vermaarde en vergeten mensen, over helden en boeven, over vreemde en zonderlinge teksten en verhalen.
En ook over overwoekerde paden — omdat die, als er op aankomt,
nog altijd de beste toevlucht blijken.
18.03.2026
Hugo Rau is niet meer. Hij overleed op 12 maart jl. in Oudenaarde. De leeftijd van 94 heeft hij net niet gehaald: hij werd geboren op 14 april 1932 in Wilrijk.
Op zijn overlijdensbericht lees ik: Vlaams journalist, wereldreiziger, auteur, radio- en televisiepresentator, esperantist, cultureel ambtenaar, vader en wereldverbeteraar. Dat vat het goed samen. Hugo was een pionier in vele dingen waar men in zijn tijd nog van droomde.
Hij was de man die al liftend – van de Sahara tot Machu Picchu – Vlaanderen aan de wereld presenteerde, en de wereld aan Vlaanderen. Dat deed hij in talloze radio- en televisieprogramma’s en in vele krantenartikelen.
Naast het reizen was Hugo ook een geëngageerd cultureel ambassadeur. Hij drukte zijn stempel op het Vlaams cultureel centrum De Brakke Grond in Amsterdam. Op zoek naar de sporen van de gevluchte calvinistische Vlamingen die Haarlem en omgeving mee rijk maakten, bedacht hij een wandeltocht en wijdde hij er uiteraard ook een publicatie aan.
En bijna niemand weet nog dat Hugo ooit de eerste hoofdredacteur was van EUROPA EEN — het tijdschrift van de Beweging voor de Verenigde Staten van Europa van Walter Kunnen.
Gelukkig heeft het ADVN films, persdocumenten en allerlei papieren van Hugo overgenomen.
Ik leerde Hugo kennen – als ik me niet vergis in 2011 – in het Frans-Vlaamse Belle. Hij nam er het woord als een van de bezielers van de VVNA, de Vereniging van Vlaams-Nationale Auteurs, die mij dat jaar haar prijs gaf.
Dat was, helemaal onverwacht, voor mijn bescheiden brochures ‘Wintertijd in Frans-Vlaanderen’ en ‘Een erfenis zonder testament’ het begin van mijn schrijfpassie.
Non-conformisten herkennen elkaar meteen.
Zo ging dat ook met Hugo.
Ze voelen elkaar aan, los van clubjes, partijen, maffia’s en camorra’s. Het was wijlen Lode Claes die als heel-Nederlander sprak over de Vlaamse beweging als zijn ‘familie’. Hugo moedigde mij toen aan om verder te schrijven. Tijd of geen tijd — gewoon doen, en de pen op automatische piloot.
Sinds die memorabele dag in Belle zocht en las ik links en rechts talloze persknipsels van Hugo. Over de koppensnellers op Borneo en over de Vlaamse aanwezigheid op Formosa.
Ik ben ook nog eens in Oudenaarde gaan spreken over Frans-Vlaanderen, en dat deed hem zichtbaar deugd.
Goede reis, Hugo,
in de eeuwige velden waar je de weg wel weet.
17.03.2026
Mijn afkomst als Frans- of Zuid-Vlaming heeft mijn leven bepaald. Ik ben geboren in een bescheiden milieu waar Vlaams nog de volkstaal was. Letterlijk, de taal van ons Volk.
‘Bescheiden’ betekent dat we niet elke dag van de week vlees aten. Dat was toen niet voor het redden van de planeet, geloof me.
Arm dus. Maar fier. En niet arm van geest.
Aan tafel werd met vader en broer stevig gedebatteerd over ideeën, politiek en actualiteit. Mijn vader was een actief syndicalist bij de Franse spoorwegen. Zijn enige diploma was zijn ‘certificat d’études primaires’.
Al de rest, en dat was heel wat, had hij als autodidact verworven.
Elke twee dagen las hij één nieuw boek. Dat veel lezen heb ik dus van hem. En het opkomen voor mijn zaak tegen de stroom in ook.
Als de keizer-filosoof Marcus Aurelius ben ik enkele van zijn principes altijd trouw gebleven:
en de fils à papa met diploma’s die zich links of marxistisch noemen op afstand houden.
Vader geloofde nochtans niet in het socialistische, utopische verhaal van het beloofde paradijs voor de proletariërs na het einde van de geschiedenis.
Hij liep veel meer – zonder het zelf precies zo te noemen – in de lijn van de Franse socioloog en theoreticus Pierre-Joseph Proudhon:
en de economische democratie.
Geen klassenhaat. Hij wou niet dat de ‘exploiterende klasse’ een kop kleiner werd gemaakt.Hij was dus geen jakobijn maar eerder een girondijn.
Ik herinner me de momenten dat ik probeerde hem uit te leggen dat hij in feite geen marxist was. En dat ook het anarchisme van Proudhon uiteraard niets te maken had met bommen leggen.
En evenmin met het federalisme en andere vormen van zelfbestuur waar ik mij toen al mee bezighield.
Ontgoocheld maar vooral bevrijd is hij dan op zoek gegaan naar de boeken van Proudhon. En hij heeft er veel kritisch gelezen.
Hij kon ze niet vinden in de boekenrekken van zijn vakbond. Want Proudhon was al lang door Marx verbannen als ‘kleinburgerlijk socialist’.
Mijn verhaal eindigt zo.
Toen ik thuis vertelde dat ik Nederlands aan de universiteit ging studeren, zei vader: dat kunnen we niet betalen.
Mijn antwoord kende hij al vanuit zijn principes:
‘ik zal gaan werken om dat te bekostigen’.
De universiteit is er niet van gekomen.
Werken wel. Sinds mijn achttiende tot mijn 65 jaar, dag op dag.
Dertig jaar geleden, een beetje per toeval, werd ik tot directeur van mijn bedrijf gebombardeerd.
Ik wist niet goed hoe ik dit aan mijn vader moest brengen.
Het voelde bijna als de provocatie van Salvatore Dalí:
“Men moet altijd zijn klasse verraden.”
16.03.2026