Op 4 april 1913 werd Dr. Jozef Weyns, heemkundige en oprichter van het Openluchtmuseum te Bokrijk, geboren.
Hij was van afkomst een Kempische boerenzoon en studeerde aan de Normaalschool te Lier, gevolgd door kunstgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Gent.
Je zou het niet verwachten voor dé specialist van de Vlaamse heemkunde: Weyns doctoreerde over het plastiek van het Neder-Kongo-stijlgebied. Hij werkte ook enkele jaren als wetenschappelijk medewerker bij het Museum van Midden-Afrika in Tervuren en was later verbonden aan het Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis in Brussel.
In 1951 bouwde hij eigenhandig ‘Ter Speelbergen’, zijn landelijke huis in Beerzel. Hij schreef er ook een boek over, Het verhaal van ons huis (1954), dat bij verschijning een groot succes kende.
In 1953 startte hij met de bouw van het Openluchtmuseum van Bokrijk, waarvan hij de eerste conservator werd en waarvoor hij Europese erkenning kreeg.
Als autoriteit in de heemkunde was hij jarenlang voorzitter van het Verbond voor Heemkunde. In Heist-op-den-Berg leidde hij ook de plaatselijke heemkundige kring ‘Die Swane’. Deze vereniging verzamelde postuum verschillende van Weyns’ teksten en gaf ze uit onder de titel Haard en Heem.
Terecht merkt Gaston Durnez op dat Weyns “een theoretische en praktische beoefenaar was van de Volkskunde en geen kamergeleerde.”
ZEURIGE HISTORICI
Weyns heeft nooit een geheim gemaakt van het feit dat hij in zijn studentenjaren, onder invloed van zijn vriend Jef van Bilzen, sympathiseerde met het Verdinaso van Joris van Severen.
Jef van Bilzen koos tijdens de Tweede Wereldoorlog het verzet, terwijl Weyns nooit voor collaboratie werd veroordeeld.
Maar een conservatieve kan volgens zeurige historici alleen maar een vileine figuur zijn. Ze zingen uitsluitend het lied “De gedachten zijn vrij” voor de kameraden die zich ooit troskisten of maoïsten noemden. Voor hun eigen troepen zijn dat uiteraard te vergeven jeugdzonden, waarvoor wetenschappelijke verklaringen gelden. Voor conservatieven verdient het ‘misdadig’ verklaarde verleden aan de schandpaal te worden geplaatst, inclusief eeuwige verbanning en boekverbranding.
Een voorbeeld van deze theorie gaf recent historicus Robert Nouwen, ooit medewerker van het museum van Bokrijk. Om te bewijzen dat de visie op volkskunde van mensen als Weyns verdacht was en blijft, refereerde hij, stel je voor, naar één zin uit het boek Haard en Heem. Toen ik hem vroeg naar de exacte referentie, citeerde hij parmant blz. 29:
“Door huis en haard loopt de keten der geslachten, die eeuwige stroom van het bloed.”
Robert leest hier ‘bloed’ in de betekenis van ‘bloed en bodem’, de bekende theorie van de nazi’s, als poging tot reductio ad Hitlerum.
Ik zou denken dat zo’n zin juist vraagt om de cursus empathie voor de tijd waarin iemand leefde voor alle opgeleide historici.
Voor een goed begrip citeer ik nog de filosoof Spinoza:
“Ik heb er met zorg naar gestreefd de menselijke handelingen niet te bespotten, niet te betreuren, noch te verachten, maar te begrijpen.”
Weyns overleed veel te vroeg op 15 juli 1974. Toen hij stierf, werkte hij aan de laatste noten van zijn Volkshuisraad in Vlaanderen, dat postuum door zijn weduwe werd uitgegeven. Het werd een vierdelige, monumentale encyclopedie van de volkscultuur, een uniek wetenschappelijk instrument dat nooit werd overtroffen.
In zijn dorp Beerzel waren ze gelukkig slimmer dan onze progressieve historici: een straat én de basisschool zijn naar Jozef Weyns genoemd. En dat mag nog heel lang zo blijven.
04.04.2026