WIDOPEDIA
Een blog over Frans-Vlaanderen, de Nederlanden en Europa
Wido Bourel

Meest recente berichten
Archieven
Kernwoorden

Archieven voor week 27, 2026

In het Land van Plezantiën

Het Land van Plezantiën was tot drie jaar geleden de naam van onze Marnixring. Ik was er enkele jaren voorzitter en ondervoorzitter. Onze ring telde echter te weinig leden, en na de Covidperiode hebben we onze activiteiten stopgezet. De leden hebben zich verspreid over andere ringen, maar wat gebleven is, is de vriendschap.

De voormalige Plezantiërs komen nog altijd jaarlijks samen, met hetzelfde plezier en dezelfde leute als vroeger. Tijdens onze vorige bijeenkomst kreeg ik van onze Protocolmeester, Remi Appermont, deze tekening.

Wie mij kent, weet dat ik een republikein ben, maar het was bijzonder aangenaam om voor één dag als een koning te mogen vertoeven tussen de plezanten van het Land van…

Trefwoorden: Land van Plezantiën – Marnixring

Gepubliceerd

05.07.2026

Kernwoorden
Reacties

Geen Frans in Vlaanderen zonder Nederlands in Frans-Vlaanderen

Mijn antwoord aan de minister-president (vervolg)

Ik ga verder met mijn analyse van het antwoord van minister-president Matthias Diependaele op de vragen van VB-volksvertegenwoordiger Kristof Slagmuder in het Vlaams parlement. Mijn derde stuk gaat over het overleg met de lokale spelers en de financiële steun, zoals door de minister-president in zijn antwoord geformuleerd.

OVER EEN RONDE TAFEL

Minister-president Diependaele verwijst naar een rondetafel in 2024 met lokale actoren, docenten Nederlands, de diplomatieke vertegenwoordiger van de Vlaamse Gemeenschap en van de Taalunie. Niet toevallig was ik aanwezig op deze rondetafel.

Er werd toen intens gedebatteerd. Er werden ook kritische vragen gesteld over visie, mogelijkheden en beleid inzake Frans-Vlaanderen. Maar wat is er verder van al deze vragen en interessante stellingen geworden? Eigenlijk niets. Het was, zoals dikwijls, praten voor de vaak.

De door de minister-president gesuggereerde rode draad tussen deze rondetafel en projecten in Duinkerke of de gesprekken met de ‘Académie de Lille’ (Rijsel, ook voor de Vlaamse regering) is louter denkbeeldig en hoort bij de retoriek van het moment.

OVER SUBSIDIES

Minister-president Diependaele noemt een instelling en een vereniging als gelukkige ontvangers van subsidies: het Huis van het Nederlands in Belle en de Andries Stevenkring voor zijn opleidingen Nederlands in het lager onderwijs.

Ik ben goed geplaatst als medestichter van de Andries Stevenkring en als bescheiden sponsor van opleidingen Nederlands in de regio om te schrijven — en ik weeg mijn woorden — dat armoede troef is. De centen waar Diependaele over spreekt, gaan in het beste geval over het vullen van gaten en aalmoesjes via achterpoortjes.

Voor wie eraan twijfelt: ik heb dit nagekeken bij de betrokken actoren voor ik dit schreef.

Van mijn weinig bemiddelde ouders heb ik geleerd dankbaar te zijn als ik iets krijg. En ook dat alle kleintjes helpen. Maar hier is geen sprake van georganiseerde hulp van de Vlaamse regering die naam waardig.

Leraarsopleidingen ondersteunen, zoals het momenteel gebeurt, is uiteraard welkom. Het zou nog mankeren dat dit niet zou kunnen. Maar je kan dat moeilijk een grensoverschrijdend cultuurproject van omvang en allure noemen.

Ik herinner mijn lezers eraan dat in de zogenaamde Hauts-de-France, tussen haakjes een van de belangrijkste partners van Vlaanderen inzake economie, het aanleren van de Nederlandse taal 0,0001% van de studerende jeugd betreft, om het uit te drukken zoals Contador.

Dat komt omdat Frankrijk dit maximaal afremt achter de schermen en het Nederlands als vreemde taal benadert. In mijn jeugd was dat de zoveelste taal, na Engels, Duits, Spaans, Arabisch, Russisch, Chinees en Hebreeuws.

Terwijl Vlaanderen in zijn broek doet van de schrik om de Fransen diplomatisch aan te spreken dat ze beter kunnen. En dat de Vlaamse regering — terwijl die met miljarden speelt — en de Vlaamse en Heel-Nederlandse beweging iets op poten zouden moeten zetten via welke wegen ook.

Het te volgen voorbeeld, aangepast aan onze tijd, is uiteraard de actie van het Komitee van Frans-Vlaanderen (KFV) in de tweede helft van de vorige eeuw. Nota bene was het KFV een privé-initiatief, geleid door onbezoldigde vrijwilligers.

Waar zijn ze in Vlaanderen: de Luc Verbeke, André Demedts, Jozef Deleu en Cyriel Moeyaert van onze tijd?

HET FRANS IN VLAANDEREN AFSCHAFFEN?

Er zijn trouwens wapens genoeg om de Franse instanties duidelijk te maken dat het welletjes is. Ik geef een voorbeeld: waarom moet men in Vlaanderen het Frans in het lager onderwijs als eerste vreemde taal blijven verplichten, als Frankrijk geen reciprociteit voorziet voor het Nederlands in de Hauts-de-France?

Opgelet: ik vraag hier niet om het Frans af te schaffen. Ik vraag om het Nederlands als tweede of derde taal in de Franse scholen van Noord-Frankrijk te veralgemenen.

Ook vraag ik om de Raad van de Hauts-de-France diplomatisch te benaderen om het Nederlands te laten erkennen als streektaal naast het West-Vlaams, zoals dat reeds het geval is voor het Duits naast de streektalen van de Elzas.

Er is in Vlaanderen een V-partij aan de macht. Dat moet zich kunnen vertalen in een ambitieus en positief Vlaams-Europees cultuurproject in en voor Frans-Vlaanderen.

Een project dat Vlaanderen, zijn taal en cultuur doet uitstralen tot in Duinkerke, Rijsel en Parijs. Over de schreve wordt door Frankrijk al eeuwen een taalmoord, een moord op onze taal gepleegd. Dat los je niet op met aalmoezen, mijnheer de minister-president.

Gepubliceerd

04.07.2026

Kernwoorden
Reacties

Diplomatie met de fanfare voorop

Volgens een reactie van lezer Marc Leys op deze pagina zou de “cultuurmoord” in Frans-Vlaanderen beginnen met Napoleon. Maar historisch kan die lijn gerust verder worden doorgetrokken: het absolutisme van het Franse koninkrijk speelde al vroeger mee, terwijl de Franse Revolutie zonder twijfel verantwoordelijk is voor het grote platwalsen én de taalmoord in Frans-Vlaanderen en elders.

De vraag of Vlaanderen “weinig of niets te doen heeft” op het vlak van internationaal cultuurbeleid — in het bijzonder ten aanzien van Frans-Vlaanderen — vertrekt eigenlijk van een misvatting. Elk land voert immers een internationaal cultuur- en economisch beleid, in de eerste plaats ten aanzien van zijn directe buren. Vlaanderen beschikt vandaag over culturele bevoegdheden en doet er goed aan die ook in grensoverschrijdende context ernstig te nemen. Een Vlaanderen dat zich daarvan principieel afkeert, kiest voor zelfbeperking en toont een gebrek aan volwassenheid.

Dat heeft niets te maken met agressie, annexatie of enige vorm van irredentisme. Het gaat niet om grenzen te hertekenen — Europa is nu bepalend — maar om culturele aanwezigheid, samenwerking en historische continuïteit. De manier waarop dat gebeurt — zichtbaar of discreet, met of zonder fanfare — is geen ideologisch dogma, maar een kwestie van context en stijl. Niet elk grensoverschrijdend contact hoeft immers met trompetgeschal te worden aangekondigd, maar het omgekeerde is evenmin een deugd.

Internationaal samenwerken is overigens geen eenrichtingsverkeer. Frankrijk is zelf vragende partij in dossiers die gaan van mobiliteit en migratie tot veiligheid en van waterbeheer tot wegeninfrastructuur. Grensoverschrijdende realiteit is dus eerder regel dan uitzondering.

Er bestaan in België Franse scholen (zogenoemde Lycée français), onder meer in Ukkel en Antwerpen. In dat licht is het logisch te stellen dat er ook in het noorden van Frankrijk, en meer bepaald in Frans-Vlaanderen, ruimte zou kunnen zijn voor Nederlandstalige tegenhangers. Niet als provocatie, maar als vorm van culturele reciprociteit. Zonder dramatiek: de taal van zijn voorouders en van de buren leren is geen misdrijf tegen de menselijkheid.

Over taal en volksminderheden moet iets fundamenteler gezegd worden. In Europa groeit het besef dat minderheidstalen geen folkloristische randverschijnselen zijn, maar dragers van identiteit en culturele continuïteit. Het West-Vlaams is daarbij geen curiosum, maar een regionale variant binnen de Nederlandse taalfamilie. Het probleem is niet dat die realiteit bestaat, maar dat ze vaak onvoldoende gekend is. Een ernstig internationaal cultuurbeleid kan net bijdragen tot dat bewustzijn.

Wat werk betreft, is de lijn eenvoudiger. Het is logisch dat wie in Vlaanderen komt werken en zich wil integreren, zich richt op het Standaardnederlands — niet alleen op regionale varianten. Dat is geen waardeoordeel over dialecten, maar een functionele realiteit in administratie, arbeidsreglementen en officiële communicatie op de werkvloer. Organisaties zoals Voka West-Vlaanderen zouden dat gerust duidelijker mogen toelichten in hun grensoverschrijdende contacten.

En dan de klassieke reflex dat Frankrijk zich zou kunnen beroepen op “inmenging”. Het zou bijna grappig kunnen zijn, ware het niet dat het voor onze streken tragisch werd. Dat land heeft in de Zuidelijke Nederlanden en later in België historisch zelf een uitgesproken imperialistische politiek gevoerd en daarbij op taal- en cultuurvlak tabula rasa gemaakt, van Lodewijk XIV over de Revolutie en Napoleon tot ver in de moderne tijd. Franse opmerkingen kunnen we daarom missen als kiespijn.

Mijn punt blijft eenvoudig: Frans-Vlaanderen is geen afgesloten hoofdstuk. Het is een regio met een geschiedenis, een taalverleden en culturele lijnen die nog altijd bestaan, ook al zijn ze verzwakt. Het is ook een regio met een toekomst waarin onze noorderburen uiteraard een bijzondere plaats innemen. Daarom is culturele actie een noodzaak.

En dat verdient het om gezegd te worden, ook als de fanfare daarbij niet altijd voorop hoeft te lopen.

Gepubliceerd

03.07.2026

Kernwoorden
Reacties

Frans-Vlaanderen en de heel, heel braafje Vlaamse politiek

Volksvertegenwoordiger Kristof Slagmulders van oppositiepartij Vlaams Belang heeft, en dat siert hem,  op 1juli jl. aan de Vlaamse regering opnieuw schriftelijke vragen over de zaak van de Nederlandse taal in Frans-Vlaanderen.  Matthias Diependaele, Vlaamse minister-president en voorname lid van NVA heeft, zoals het hoort deze  vragen beantwoord. Ik wil graag op deze pagina in de volgende dagen dit antwoord fileren omdat het ook de houding – of is het de afwezigheid- van Vlaanderen inzake Frans-Vlaanderen illustreert.

Diependale is het met Slagmulder eens: hij antwoord dat ‘ een goede kennis van de taal van de buurregio uiteraard bevorderlijk is voor de onderlinge samenwerking’ en dat dit ook geldt voor de kennis van het Nederlands in Frans-Vlaanderen.

Dat is heel, heel, heel  braaf en ook slaapwekkend want om de drie jaar wordt hetzelfde plaat gedraaid. Terwijl in Frans-Vlaanderen een TAALMOORD, een linguicide wordt gelpleegd.‘Zet dat plaat af’ zou ik zeggen zoals een illustere partijgenoot dat ooit in onvervals Antwerps formuleerde.  Hier gaat het alleen maar over ‘de taal van de buren’ en niet over de gemeenschappelijke taal die ooit in Frans-Vlaanderen werd gesproken. En de minister-president haast zich om te benadrukken dat ‘het onderwijs van het Nederlands in Frans-Vlaanderen ‘een bevoegdheid is van de Franse overheden’ en dat Vlaanderen ‘geen rechtstreekse invloed heeft op de huidige evolutie’ tenzij dat via de Taalunie ondersteuning wordt geboden in het kader van bilaterale samenwerking. Dat Frankrijk op Frans grondgebied bevoegd is is een waarheid als een koe. En dat het  in Frans-Vlaanderen over  ‘bilaterale samenwerking’ gaat is dan weer  een opendeur intrapen.

Mijn vraag is, los voor deze diplomatische en strooplikkende taal, om een lege doos te beschrijven wat is de politieke mening van de Vlaamse regering inzake Frans-Vlaanderen? Wat doet de Vlaamse regering concreet om de kameraden van de Hauts de France duidelijk te maken dat onze taal en onze cultuur Nederlands is, dat de erkenning van het West-Vlaams  aldaar niets bij brengt dat een beetje leuke folklore voor de Vlaamse pintendrinker en week-end toerist; dat de Vlaamse bedrijven die in Frans-Vlaanderen investeren ook de drager zouden zijn van onze taal en cultuur; en welk extra rol het Vlaams onderwijs in Vlaanderen zo kunnen spelen om op alle niveau’s  aan de schreve de komst van Frans-Vlamingen te faciliteren?  Dat laatst is geen Franse maar een Vlaamse bevoegdheid! En als het portefeuille van onderwijs een NVA- portefeuille wie is dan bevoegd en wie neemt initiatieven?

Ik kom in de volgende dagen op deze pagina  meer in detail terug op de antwoorden van de Minister-President. En ik zal hebben over ‘geen woorden maar daden’ zoals in het Vlaamse liedje.  

Gepubliceerd

02.07.2026

Kernwoorden
Reacties

Olier Mordrel: “Zelfs aan het einde van de wereld blijft mijn hart met Bretagne verbonden”

Op 1 juli 1934 lanceerde de Bretoense nationalistische ideoloog en schrijver Olier Mordrel (1901-1985) het tijdschrift Stur (Bretoens voor ‘roer’).

De verschijning ervan was reeds in januari 1934 aangekondigd in het blad Breiz Atao:

“Al vele jaren koesteren wij het plan een driemaandelijks tijdschrift voor Bretoense studies op te richten. Een congres van de Bretoense Autonomistische Partij had dit principe reeds goedgekeurd. Met Stur willen wij onze beweging het specifiek Bretoense intellectuele werkorgaan geven dat haar altijd heeft ontbroken. Het zal de nationalistisch gezinde en ontwikkelde Bretoense elite samenbrengen om een geestelijke gemeenschap en eenheid van denken tot stand te brengen. Het doel is er een strijdinstrument voor de Bretoense zaak van te maken.”

Stur stond open voor de nationaal-revolutionaire ideeën die zich in die periode in verschillende Europese landen verspreidden. Binnen de Bretoense beweging zelf spraken sommige critici zelfs van een vorm van “Bretoens nationaalsocialisme”.

In 1937 verscheen in Breiz Atao een kritisch artikel waarin het tijdschrift onder meer werd verweten het Frans te gebruiken in plaats van het Bretoens. Ook Mordrels nordicisme en zijn anti-Latijnse oriëntatie werden bekritiseerd. Tegelijkertijd werd het belang van Stur voor de Bretoense beweging erkend, op voorwaarde dat het “trouw zou blijven aan de Bretoense bodem en zich niet zou verliezen in de nevelen van het Noorden”.

Mordrel reageerde hierop met een verduidelijking van zijn uitgangspunt:

“Mijn uitgangspunt is niet Bretagne te nemen zoals het is: onwetend, beschaamd, misleid, afgedwaald en verfranst. Mijn taak is Bretagne weer op te richten en richting te geven.”

Hij beklemtoonde bovendien dat zijn nordicisme niet van etnische, maar van spirituele aard was.

Stur verscheen van 1934 tot 1944, met een onderbreking van drie jaar aan het begin van de Tweede Wereldoorlog.

OVER OLIER MORDREL

Olier Mordrel werd geboren op 29 april 1901 in Parijs. Van opleiding was hij architect. Na de Eerste Wereldoorlog groeide hij uit tot de belangrijkste ideoloog van het Bretoense nationalisme. Hij was een van de stichtende medewerkers van Breiz Atao en medeoprichter van de Bretoense Autonomistische Partij in 1927.

Vanaf het einde van de jaren dertig evolueerde hij steeds meer in de richting van de Duitse Nieuwe Orde. Tijdens  de Tweede Wereldoorlog stond hij open voor samenwerking met Duitsland Hij zag in de Duitse bezetting een kans om de onafhankelijkheid van Bretagne  te bereiken. Echter, zijn relatie met de Duitsers verslechterde uiteindelijk.De Duitsers, die hem aanvankelijk als een nuttige bondgenoot beschouwden, promootten hem later naar een positie in Duitsland zelf. Dit was een manier om hem en zijn invloed in Bretagne te beperken, omdat zijn nationalistische activiteiten soms conflicteerden met de Duitse belangen.

Na de Bevrijding werd hij tweemaal ter dood veroordeeld: Hij werd twee keer ter dood veroordeeld: een eerste  keer in 1940 door een Franse militaire rechtbank en opnieuw in 1946, tijdens het proces tegen de Bretoense nationalistische leiders. Hij week daarop uit naar Argentinië, waar hij gedurende 22 jaar in ballingschap leefde.

In 1972 keerde hij in alle discretie naar Bretagne terug. Als bevoorrechte getuige publiceerde hij verschillende merkwaardige boeken over de geschiedenis en de actualiteit van het Bretoense nationalisme. Enkele titels: Breiz Atao, histoire et actualité du nationalisme breton (1973); La voie bretonne, Nature et Bretagne (1975); Les hommes-dieux. Récits de mythologie celtique (1979); L’Idée bretonne (1981); Le mythe de l’Hexagone (1981); La Bretagne (1983).

Olier Mordrel overleed op 25 oktober 1985 in Quimper, Bretagne.

Gepubliceerd

01.07.2026

Kernwoorden
Reacties

Emmanuel Looten: Mijn Vlaanderen – warm hart

Op 30 juni 1974 overleed de Frans-Vlaamse dichter, dramaturg, redenaar en kunstcriticus Emmanuel Looten in ‘zijn’ stad Sint-Winoksbergen. Tijdens een verblijf in Golfe-Juan werd hij getroffen door een hartinfarct. Volgens zijn biograaf en vertaler Willy Spillebeen liet Looten zich nog naar zijn geboortestad Sint-Winoksbergen overbrengen, een autorit van ruim 1.000 kilometer. Spillebeen vermeldt dit in zijn In memoriam, gepubliceerd in 1974 in het tijdschrift Ons Erfdeel. Korte tijd na zijn aankomst overleed Looten in zijn geboortehuis. Hij werd 65 jaar oud (°1908).

Weinig gebeurtenissen illustreren de diepe verbondenheid van Emmanuel Looten met zijn geboortestad en met het Vlaamse land beter dan zijn wens om er ook te sterven. Zijn leven en zijn poëzie vielen samen. Mijn Vlaanderen – Warm Hart was niet alleen de titel van een van zijn gedichten, maar ook de kern van zijn bestaan.

Zijn teksten klonken zoals hij zelf was. Fysiek was Looten een krachtpatser. In zijn jeugd liep hij de 100 meter in 11 seconden. Hij was ook een uitstekend kogelstoter en rugbyspeler. Tijdens de Tweede Wereldoorlog engageerde hij zich als vliegenier.

Zijn hele leven combineerde hij zijn schrijverschap met het leiden van het goed draaiende familiebedrijf in ijzerwaren, samen met zijn broer.

Zijn dichtbundels gaf hij meestal in eigen beheer uit, geïllustreerd met werk van bevriende kunstenaars. Zijn poëzie bezingt de oerkracht van Vlaanderen, de ruwheid van het landschap, de grijze Noordzee en de wind van het Noorden. Vlaanderen zag hij in zijn historische dimensie, zonder staatsgrenzen. De Noordzee beschouwde hij als de poort naar de wereld, zonder ooit zijn wortels te verloochenen.

Looten schreef in het Frans, maar in een geheel eigen, haast ‘Lootense’ taal: schurend, hard, ruw en tegelijk verrassend poëtisch, zoals de ijzerwaren die hij dagelijks verkocht. Zijn woorden waren Frans, maar zijn klanken waren Vlaams. Zijn poëzie is eigenlijk onvertaalbaar, al werden er verdienstelijke vertalingen gemaakt in onder meer het Nederlands, Italiaans, Arabisch, Perzisch en Japans.

Na de Tweede Wereldoorlog werd Looten in Vlaanderen geïntroduceerd door prof. Vital Celen. Zijn vertaler Willy Spillebeen publiceerde in 1963 een boeiende studie over hem in Bladen voor de Poëzie. Ook Bert Peleman vertaalde gedichten van Looten en gaf in 1970 het tweetalige album Harte-Vlaanderen – Flandre à cœur uit.

Dat album bevat een bloemlezing van zijn mooiste, diepgewortelde gedichten: Jij Vlaanderen (“Vleselijk Vlaanderen, begijn van de humus…”), Mijn land (“Reusachtig Vlaanderen dat ik doorschrijd…”), Harte-Vlaanderen (“Korte krachtstoot, Vlaanderen de Leeuw!”) en De Schelde (“Atletische stroom die zijn kokende krachten richt op de razende zee…”).

Emmanuel Looten was bovendien bevriend met tal van beeldende kunstenaars en schrijvers, onder wie Arthur Van Hecke, Georges Mathieu, Karel Appel, Salvador Dalí, Marguerite Yourcenar, Lucio Fontana, Hisao Domoto en Yukio Mishima. Voor Mishima, die in 1970 seppuku pleegde, schreef hij een afscheidsgedicht dat ook op de Japanse televisie werd voorgelezen.

Het museum van Sint-Winoksbergen inventariseert momenteel de nalatenschap van Emmanuel Looten. Die inventarisatie moet uitmonden in een catalogus en een tentoonstelling in 2028.

Wido

Gepubliceerd

30.06.2026

Kernwoorden
Reacties

Jan Klaas was geen trompetter, maar de waker van het vuur…

In juni 1970 verscheen in het regionale maandblad Le Nord een interview met dr. Jan Klaas (1925-2015), de initiatiefnemer van de Section fédéraliste des Pays-Bas français. Daarin pleitte hij onder meer voor:

  • een nieuwe naam voor de regio;
  • werk in eigen streek en het tegengaan van de uittocht van talent naar Parijs;
  • een federale structuur voor Frankrijk en Europa, in de geest van Guy Héraud;
  • een democratisch federalisme in dialoog met andere volkeren.

Jan Klaas werd op 19 maart 1925 geboren in Kales. Hij studeerde aan het Lycée des Flandres in Hazebroek (waar ik later zelf ook studeerde) en vervolgens geneeskunde aan de Rijksuniversiteit van Rijsel. Daarna vestigde hij zich als arts in Sint-Omaars.

Tijdens een bombardement op Hazebroek in 1941 viel het hem op dat mensen in momenten van angst en emotie spontaan hun moedertaal spraken en niet het Frans. Die ervaring wekte zijn belangstelling voor het Nederlands, dat hij vervolgens ook leerde.

Als nieuwsgierige student woonde hij na de oorlog het proces tegen het Vlaams Verbond bij. De verdediging van Jean-Marie Gantois en zijn medestanders maakte diepe indruk op hem. Zo groeide hij uit tot een overtuigde voorvechter van de Vlaamse zaak.

Vrij onverwacht werd hij een sleutelfiguur in de heropleving van de Frans-Vlaamse beweging. Vanaf 1950 nam hij deel aan de Frans-Vlaamse Cultuurdagen, waar hij geregeld als spreker optrad.

In december 1951 richtte hij, samen met het Waregems Comité voor Frans-Vlaanderen, het tijdschrift Notre Flandre op, waarvan hij tot het einde in 1969 directeur bleef.

In september 1958 stichtte hij samen met Jean-Marie Gantois de vereniging De Vlaamse Vrienden in Frankrijk. Na het overlijden van Gantois in 1968 en het verdwijnen van Notre Flandre in 1969 richtte Jan Klaas de federalistische kring Section fédéraliste des Pays-Bas français op. Op zijn initiatief verscheen ook het nieuwe tijdschrift La Nouvelle Flandre (1969-1971), dat een uitgesproken politieke koers volgde en zich inzette voor de economische heropleving van de regio.

Daarna trad Jan Klaas geleidelijk uit de schijnwerpers. Zijn laatste engagement, het federalisme, inspireerde echter begin jaren zeventig een jonge groep federalistische studenten in Rijsel, uitgevers van de bescheiden maar invloedrijke nieuwsbrief Le Courrier lillois. Die groep werd een echte kweekschool voor een nieuwe generatie die later actief zou zijn in tal van verenigingen, publicaties en culturele en politieke initiatieven.

Tot die pioniers behoorden onder meer François-Xavier Dillmann, Gérard Landry, Alain Walenne, Georges de Verrewaere. En een beetje later nog enkele jongeren: Eric Vanneufville, Félix Boutu, Jan-Pol Sepieter, enz.

Zelf was ik in 1970 pas vijftien jaar oud. Ik heb Jan Klaas slechts enkele keren ontmoet. Daarna verdween hij in de anonimiteit. Hij overleed op 30 december 2015 in Koksijde, waar hij zich had teruggetrokken.

Jan Klaas was geen trompetter. Hij was ook niet de man van het grote gebaar. Maar hij hield het vuur brandend in een periode waarin velen dachten dat het zou doven. Daardoor kon een nieuwe generatie het opnieuw aanwakkeren. Als iemand de eretitel “waker van het vuur” verdient, dan is hij het wel.

Gepubliceerd

29.06.2026

Kernwoorden
Reacties