WIDOPEDIA
Een blog over Frans-Vlaanderen, de Nederlanden en Europa
Wido Bourel

Meest recente berichten
Archieven
Kernwoorden

Archieven voor week 25, 2026

🎨 Hoe Pharaon de Winter aan zijn voornaam kwam

Op 21 juni 1924 overleed in Rijsel de Frans-Vlaamse schilder Pharaon de Winter. Hij werd geboren in Belle in 1849. Eigenlijk had hij Faron moeten heten, maar een koppige ambtenaar van de burgerlijke stand maakte er Pharaon van. Met die vergissing zou hij de geschiedenis ingaan als een van de belangrijkste Frans-Vlaamse schilders van zijn tijd.

De Winter was de zoon van een klompenmaker. Via een tante die het hotel Le Panier d’Or in Brugge uitbaatte, kwam hij als jonge man in de stad terecht. Daar verbleef en werkte hij zes jaar. Zijn talent bleef niet onopgemerkt. De schilder Henri-Julien De Stoop nam hem onder zijn vleugels en bezorgde hem een opleiding aan de Brugse Academie. Met succes: al in 1865 behaalde hij er een zilveren medaille.

Na een triomftocht langs de lokale prijskampen in Belle trok hij naar Rijsel om er verder te studeren bij Alphonse Colas. Vanaf 1872 vervolmaakte hij zich in Parijs. Intussen gaf hij ook tekenles aan een privéschool in Rijsel.

Zijn eerste grote tentoonstelling volgde in 1875. Op de prestigieuze Salon van de Société des Artistes Français stelde hij onder meer een portret en een naakt van Sint-Sebastiaan tentoon. Dat laatste werk werd aangekocht door de Franse staat en hangt vandaag in het museum van Belle.

De Winter bleef zijn hele leven diep geworteld in zijn Vlaamse afkomst. Hij schilderde portretten, landschappen, interieurs en religieuze taferelen. Zijn inspiratie vond hij bij de mensen van de Westhoek. Vooral zijn portretten vallen op: ze tonen niet alleen een gezicht, maar lijken ook iets van het innerlijk van de geportretteerde prijs te geven. Daarom wordt hij wel eens een schilder van de Vlaamse ziel genoemd.

Vanaf 1880 groeide zijn faam in Frans-Vlaanderen. Hij kreeg prestigieuze portretopdrachten en werd bevriend met de bekende Frans-Vlaamse cultuurfiguur Edmond de Coussemaker.

Toen zijn leermeester Alphonse Colas in 1887 overleed, volgde De Winter hem op aan de School voor Schone Kunsten van Rijsel. Ook als docent bleek hij een succes. Verschillende van zijn leerlingen vielen in de prijzen, onder wie Charles Moulin en Arthur Mayeur, beiden laureaten van de prestigieuze Prix de Rome.

In 1911 kreeg hij een grote overzichtstentoonstelling in Robeke, waar tachtig van zijn werken werden samengebracht. Maar niet lang daarna sloeg het noodlot toe. Vanaf 1912 kreeg hij ernstige gezichtsproblemen. Tijdens de oorlog onderging hij maar liefst zes oogoperaties, zonder blijvend succes.

Alsof dat nog niet genoeg was, werd zijn geboortestad Belle tijdens het Duitse offensief van 1918 vrijwel volledig verwoest. Ook zijn atelier ging in vlammen op. Daar lagen honderden werken opgeslagen, bestemd voor een museum dat hij zelf wilde oprichten. Van de 252 werken die we van hem kennen, overleefden er amper een vijftigtal de brand.

Na de oorlog was niets nog hetzelfde. De Winter kon niet meer schilderen. De tijd van de grote salons was voorbij en de kunstwereld had zich intussen bekeerd tot nieuwe stromingen. Zijn realistische stijl, ooit zo bewonderd, gold plots als ouderwets.

Toch blijft Pharaon de Winter een indrukwekkende figuur: een meesterlijk vakman, geworteld in de Vlaamse traditie, die met verf en penseel het leven van gewone mensen wist vast te leggen. Niet de kunst van het spektakel, maar de kunst van de mens. Dat maakt zijn werk vandaag nog altijd bijzonder.

Gepubliceerd

21.06.2026

Kernwoorden
Reacties

Willem Barentsz: de man die zijn leven gaf voor een route naar Azië

Op 20 juni 1597 overleed op Nova Zembla de Nederlandse zeevaarder en poolreiziger Willem Barentsz, een van de beroemdste ontdekkingsreizigers uit de geschiedenis van de Lage Landen. Hij stierf tijdens zijn derde poging om via het noorden een zeeroute naar Azië te vinden, een onderneming die hem onsterfelijk maakte in de maritieme geschiedenis.

Willem Barentsz werd vermoedelijk rond 1550 geboren op het Waddeneiland Terschelling, al bestaat daarover geen volledige zekerheid. Zijn familienaam betekent letterlijk “zoon van Barent”, wat erop wijst dat zijn vader waarschijnlijk Barent heette. Over zijn jeugd en familie is weinig bekend, maar vast staat dat hij later terechtkwam in Amsterdam, waar hij werkzaam was als zeevaarder, stuurman en cartograaf. Hij verwierf er een uitstekende reputatie als navigator en kaartenmaker.

Aan het einde van de zestiende eeuw waren de lucratieve handelsroutes naar Azië grotendeels in handen van Spanje en Portugal. Nederlandse kooplieden gingen daarom op zoek naar een alternatieve verbinding met China en de Oost. Men hoopte een doorgang te vinden langs de noordkust van Europa en Azië, een route die bekendstaat als de Noordoostelijke Doorvaart. Een succesvolle ontdekking zou enorme economische voordelen opleveren voor de jonge Republiek.

Barentsz nam tussen 1594 en 1597 deel aan drie expedities naar het hoge noorden. Tijdens deze reizen verkende hij onbekende wateren en bracht hij nieuwe gebieden in kaart. Hij ontdekte onder meer de eilandengroepen Spitsbergen en Bereneiland, waarmee hij een belangrijke bijdrage leverde aan de kennis van het Noordpoolgebied.

Zijn derde reis werd echter zijn beroemdste. Het expeditieschip raakte vast in het ijs aan de kust van Nova Zembla. Omdat ontsnappen onmogelijk was, bouwden de zeelieden met hout van het schip een onderkomen dat bekend werd als het “Behouden Huys”. Daar overleefden zij een van de eerste gedocumenteerde overwinteringen in het poolgebied. De mannen kregen te maken met extreme kou, voedseltekorten, ijsberen en maandenlange duisternis.

Toen het ijs in het voorjaar van 1597 gedeeltelijk begon te wijken, verlieten de overlevenden hun schip in twee open sloepen. Tijdens de zware terugtocht bezweek Willem Barentsz op 20 juni 1597, vermoedelijk door uitputting en de ontberingen van de voorbije maanden. Hij werd ongeveer 47 jaar oud.

Hoewel hij de gezochte route naar Azië nooit vond, was het belang van zijn expedities enorm. Zijn kaarten, waarnemingen en verslagen verrijkten de Europese kennis van het Noordpoolgebied en vormden eeuwenlang een waardevolle bron voor latere ontdekkingsreizigers. De droom van een Noordoostelijke Doorvaart zou pas vele eeuwen later gedeeltelijk werkelijkheid worden.

De naam van Willem Barentsz leeft voort in de Barentszzee, het Barentszeiland en de nederzetting Barentszburg. Zijn verhaal blijft een indrukwekkend voorbeeld van menselijke volharding, ontdekkingsdrang en de zoektocht naar nieuwe wegen in een tijd waarin grote delen van de wereld nog onbekend waren.

Gepubliceerd

20.06.2026

Kernwoorden
Reacties

De boekhandel is stervende, lang leve het boek!

Gisteren zat ik bij mijn uitgever Karl Drabbe van Ertsberg om de promotie van mijn nieuwe boek TAALMOORD (verschijnt in augustus) te bespreken. Altijd een fascinerend moment. Niet alleen het schrijven van een boek boeit me, maar ook alles wat daarna komt: de kaft, het papier, de promotie, de verkoop, de vraag of iemand het uiteindelijk ook leest.

Er is veel veranderd sinds mijn Brepols-jaren in de jaren negentig. Mijn functie had toen geen naam. Vandaag zou men het waarschijnlijk “marketing en sales” noemen, liefst in het Engels, omdat alles belangrijker klinkt in het Engels. In werkelijkheid deed ik van alles wat: auteurs begeleiden, meedenken over kaften en illustraties, oplages bepalen, promotiecampagnes uitwerken, boekhandels bezoeken, beurzen afschuimen. Het voordeel was dat je betrokken was bij het hele traject van een boek, van idee tot boekenkast.

Bij Brepols leerde je bovendien het vak aan de bron. Hoe drukken, vouwen en binden werkte. En als je iets niet wist, ging je gewoon naar de productie. Daar keken de mannen aan de machines soms geamuseerd naar de gedoctoreerde heren die Griekse en Latijnse teksten uitgaven, maar geen idee hadden wat hun eigen technische eisen betekenden. Mijn methode was eenvoudig: doen alsof ik niets wist. Dat was meestal ook zo. Respect tonen voor de vakman werkte wonderwel.

Zoals Herman van Veen ooit zong: “Alles wat ik weet, weet ik van een ander.” Het is een levenswijsheid die in een drukkerij nog beter werkt dan op een universiteit.

In die tijd werd van elk boek nog een dummy gemaakt: een blanco boekenblok waarmee je kon zien hoe papier, kaft en omvang samenwerkten. Ik heb er nog tientallen liggen van bijbels, kunstboeken en reisgidsen. Vandaag zijn het speelboeken voor de kleinkinderen. Onze oudste kleindochter wil schrijfster worden. Jong geleerd is oud gedaan.

En oplages? Die waren toen nog écht oplages. Duizenden exemplaren ineens, vervolgens jarenlang opgeslagen op pallets in magazijnen waar je een kleine gemeente kon huisvesten. Met jaarlijkse tellingen, restwaardeberekeningen en andere folkloristische rituelen waar accountants gelukkig van werden.

Wat ik misschien nog het meest mis, zijn de boekhandels. Ik bezocht er ooit zowat allemaal, in Vlaanderen en ver daarbuiten. Elke stad had zijn vaste parcours. Vandaag wandel ik soms door Antwerpen of Gent als een verdwaalde zombie langs adressen waar ooit prachtige boekhandels zaten. Veritas, Overdiep, Herckenrath, Intellect… verdwenen. Weg. Verdampt.

Dat waren nog winkels waar je een moeilijk boek kon bestellen of een verlanglijstje met antiquarische titels kon achterlaten. Vandaag krijg je soms al een zucht als je vraagt naar een boek dat niet in voorraad is. Men houdt zich liever bezig met de Top 10 van deze week, de boeken die gisteren op televisie passeerden en een handvol bestsellers waarvan de marges netjes samenvallen met de verkoopcijfers.

Wie geen Bart De Wever heet, geen worsten bakt zoals Jeroen Meus, sprakeloos is als Tom Lanoye, of met Bourgondische dan wel Napoleontische overdaad schrijft zoals Bart Van Loo en Johan Op de Beeck, vliegt na enkele maanden alweer uit de rekken richting retourzending.

Dat klinkt misschien wat zuur, maar eigenlijk is het vooral verdrietig. Want als boekenliefhebber – ik koop nog altijd minstens één boek per week, al tel ik ze niet meer om mijn geweten te sparen – mis ik de echte boekhandel. Niet de winkel als verkooppunt, maar de boekhandel als ontdekkingstocht.

Marc Didden schreef ooit een prachtige ode aan de boekhandel: Wie slim is vist hier. Daarin staat de mooie zin: “Omdat een goed boek een goede omgeving nodig heeft om zijn lezer te vinden, heeft God, of zijn manager, op een dag de boekhandel uitgevonden.”

Het boekje verscheen in 2012 en eindigt met de vraag: “Wie slim is vist hier, inderdaad. Maar wat als er straks geen vijver meer over is? En zelfs geen water?”

Veertien jaar later blijkt dat Marc Didden geen vraag stelde maar een diagnose. De zwanenzang van de boekhandel was toen al ingezet en het water in de vijver staat al meer dan een decennium laag. Gelukkig zijn er nog lezers. Voorlopig toch.

Gepubliceerd

19.06.2026

Kernwoorden
Reacties

Glenmor: “Om te zijn moet men vechten. Het is altijd de moeite waard.”

Vandaag is het dertig jaar geleden dat de Bretoense bard Glenmor overleed. Op 18 juni 1996 stierf hij in Quimperlé. Zijn echte naam was Émile Le Scouff.

Glenmor werd geboren in 1931 in een nog volledig Bretoenstalige familie. Hij volgde een gedegen opleiding aan het kleinseminarie, waar hij Latijn, Grieks en theologie studeerde. Later behaalde hij ook een diploma filosofie.

Priester werd hij uiteindelijk niet, al klinkt zijn religieuze achtergrond in vele van zijn teksten door.

Vanaf 1959 bouwde hij een carrière uit als zanger en schrijver in het Bretoens en het Frans. Daarbij nam hij de artiestennaam Glenmor aan, wat in het Bretoens letterlijk “land en zee” betekent. Nog vóór Alan Stivell de Bretoense muziek internationaal bekend maakte, groeide Glenmor uit tot een van de belangrijkste stemmen van een naoorlogse Bretoense generatie die haar identiteit opnieuw opeiste. Met zijn gecultiveerde anarchistische uitstraling, zijn declamerende zangstijl en zijn geëngageerde liederen trok hij van Bretagne naar Parijs en vervolgens door heel Europa.

In 1961 verbleef hij enkele maanden in Brussel. Daar raakte hij bevriend met Jacques Brel en ontmoette hij de vrouw die later zijn echtgenote zou worden en zelf naam zou maken als vertelster. In Bretagne vertelt men bovendien graag dat Glenmor de “Émile” is aan wie Brel in Le Moribond zijn afscheid richtte: « Adieu l’Émile, je t’aimais bien ». Waarheid of legende? Soms zijn beide in Bretagne moeilijk van elkaar te onderscheiden.

Glenmor had ook een uitgesproken activistische kant. In 1979 ging hij in hongerstaking uit protest tegen de arrestatie van twintig Bretoense activisten. Ook sprak hij zijn steun uit voor Bretoense activisten die vervolgd werden na een aanslag op het kasteel van Versailles.

In 1990 stopte hij met optreden en legde hij zich volledig toe op het schrijven. Zijn werk behandelt thema’s als de Bretoense vrijheden, het collectieve geheugen van Bretagne en de culturele dominantie van Parijs. Hij schreef verhalen, essays, kronieken, gedichten, een operette en de roman La Septième Mort.

Men houdt van Glenmors stijl of men houdt er niet van. Maar als zanger, dichter, schrijver en columnist gebruikte hij woorden en liederen als instrumenten van cultureel verzet. Met zijn unieke stem en provocerende teksten schudde hij een hele generatie wakker en gaf hij de hedendaagse Bretoense culturele beweging een geweten.

Glenmor schreef:

“Je bent iets verschuldigd aan je volk,
aan de aarde die het draagt,
aan het verleden uit eerbied,
aan de toekomst uit bezorgdheid,
aan het heden omdat je leeft.”

En ook:

“Ik roep de vlaggen aan
die de hemel omploegen,
en met mijn bloed bezegel ik
elke glorie en elke fierheid,
opdat door de jaren heen
onze vrijheden tot ons terugkeren.”

Gepubliceerd

18.06.2026

Kernwoorden
Reacties

Nogmaals over identiteit, migratie en de vijand

Mijn stuk “Jordan Bardella in Brussel: een staatsnationalist ontmoet volksnationalisten” (12 juni, op deze Facebookpagina) deed heel wat mensen in hun pen kruipen.

OVER IDENTITEIT

Ik verfijn nog even mijn opmerking – neem me niet kwalijk – dat de RN van Bardella warm en koud blaast als het over identiteit gaat. Bij de RN heb je enerzijds de goede, gewenste, gekozen identiteit, en dat is uiteraard de Franse. Dat zijn de geestelijke zonen en dochters van Jeanne d’Arc, patrones van het Franse staatsnationalisme, die nota bene uit het grensland Lotharingen kwam. Zij verscheen, volgens het geschiedenisboek van eigen fabricaat, als geroepen om dat samenraapsel van Gallische clans, Frankische barbaren en andere Latijnse stammen in de pas te doen lopen en de Franse koningen de weg te wijzen naar het ene en ondeelbare Frankrijk. Het belette het ondankbare Franse volk niet om enkele eeuwen later zijn koning een kopje kleiner te maken.

Toegegeven, op Corsica zoekt de RN tegenwoordig een vergelijk met de Corsicaanse achterban om haar een schijn van autonomie te gunnen. Op hun eiland mogen die lastigaards een beetje – maar niet te veel – hun gang gaan. Ik citeer: ‘om maffiavorming tegen te gaan’, en omdat zij Frankrijk Napoleon hebben geschonken.

Op het Franse vasteland daarentegen, in Bretagne – nota bene het moederland van de familie Le Pen – nam Marine Le Pen niet zo lang geleden positie in tegen het onderwijs van het Bretoens in de publieke sfeer. Delen van de Bretoense beweging zijn na de Tweede Wereldoorlog naar links opgeschoven, mede om afstand te nemen van hun oorlogsverleden, weet je wel. En dat is voor rechtse politici voldoende reden om hun identiteit ondergeschikt te maken aan de stemmen die ze kunnen opleveren.

Om maar te zwijgen over het noorden van Frankrijk, waar Marine Le Pen in Hénin-Beaumont haar mandaat en haar sociale mosterd haalt, maar waar de RN nog nooit een stem heeft laten horen ten gunste van de Vlaamse of een andere ingewortelde regionale identiteit, laat staan van de Nederlandse taal of cultuur. Soms worden ze daarin nog tegengesproken door hun eigen militanten, die wel hun Vlaamse Leeuw meebrengen wanneer Rijsel of Lens voetbalt.

De Franse identiteit is als de Franse keuken: ze bestaat eigenlijk niet. De choucroute is Elzassisch, de pannenkoeken zijn Bretoens, de camembert is Normandisch. En konijn met pruimen, dat is Vlaams.

OVER MIGRATIE

Sommige van mijn lezers wijzen, in de politieke samenwerking tussen RN en VB, op de prioriteiten. Ze schrijven dat het inzake migratie vijf na twaalf is. Dat is volgens hen nu de hoogste prioriteit, en niet de folkloristische taalperikelen van de laatste der Mohikanen in Frans-Vlaanderen en elders.

Wie me kent, weet beter.

Sorry vrienden, maar ik behoor tot de categorie naïeve niet-politici die denkt dat wij onze energie eerst moeten investeren in de versterking, samenhang en uitingen van onze eigen identiteiten in Europa, en niet met losse kreten blind moeten schieten op een ongrijpbare en identiteitsloze vijand.

Wij versterken onze identiteit niet zo zeer door te roepen tegen anderen, maar door onze eigen identiteit opnieuw inhoud, samenhang en vitaliteit te geven.

OVER DE VIJAND

Inzake migratie pleit ik ervoor om, in plaats van te dweilen met de kraan open en tegen de wind te blazen, eerst in eigen boezem te kijken, daar waar wél iets aan te doen is. Prioritair is het bestrijden en verstoren van organisaties en geldstromen achter de Vlaamse, Belgische en Europese lobby van mensenhandelaars, pro-Deoadvocaten, activistische rechters, experten-in-zogenaamde-mensenrechten-zonder-plichten, ultraliberale kosmopolieten op zoek naar ‘consumers’, politieke-islampropagandisten en neo-marxisten-op-zoek-naar-een-vervangproletariaat die zich voeden met de miserie en de import van al die sukkelaars en avonturiers die op onze stranden landen.

De bedreigingen voor onze Europese identiteiten moeten wij niet bestrijden door het staatsnationalisme te versterken en de mond vol te hebben van wat de Europese identiteit zogenaamd maakt, maar precies door het tegenovergestelde te doen: investeren in wat onze eigen identiteiten sterker kan maken.

Europa is geen natie, maar een beschaving en een historisch rijk van volkeren, talen en historische entiteiten. Wie die verscheidenheid verwaarloost in naam van een abstract staatsnationalisme, ondergraaft precies datgene wat hij beweert te verdedigen.

Uiteraard schuilt vandaag het echte gevaar in het samengaan van de politieke islam met de neo-marxistische ideologie, zoals zich dat momenteel voor onze ogen ontplooit in Brussel en andere grote Europese steden. Maar zoals Clausewitz leerde: wie een conflict wil winnen, moet eerst zijn werkelijke tegenstander identificeren. We moeten dus naar de echte vijand wijzen – zie mijn opsomming, die niet exhaustief is – en niet naar de slachtoffers, van welke kant ook.

Gepubliceerd

17.06.2026

Kernwoorden
Reacties

John Ferguson McLennan: Waarom mensen binnen of buiten  hun groep trouwen

Op 16 juni 1881 overleed in Kent de Schotse jurist en etnoloog John Ferguson McLennan. Hij geldt als een van de pioniers van de vergelijkende etnologie en de latere sociale antropologie. Zijn bekendste werk, Primitive Marriage, onderzoekt hoe huwelijks- en verwantschapssystemen zich historisch hebben ontwikkeld. Aan hem dankt de antropologie de begrippen endogamie en exogamie.

Volgens negentiende-eeuwse opvattingen werden niet alleen lichamelijke, maar ook karakteriële en psychische eigenschappen van ouders op kinderen overgedragen. Men ging ervan uit dat dergelijke eigenschappen zich door erfelijkheid binnen families en bevolkingsgroepen konden versterken.

  • Endogamie betekent dat men een partner kiest binnen de eigen groep. Die groep kan gebaseerd zijn op familie of clan, etnische afkomst, religie, sociale klasse, kaste, stam of gemeenschap.
  • Exogamie staat voor het tegenovergestelde: huwelijk en voortplanting buiten de eigen groep of gemeenschap.

McLennan beschouwde exogamie en endogamie als fundamentele principes waarmee samenlevingen hun sociale structuren organiseerden. Hij meende dat vrouwelijke kindermoord in sommige vroege samenlevingen tot een tekort aan vrouwen leidde. Daardoor zouden mannen partners buiten de eigen groep hebben gezocht, wat volgens hem de oorsprong van exogamie hielp verklaren.

Hoewel deze specifieke verklaring vandaag niet langer als een universeel historisch proces wordt aangenomen, blijft het werk van McLennan belangrijk omdat hij als een van de eersten systematisch probeerde:

• huwelijkspatronen tussen verschillende culturen te vergelijken;
• verwantschap wetenschappelijk te bestuderen;
• sociale regels rond huwelijk als volwaardig onderzoeksobject te behandelen.

HET BEGRIP ENDOGAMIE VANDAAG

Het begrip zelf blijft zeer relevant, al wordt het tegenwoordig anders gebruikt dan in de tijd van McLennan.

Moderne antropologen, sociologen en demografen gebruiken het concept endogamie onder meer bij onderzoek naar:

• religieuze huwelijken (bijvoorbeeld binnen dezelfde geloofsgemeenschap);
• etnische groepsvorming;
• sociale verhoudingen;
• migratie en integratie;
• elites die voornamelijk onder elkaar trouwen.

Hedendaagse onderzoekers beschouwen endogamie niet als een “primitief” overblijfsel uit een vroeg stadium van de menselijke ontwikkeling. Zij zien het eerder als een sociaal mechanisme dat kan bijdragen aan:

• het behoud van identiteit;
• de overdracht van eigendom of status;
• het afbakenen van groepsgrenzen;
• het verzekeren van culturele continuïteit.

Ook in genetisch onderzoek wordt endogamie bestudeerd vanwege de invloed ervan op de genetische diversiteit binnen populaties.

Een concept dat bijna anderhalve eeuw geleden werd geformuleerd, blijft zo een belangrijk instrument om sociale relaties, etnische groepen, groepsvorming en huwelijkskeuzes in moderne samenlevingen te begrijpen.

Gepubliceerd

16.06.2026

Kernwoorden
Reacties

Marcel Janssen: katholieke hartstocht, protestantse koelheid

Op 15 juni 1903 werd de Frans-Vlaamse priester, leraar en dichter Marcel Janssen in Gijvelde geboren. Hij was een van de bezielers van de Vlaamse kringen in het seminarie van Rijsel en een van de voornaamste medewerkers van Jean-Marie Gantois als ondervoorzitter van het Vlaams Verbond van Frankrijk (VVF).

Marcel Janssen was van huis uit Vlaamssprekend. Op het seminarie behoorde hij, samen met Jean-Marie Gantois (1904-1968), tot een latere generatie die nog leerde spreken, catechismus geven en schrijven in de taal van haar toekomstige parochianen. Vóór en na hem hadden een hele reeks priesters die weg al gewezen: Emile Delanghe (1851-1931), Arthur Dehaese (1852-1943), Patrice Schodduyn (1854-1937), Camille Looten (1855-1941), Romain Dumolin, schuilnaam De Meule (1870-1941), René Despicht (1870-1960), Jules Andouche (1887-1948), Adrien Ryckelynck (1889-1945), Jérôme Verdonck (1894-1974), Antoine Lescroart (1897-1980), Maxime Deswarte (1907-1989) en Georges Decalf (1911-1993).

Vele van die namen zouden later de mooie dagen maken van het Nederlandstalige tijdschrift De Torrewachter van het Vlaams Verbond van Frankrijk en van de Vlaamse actie in Frans-Vlaanderen, en tot de redactie ervan behoren. Ook Marcel Janssen werd redactiesecretaris van De Torrewachter en was verantwoordelijk voor de organisatie van de jaarlijkse Vlaamse congressen. Janssen publiceerde talloze artikels, ook onder schuilnaam, in zowat alle Frans-Vlaamse publicaties tijdens het interbellum. Hij was de auteur van FRANSCH-VLAANDEREN, een publicatie verschenen in de brochurereeks van het Vlaamse tijdschrift Branding (nr. 3, januari 1928).

In 1946 werd Marcel Janssen, samen met twaalf andere verantwoordelijken van het VVF, aangehouden en aangeklaagd wegens separatisme. Hij bleef slechts één week in voorarrest, maar verloor voor tien jaar zijn burgerrechten en kreeg een verblijfsverbod in Noord-Frankrijk.

Janssen zou niet meer naar Frans-Vlaanderen terugkeren. Als priester kreeg hij een parochie toegewezen in Normandië, waar hij op 31 oktober 1963 overleed.

EEN VERGETEN TAALIDEOLOGIE

De meeste van deze mensen waren, misschien met uitzondering van Jean-Marie Gantois, die Franstalig was, van huis uit Vlaamssprekend. Op het seminarie leerden zij hun taal schrijven met het beperkte beschikbare en vaak verouderde pedagogische materiaal. Het was een taal die sterk aanleunde bij het gesproken Vlaams van de streek. Dat had niet alleen een emotionele reden – de taal van thuis en van de voorouders – maar ook, en dat vergeten we vandaag vaak, een religieuze reden.

In 1923 gaf de Frans-Vlaamse priester Marcel Janssen een onthullend inkijkje in de emotionele waarde die velen in Frans-Vlaanderen aan hun taal hechtten. Janssen schreef:

“Waar zult u een taal vinden die zo’n natuurlijke oorsprong heeft? Zij behoort toe aan het volk; dat wil zeggen: zij heeft haar zuiverheid niet te danken aan grammaticale regels, zoals dat het geval is bij alle kunstmatige talen, maar enkel aan het karakter van degenen die haar spreken (…) Elke taal die uit het volk voortkomt, is aangenaam, maar wanneer dat volk katholiek is, zoals de Vlamingen, dan valt niet te zeggen hoeveel aangenamer zij wordt. U moet een hedendaags Nederlands dialect vergelijken met ons Vlaams: tussen die twee zult u het volledige verschil vinden dat de protestantse koelheid van de katholieke hartstocht scheidt (…)”

Het katholieke Vlaams tegenover het protestantse Nederlands: ziehier een vergeten argumentarium, nog gangbaar in het begin van de twintigste eeuw, om ons inzake taal van alles wijs te maken.

Onder invloed van Jean-Marie Gantois zou Marcel Janssen afstand nemen van deze cultureel-religieuze zotternijen en zijn Vlaams met het Nederlands verzoenen.

Over de katholiek-protestantse tegenstellingen en hun invloed op taalgebied, zie ook mijn nieuwe boek TAALMOORD, over taal, gemeenschap en identiteit, dat in augustus bij ERTSBERG verschijnt.

Gepubliceerd

15.06.2026

Kernwoorden
Reacties