De verkozenen uit de Elzas willen de regio Grand Est verlaten en hun historische naam terugkrijgen (zie mijn tekst van gisteren). Het huidige Frans-Vlaanderen behoort tot het departement Nord, dat sinds 2016 samen met vier andere departementen — Pas-de-Calais, Somme, Aisne en Oise — werd ondergebracht in de superregio Hauts-de-France.
Ook hier is zowel de naam als de samenstelling van de regio Hauts-de-France een meer dan dubieuze aangelegenheid.
WAT IN EEN NAAM?
De naam zou zogezegd bepaald zijn via een stemming onder jongeren uit het secundair onderwijs. Ik herinner mij nog levendig deze komedie, met de publicatie van het klassement op de voorpagina van La Voix du Nord.
Hauts-de-France stond bovenaan, wat zou doen denken dat de democratie had gezegevierd. Toch haalden ook historische namen zoals Flandre-Artois en Flandre-Artois-Picardie enkele procenten, en zelfs Pays-Bas français behaalde één procent.
In werkelijkheid ging het om een schijnvertoning in zuiver jacobijnse traditie. De echte beslissing werd in Parijs genomen. Het uitgangspunt was dat het noorden en oosten van Frankrijk geen namen meer mochten dragen die herinneren aan historische banden buiten de Franse staat in herinnering brachten.
PEETVADERS VAN HET “WOKE”-DENKEN
Reeds tijdens de Franse Revolutie schaften de jakobijnen de provincienamen af en vervingen ze die door administratieve departementen. Zij waren in zekere zin de vroege peetvaders van een vorm van “woke”-denken: historische namen, gezien als feodale restanten, moesten verdwijnen, net als elke andere identiteit dan de Franse.
In hun plaats kwamen neutrale geografische benamingen: rivieren en waterlopen zoals Somme, Saône-et-Loire, Bas- en Haut-Rhin; bergketens zoals Alpes-Maritimes en Pyrénées-Orientales; of andere aanduidingen zoals Pas-de-Calais en Finistère.

Zo werd alles “Frans”. Zuid-Vlamingen werden “Nordisten”, Artesiërs “Pas-de-Calaisiens”. Met hun namen verloren deze volkeren ook hun wortels en identiteit.
Vandaag zitten we met de naam Hauts-de-France, terwijl onze regio historisch en geografisch altijd het zuiden van de Nederlanden was. Maar hoe noem je een inwoner van Hauts-de-France? Een “Hauts-de-Francien”? Een “Ch’ti”? Het eerste is nauwelijks uit te spreken; het tweede verwerpen wij als Vlamingen, omdat het onze eigen identiteit herleidt tot een karikatuur.
Een tekening (zie hiernaast) van de Rijselse illustrator en architect Jean Pattou toont dat de naam Hauts-de-France al langer circuleerde in Parijse kringen. Deze tekening dateert van 1976 en verscheen in La Voix du Nord.
EEN NIET-IDENTITEIT
Ik zocht verder naar de oorsprong van deze naam en vond slechts één bijkomende verwijzing: aan de Opaalkust zou ooit een nudistenkamp de naam “Hauts-de-France” hebben gedragen.
Voor Vlamingen aan deze kant van de schreve en voor Nederlanders heeft de naam niets te maken met het hoogste punt van de streek. De Kasselberg haalt amper 176 meter, vergeleken met de 4.800 meter van de Mont Blanc.
“Hauts-de-France” moet dus begrepen worden als het “hoogste punt” op de kaart van Frankrijk, maar tegelijk als een uitdrukking van een niet-identiteit: een constructie om de Lage Landen uit het geheugen te wissen, bij gebrek aan inspiratie.
Net als de Elzassers zijn wij als Frans-Vlamingen niet geholpen met deze entiteit. Bovendien bevat deze regio minstens twee departementen te veel: Oise en Aisne, die historisch geen band hebben met de Nederlanden en eerder aansluiten bij de invloedssfeer van Parijs.
Binnen deze constructie hebben Frans-Vlamingen weinig gewicht en nauwelijks een stem. Ze worden politiek, cultureel en sociologisch opgeslorpt door de Picardische cultuur en het zogenaamde “Ch’ti”-verhaal, waarmee wij geen historische of identitaire affiniteit hebben.
PLEIDOOI VOOR EEN ANDER MODEL
Onze eisen zijn dan ook dubbel:
De naam kan variëren van Flandre-Artois tot Franse Nederlanden. De Frans-Vlaamse voorman en pleitbezorger van de heel-Nederlandse gedachte, Lodewijk de Baecker, stelde in de negentiende eeuw al de naam “Néerlandie” voor.
Waarom zouden we geen referendum lanceren — los van Parijs — over een nieuwe naam en territoriale afbakening?
WB
19.04.2026
Typerend voor het zelfvoldane Vlaanderen, waar een V-partij nochtans de lakens uitdeelt: de belangstelling voor de strijd voor zelfbestuur van andere volkeren in Europa lijkt vandaag quasi onbestaande.
Zo bleef het in de Vlaamse geschreven pers nauwelijks opgemerkt en werd het in de audiovisuele media volledig genegeerd: de Franse Nationale Vergadering (Assemblée nationale) heeft op 8 april jongstleden een wetvoorstel goedgekeurd dat de Elzas opnieuw de bevoegdheden van een volwaardige regio moet geven en haar uit de huidige regio Grand Est wil lichten.
De tekst van het voorstel voorziet dat de Elzasser departementen Bas-Rhin en Haut-Rhin, die reeds samenwerken binnen de ‘Collectivité européenne d’Alsace’ (CEA), worden omgevormd tot een ‘collectivité territoriale’ met een bijzonder statuut. Die nieuwe entiteit zou zowel de bevoegdheden van de departementen als van de superregio krijgen en opnieuw eenvoudigweg “Elzas” heten.
Het wetsvoorstel is het resultaat van jarenlang verzet van onze Elzasser vrienden tegen de creatie, een decennium geleden, van de kunstmatige superregio Grand Est. Die hervorming veegde de naam “Elzas” van de kaart. Bovendien omvatte Grand Est ook Champagne, een regio die historisch geen band heeft met de Elzas en weinig rekening hield met de eigen identiteit van de Elzassers.
Het voorstel werd ingediend door leden van de parlementsfractie Ensemble pour la République en werd aangenomen met 131 stemmen tegen 100.
De weg is echter nog lang. Het voorstel moet nog door de Franse Senaat, en het jacobijnse Frankrijk roert zich al stevig. Onder aanvoering van voorzitters van een tiental andere superregio’s groeit het verzet. Alle argumenten lijken momenteel goed genoeg om het centralistische model te verdedigen. Tegenstanders bestempelen het voorstel als een institutionele, politieke en – zo klinkt het – zelfs historische fout. Volgens hen zou het “elke lokale lobby de kans geven om autonomie en onafhankelijkheid te eisen”.
Het dossier inspireert intussen ook andere regio’s. In Bretagne klinkt luid de eis om het departement Loire-Atlantique, historisch deel van Bretagne maar ondergebracht in Pays de la Loire, opnieuw te verenigen met de Bretonse regio.
Wordt dus ongetwijfeld vervolgd. Intussen gaan alle sympathie en steun naar onze Elzasser kameraden, die – wie de geschiedenisboeken raadpleegt – meer dan wie ook recht hebben op een eigen autonomie en identiteit.
In de komende dagen kom ik uitvoerig terug op de zogenaamde superregio Hauts-de-France, waarin Frans-Vlaanderen tegen wil en dank werd ondergebracht, waarom dit geen goed idee is en waarom zelfs de naam historisch nonsens is.
De Vlaamse politieke commentatoren mogen verder in hun zetel indommelen. Als slaapliedje stel ik een parafrase op een tekst Jacques Brel voor: “Les journalistes c’est comme les cochons, plus çà devient vieux plus çà devient con… »
18.04.2026
17 april 1897 werd in Wijlre (Limburg) Antoon Coolen geboren in een katholiek en landelijk gezin. Hij groeide op in een familiale, eenvoudige omgeving, wat later zijn schrijverschap sterk zou bepalen. Hij volgde geen academische literaire opleiding, maar ontwikkelde zich via lectuur, ervaring en journalistiek tot romanschrijver.
Coolen werd vooral bekend als streek- en dorpsschrijver. Zijn werk is geworteld in het Brabantse en Limburgse plattelandsleven, met aandacht voor boeren, dorpsgemeenschappen, tradities en het dagelijkse bestaan. Hij schrijft in een verhalende, toegankelijke stijl, warm van toon, met veel menselijkheid en begrip voor zijn personages.
Zijn bekendste en vaak als belangrijkste werk beschouwde roman is Dorp aan de rivier (1934). In dit boek volgt hij het leven in een Brabants rivierdorp, waar een jonge arts geconfronteerd wordt met de spanningen tussen traditie en vooruitgang. Het dorp zelf, met zijn gewoonten, geloof en sociale druk, speelt bijna een even grote rol als de personages. Het werk wordt gewaardeerd om zijn levendige dorpsportret, warme menselijkheid en sterke sfeer van het plattelandsleven.
Andere bekende werken zijn:
Opvallend is dat hij zijn zonen de voornamen gaf van drie belangrijke Vlaamse auteurs:
Dit toont zijn duidelijke bewondering voor de Vlaams-katholieke literaire traditie, die sterk aansluit bij zijn eigen werk.
Antoon Coolen overleed in 1961, maar blijft bekend als een van de belangrijkste vertellers van het Brabantse dorpsleven in de Nederlandse literatuur.
17.04.2026
Een Hongaarse premier gaat en een nieuwe premier komt. Wat blijft, is het gewicht van de geschiedenis, die maakt dat het Hongaarse volk en zijn vertegenwoordigers op een of andere wijze dwarsdenken en handelen. Wat me betreft: met alle begrip.
Wat een Hongaar niet gauw vergeet, is wat zijn land is overkomen na Wereldoorlog I. Lees hierover het artikel dat ik 6 jaar geleden hierover op Doorbraak publiceerde. Ik heb alleen de naam van de president geschrapt, maar voor het overige….
HET VERDRIET VAN HONGARIJE
Trianon is de naam van een gehucht dat zich bevond in de nabijheid van de tuinen van het kasteel van Versailles. Koning Lodewijk XIV liet het opruimen om er een lustpaviljoen te bouwen, het Grand Trianon.
In dit Grand Trianon werd 106 jaar geleden, op 4 juni 1920, het Verdrag van Trianon gesloten tussen de overwinnaars van Wereldoorlog I en Hongarije. Met één pennentrek verloor Hongarije 71,5% van zijn territorium en 13 van zijn 21 miljoen inwoners.
NOODLOTIGE VERDRAGEN
De verdragen, opgelegd door de overwinnaars van Wereldoorlog I, schoven voor de eerste keer de notie ‘schuld’ naar voren. De verliezende partijen, Duitsland en de Dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije, dienden te worden veroordeeld.
Het Verdrag van Trianon kwam na het Verdrag van Versailles van 28 juni 1919. Een ander verdrag, dat van Saint-Germain-en-Laye, bezegelde de ontmanteling van het Oostenrijks-Hongaarse rijk op 10 september dat jaar. De tekst verscheen in het Frans, het Engels, het Italiaans en het Russisch, maar niet in het Duits. Het geeft een idee van de opperste arrogantie van de overwinnaars.
Het Verdrag van Trianon destabiliseerde verder de hele regio: Hongarije verloor twee derde van zijn grondgebied. Dat gebiedsverlies kwam ruwweg overeen met het huidige Slowakije, het gebied van het Oekraïense Transkarpatië, het Roemeense Transsylvanië, het Servische Vojvodina, een deel van Slovenië, Kroatië en het Oostenrijkse Burgenland.
ZELFBESCHIKKINGSRECHT?
Charles-Maurice, hertog de Talleyrand, had zijn tijdgenoten reeds gewaarschuwd: ‘Blijf af van het Oostenrijkse Keizerrijk, want het is de vesting van Europa’. Maar deze Franse diplomaat leefde in de 18de eeuw en was in 1920 al lang vergeten.
Voor een keer kwam het zelfbeschikkingsrecht van de volkeren eraan te pas. Thomas Woodrow Wilson, de president van de Verenigde Staten, legde reeds in januari 1918, in zijn bekende Veertien Punten, de nadruk op het recht op de autonome ontwikkeling van de volkeren in de Dubbelmonarchie en de Balkanstaten. Dat klonk veelbelovend, maar hierachter schuilde een ander plan. De echte bedoeling was het definitief breken van het grootste machtsblok in Centraal-Europa, de entente Duitsland-Oostenrijk-Hongarije.
GEEN REFERENDUM
Alle partijen in de regio waren al een tijdje bezig om, op papier, nieuwe grenzen in hun voordeel te bedenken. Valse informatie hierover verspreiden was een nationale sport geworden. David Lloyd George, de Britse premier in de periode van het Verdrag van Trianon, gaf later onverbloemd toe: ‘Alle documentatie van onze geallieerden tijdens de vredesgesprekken was leugenachtig. De beslissing over Hongarije viel op basis van valse informatie.
De Hongaren hadden nog voorgesteld om een volksraadpleging te organiseren in de gebieden die ze zouden afstaan. Maar elke vorm van democratische toetsing werd van de tafel geveegd. De Hongaarse delegatie, van haar vrijheid beroofd tijdens haar verblijf in Versailles, kreeg de verdeling van het land gewoon als een dictaat voorgelezen.
TWEE DERDE VAN HET GRONDGEBIED
De gevolgen voor Hongarije waren niet te overzien:
Roemenië kreeg Zevenburgen (Transsylvanië), alsook de oostelijke helft van het Banaat. Het omvat een gebied van meer dan 103.000 km², waar tot vandaag het grootste aantal etnische Hongaren buiten Hongarije woont.
De nieuwe staat Tsjecho-Slowakije bemachtigde Opper-Hongarije. Dat is het grootste deel van Slowakije, met onder meer Bratislava, een gebied van 61.633 km². De Hongaarse minderheid is voornamelijk langs de Donau en de grens gevestigd.
Een andere nieuwe staat, opgericht in 1918, het Koninkrijk der Serviërs, Kroaten en Slovenen, annexeerde de streek van Vojvodina. Dat is de westelijke helft van het Banaat, alsook Kroatië, maar zonder Dalmatië, in totaal 63.092 km², met een toegang tot de zee.
D’ANNUNZIO
Ook Polen kreeg 520 km² Hongaars grondgebied en Italië de Kroatische stad Rijeka/Fiume (23 km²). Deze werd bezet na een militaire actie, geleid door de Italiaanse irredentistische schrijver Gabriele d’Annunzio. Na Wereldoorlog II ging de stad terug naar Kroatië. Ten slotte ging het Duitstalige Burgenland, op de stad Sopron (Ödenburg) na, naar Oostenrijk, dat hier niet om gevraagd had.
Alles samengeteld kromp Hongarije ineens van 325.411 km² tot 93.028 km²
ONDER VREEMDE HERSCHAPPIJ
In totaal kwamen 3,3 miljoen Hongaarse staatsburgers, dat is 30% van de bevolking van toen, onder vreemde heerschappij terecht. Voeg er nog aan toe dat deze nieuwe situatie aan de basis lag van talloze wandaden, wraakacties en moorden in de betrokken gebieden. Honderdduizenden mensen vluchtten voor het geweld.
Hongarije moest plots verder functioneren met het verlies van vijf van zijn tien grootste steden, 43% van zijn landbouwgronden, 58% van zijn spoorwegnet en 83% van zijn grondstoffen. Bovenop kreeg Hongarije een boete van jaarlijks 10 miljoen goudkronen en moest het de helft van de oorlogsschade op zich nemen. Het Hongaarse leger, ten slotte, mocht maximaal nog 35.000 soldaten tellen.
VERLIEZENDE KAMP
De nieuwe situatie als gevolg van het Verdrag van Trianon heeft tot vandaag het lot van Hongarije bepaald. In het interbellum was de voornaamste politieke eis van Hongarije de restitutie van het grondgebied. Het lukte Hongarije nog deels de pijn te verzachten door in 1939 geweldloos een deel van Tsjecho-Slowakije, met een aanzienlijke Hongaarse minderheid, terug te krijgen.
In de betrokken gebieden werden opnieuw wreedheden gepleegd tegen de minderheden.
In 1940 werd het noorden van Zevenburgen van Roemenië teruggenomen. Voor het bondgenootschap hiervoor met Duitsland zou Hongarije opnieuw een zware prijs betalen. Met het Verdrag van Parijs in 1947 dwongen de geallieerden af dat de grenzen opnieuw volgens het Verdrag van Trianon liepen. De gevolgen kan men zich voorstellen: in de betrokken gebieden werden opnieuw wreedheden gepleegd tegen de minderheden.
EEN TOONTJE LAGER
106 jaar later kunnen we stellen dat het Verdrag van Trianon heeft bijgedragen tot de verdere destabilisering van Midden-Europa. De gevolgen voor de hele regio, en voor Hongarije in het bijzonder, zijn tot vandaag niet te overzien. Ook voor een Hongaarse premier blijft Trianon het verdriet van Hongarije. 4 juni is in Hongarije niet voor niets tot ‘Dag van Nationale Cohesie’ uitgeroepen.
Ik beaam de woorden van de Nederlandse filosoof en publicist Paul Cliteur (De Nieuwe Standaard, 2020): ‘Misschien is het überhaupt een goed idee een toontje lager te zingen ten aanzien van Hongarije’.
WB
16.04.2026
Loker, in de Westhoek. Een eenzaam Iers graf, ver weg van Ierland. En toch vertelt het een verhaal dat Ierland en ‘Flanders Fields’ verbindt.
Op 15 april 1861 werd de Iers-nationalistische politicus en advocaat William Hoey Kearney Redmond geboren.
In 2023 publiceerde ik op Doorbraak deze tekst over deze Ierse voorman, met als titel: ‘Een Ierse majoor tussen twee vuren’. Zie hier:
Loker, een rustige gemeente aan de voet van het Heuvelland. Daar staat, eenzaam in de velden, een Iers kruis. Het is de laatste rustplaats van majoor William Hoey Kearney Redmond. De tekst op het kruis meldt droogjes: 6th Batt., 16th Royal Irish Regt., killed in action 7-6-1917. Vreemd toch, een alleenstaand graf op, pakweg, 30 meter van Locre Hospice Cemetery, een Brits oorlogskerkhof…
DE SLAG OM WIJTSCHATE
William (Willie) Hoey Kearney Redmond stierf aan zijn verwondingen, opgelopen tijdens de Slag om Mesen, ook bekend als de Mijnenslag. Eigenlijk had die zgn. Battle of Messines Ridge – zoals de Engelsen het noemden – de Slag om Wijtschate moeten heten. Iets moeilijker om uit te spreken natuurlijk, maar in de naamkeuze schuilt iets anders. Het punt was dat bij Wijtschate de 16de (Ierse) divisie in actie kwam. Ieren dus. De Britse geschiedenisboeken gingen deze overwinning toch niet toeschrijven aan Ierse katholieke ploeteraars! Of wat dacht u? Hun engagement was nochtans bepalend voor de strijd.
Tijdens de bevrijding van Wijtschate werd majoor Redmond vlak bij de Maedelstede Farm (Oosthoeve) zwaar gewond door vliegende granaatscherven.
Hij werd nog naar een hulppost in Dranouter overgebracht, maar stierf dezelfde dag aan zijn verwondingen. Redmond zal in zijn laatste levensuren nog de ontploffingen hebben gehoord die de Britten veroorzaakten door, in de vroege morgen, negentien mijnen — ongeveer 1.500 ton aan springstof — tot ontploffing te brengen. De zwaarste ontploffing in de Eerste Wereldoorlog en wellicht ook één van de grootste ontploffingen ooit.
EENZAAM GRAF
William H.K. Redmond werd begraven op de plaats waar hij nu nog steeds ligt. In 1917 was dat in de tuinen van het toenmalige Sint-Antoniusgesticht. Na de oorlog beslisten de Britse autoriteiten om alle graven, her en der verspreid, te hergroeperen. Zo werd het plan opgevat om ook Redmond bij te zetten op het militair kerkhof, een boogscheut verder. Maar dat was zonder zijn weduwe, Eleanor Mary Dalton, gerekend, die zich kranig tegen deze plannen verzette. Ook Eleanor stamde uit een familie van vooraanstaande Ierse nationalisten.
ZELFBESTUUR VOOR IERLAND
Major William Redmond werd geboren op 15 april 1861 in Ballytrent (county Wexford), aan de zuidoostkust van Ierland. Na zijn studies aldaar werkte hij op een koopvaardijschip en nam hij dienst als officier in het Royal Irish Regiment.
Zijn oudere broer, John (1856-1918), leidde de Irish Parliamentary Party. John Redmond maakte naam als strateeg van – en pleitbezorger voor – Iers zelfbestuur (Home Rule). De partij had in die jaren de wind in de zeilen. Ook William H.K. Redmond werd verkozen en zou 34 jaar lang voor de gematigde Irish Parliamentary Party zetelen.
In 1914 is het zover: het Britse Lagerhuis keurt de Home Rule goed. Alleen de handtekening van koning George V ontbreekt nog. Maar het begin van de oorlog gooit roet in het eten.
DE 16DE IERSE DIVISIE
De Britse regering heeft in 1914 plots andere zorgen dan het Ierse zelfbestuur. Het is oorlog en men heeft dringend soldaten nodig. Veel soldaten. In tegenstelling tot andere landen kent het Verenigd Koninkrijk geen dienstplicht. Men beschikt wel over een goed getraind beroepsleger, maar dat is in aantal onvoldoende gezien de omvang van het conflict.
Vrijwilligers uit het Britse Rijk worden opgetrommeld. Het zijn Canadezen, Zuid-Afrikanen, Australiërs, Nieuw-Zeelanders, Indiërs, enz., van wie men de vele graven op alle Britse kerkhoven, van de Westhoek tot aan de Somme, terugvindt.
Ook de Ieren komen in het vizier. In Ulster bieden de unionisten onmiddellijk manschappen van hun paramilitaire Ulster Volunteer Force (UVF) aan. Ze moeten niet weten van de Home Rule, wel van een onvoorwaardelijke trouw aan het Verenigd Koninkrijk. Deze unionisten worden in de 36ste divisie van het Britse leger bijeengebracht.
De Ierse nationalisten bedenken een tegenzet en willen op hun beurt een divisie oprichten. John Redmond stelt het aan de Britse regering voor in ruil voor zelfbestuur voor Ierland. Enthousiast over het voorstel zijn de Britten niet, maar ze hebben manschappen nodig. Ze stemmen in met de vorming van een divisie Ierse vrijwilligers, de 16de Ierse Divisie.
William Redmond steunt volmondig de rekruteringscampagne en geeft het voorbeeld door zich als vrijwilliger te melden. Op dat moment is hij 53 jaar oud. In een pathetische toespraak roept hij de Ierse nationalisten op om zich te melden met de woorden: ‘old as I am, and grey as are my hairs, I will say don’t go, but come with me’.
William neemt dienst met de graad van kapitein, later majoor. Met hem volgen meer dan 10.000 vrijwilligers. Ze zijn bereid hun leven aan het front te riskeren zodat hun land zelfbestuur zou krijgen. Meer dan 224 officieren en 4.000 manschappen zullen deze keuze met hun leven bekopen.
DE PAASOPSTAND
Niet iedereen in Ierland loopt warm voor de voorstellen van de Redmonds om een Brits uniform te dragen. Een minderheid radicale nationalisten verzet zich hiertegen met antirekruteringscampagnes. Deze radicale nationalisten proberen in 1916 een gewapende revolutie te ontketenen. Terwijl Ieren aan het front vechten met de Britten, vechten andere Ieren voor hun vrijheden tegen de Britten in de straten van Dublin.
De opstandelingen maken evenwel geen enkele kans. De Paasopstand, begonnen op Paasmaandag 1916, wordt in amper een week tijd neergeslagen. Vijftien leiders van de Paasopstand worden gefusilleerd. Enkele leiders die toen werden geëxecuteerd: Patrick Henry Pearse (1879-1916); James Connolly (1868-1916), die zwaar gewond en zittend op een stoel wordt neergeschoten; en Roger Casement (1864-1916), later in Londen opgehangen. Deze genadeloze en bloedige repressie doet de Ierse publieke opinie definitief kantelen.
Voortaan kiezen de Ieren partij voor de rebellen en voor het radicale Ierse nationalisme.
TUSSEN TWEE VUREN
Door deze tragedie en de politieke gang van zaken aan het thuisfront komen William Redmond en zijn makkers van de 16de divisie in een moeilijke positie te staan. In Ierland worden ze plots niet meer aanzien als helden die hun leven opofferen voor Iers zelfbestuur, maar als dragers van het uniform van de Britse vijand die hun nationalistische kameraden vermoorden. De helden van het Ierse volk zijn voortaan de door de Britten gedode opstandelingen. De Home Rule-politiek van de gebroeders Redmond is failliet en de Ierse vrijwilligers van de 16de divisie worden door hun eigen volk als paria’s bekeken.
Het is moeilijk voor te stellen hoe majoor William Redmond en zijn Ierse makkers zich aan het front moeten hebben gevoeld. Aanschouwd als kanonnenvlees door het Britse leger, hun leven dagelijks in gevaar in Flanders Fields, en aan het thuisfront aangesproken als halve verraders. In Ierland zouden de overlevenden nog jaren na de oorlog het stigma dragen van deze keuze.
Als u eens in de Westhoek passeert, stop even in Loker bij het eenzame graf van majoor William Redmond, de Ierse nationalist die streed voor zijn land in het verkeerde leger. Mensen uit de omgeving zorgden al die tijd voor het graf, dat nu een beschermd monument is. U herkent het wellicht aan de kleine Ierse vlag die anonieme handen telkens opnieuw op het graf planten.
Ierland zal nog tot 1922 moeten wachten om een vrijstaat te worden, en tot 1949 om als onafhankelijk land te worden erkend. 100 jaar na de dood van William H.K. Redmond is de kwestie van de Britse bezetting van Noord-Ierland nog steeds niet opgelost.
15.04.2026
Historicus Jan Huijbrechts is bijzonder productief. Met een dertigtal boeken op zijn naam is hij een vaste waarde in de militaire geschiedenis. Zijn focus ligt al jaren op de Eerste Wereldoorlog. Ook in dit nieuwe boek blijft hij dat terrein trouw.
Hij richt zich op Frans-Vlaanderen, maar kijkt breder. Ook Artesië en het zuiden van de Nederlanden komen aan bod.
De titel Het Vergeten Front is goed gekozen. Veel auteurs blijven hangen bij de bekende, bijna mythische slagvelden. Denk aan de IJzer en Ieper. Of aan Verdun en de Somme. Huijbrechts kiest bewust een andere invalshoek.
Hij brengt minder bekende strijdtonelen in beeld. Maar daarom zijn ze niet minder belangrijk. Integendeel. Ze tonen hoe de Duitse pogingen om de Noordzeehavens te bereiken en de weg naar Parijs te openen, gepaard gingen met een reeks vaak zinloze, maar altijd bloedige confrontaties.
De auteur beschrijft die operaties met kennis van zaken. Hij noemt sommige gevechten zonder omwegen wat ze waren: regelrechte fiasco’s.
Ook de burgerbevolking krijgt aandacht. Talloze dorpen werden van de kaart geveegd. De tol was zwaar. Veel burgers kwamen om. De materiële schade was enorm. Toch blijft dat aspect vaak onderbelicht.
Het boek start met een brede historische schets. Frans-Vlaanderen en Artesië blijken al eeuwenlang een grensgebied onder druk. Van de middeleeuwse Franse koningen tot de negentiende eeuw: telkens opnieuw was deze regio inzet van machtspolitiek.
De auteur verwijst naar de Rijn-Alpen-Pyreneeën-doctrine. Die moest de Franse grens tot aan de Rijn verschuiven. Ook de ambities van Lodewijk XIV passen in dat plaatje.
Parijs speelde daarbij een sleutelrol. De stad ligt relatief noordelijk en is moeilijk te verdedigen. Dat verklaart mee waarom deze regio zo vaak het strijdtoneel werd. De verwoestingen in de Westhoek, Frans-Vlaanderen en Artesië waren vaak de prijs om Parijs te beschermen.
Toch had de inleiding, naar mijn gevoel, nog scherper gekund. Meer focus op het Frans-Duitse conflict en Elzas-Lotharingen had hier niet misstaan. Maar het bredere kader is begrijpelijk. Dit blijft nu eenmaal een grensregio met een lange geschiedenis.
STRIJDTONEEL
Daarna volgt het eigenlijke verhaal. Huijbrechts neemt de lezer mee langs een twintigtal strijdtonelen. Alles verloopt chronologisch.
Hij begint bij de ‘race naar de zee’ in het najaar van 1914. Dat is nog een bewegingsoorlog. Maar die loopt vrij snel vast. De oorlog verandert in een statische loopgravenoorlog.
Wat volgt, zijn tal van offensieven. Vaak zonder veel succes. Ze spelen zich af op de heuvelruggen tussen de mijnstreek en Artesië. Het verloop doet denken aan de processie van Echternach: moeizaam, traag en tegen een hoge prijs.
Het menselijke leed is enorm. De verliezen zijn dat ook.
Het verhaal eindigt in 1918. Met het Duitse lenteoffensief — de Kaiserslacht. En met het geallieerde eindoffensief in de laatste honderd dagen.
Huijbrechts heeft oog voor detail. Hij schrijft over soldaten en materiaal. Over strategie, maar ook over mensen. Hij doorspekt zijn verhaal met weetjes en anekdotes. Dat maakt het geheel levendig en goed leesbaar.
HANDIGE REISGIDS
Het boek is meer dan een historisch overzicht. Het wil ook een praktische gids zijn. Een gids langs monumenten en militaire begraafplaatsen.
Dat maakt het bijzonder bruikbaar. Zeker voor wie de streek zelf wil bezoeken.
De oorlog bracht hier ongewild de hele wereld samen. Dat zie je vandaag nog altijd.
Zo is er een Indisch monument en kerkhof in Neuve-Église. In Richebourg liggen Portugese militairen. Canadese begraafplaatsen vind je op meerdere plaatsen, onder meer in Festubert.
Er zijn ook minder bekende sites. In Neuville-Saint-Vaast ligt een Tsjecho-Slowaaks monument. In de buurt staat een Pools monument. In Atrecht worden Schotten en Zuid-Afrikanen herdacht bij het Memorial of the Missing.
Indrukwekkend is ook Notre-Dame-de-Lorette. Dat is een van de grootste militaire begraafplaatsen van Frankrijk. Meer dan 20.000 graven liggen er. Daarnaast zijn er nog massagraven met duizenden gesneuvelden.
Ook de Duitse verliezen zijn enorm. Op Frans grondgebied sneuvelden naar schatting 930.000 Duitse soldaten. Een van de grootste Duitse begraafplaatsen ligt in Neuville-Saint-Vaast. Daar liggen ongeveer 39.000 soldaten begraven. Daarnaast is er een massagraf met meer dan 8.000 doden.
De auteur heeft ook aandacht voor persoonlijke verhalen. Bekend en minder bekend.
Zo is er John (“Jack”), de zoon van Rudyard Kipling. Of Paul Mauk, mogelijk een van de jongste Duitse gesneuvelden. En in Hazebroek ligt second lieutenant Edwin Herman Benneth. Op zijn graf staat eenvoudig: “One of the Brave”.
AANRADER
Ik wil niet muggenziften: de auteur is niet altijd consequent in het gebruik van Nederlandstalige plaatsnamen. En zijn visie op een mogelijke heropleving van het Vlaams in de streek voelt wat optimistisch.
Maar dat zijn details.
Dit boek biedt vooral een rijk en toegankelijk overzicht van minder bekende slagvelden en plaatsen van herinnering. En het is tegelijk een praktische gids voor wie deze plaatsen zelf wil bezoeken.
Een aanrader dus. Voor wie Frans-Vlaanderen en de Franse Nederlanden beter wil begrijpen. En voor wie de vele herdenkingsplaatsen zelf wil ontdekken.
“Het Vergeten Front. De Eerste Wereldoorlog in Frans-Vlaanderen” van Jan Huijbrechts is uitgegeven bij Polemos en verkrijgbaar in de boekhandel.
14.04.2026
Half april laat volgens de traditie de koekoek voor het eerst van zich horen. In Wallonië werd koekoeksdag vroeger gevierd op 13 april, en in Vlaanderen op 15 april.
Jongens en meisjes trokken dan naar het bos om van de koekoek te vernemen wanneer ze zouden trouwen — en zelfs hoe lang ze zouden leven. Zo vaak de koekoek riep, zoveel jaren zou men nog te leven hebben.
De meisjes droegen een krans van gevlochten loof en bloempjes op het hoofd en zongen:
Koekoek,
trouwe knecht,
zeg me recht,
zeg mij waar,
hoeveel jaar
ik dat kransje moet dragen.
Volgens de Nederlandse heemkundige K. ter Laan is de koekoek “een van de geluksvogels; hij is ook de waarzegger.” Ook in de publicatie Verhandeling over het booze wezen in het bijgeloof onzer natie (1840) schrijft A. Niermeyer dat de koekoek in het heidendom als een waarzeggende vogel werd beschouwd.
In Prisma van de symbolen van prof. dr. H. Biedermann (1991) lezen we bovendien dat de koekoek bij talrijke volkeren geldt als een zielenvogel, een lentebode en een verkondiger van de toekomst.
13.04.2026
Ik was gisteren, 12 april, aanwezig op het eerste nationale Oranjetreffen, georganiseerd door onze vrienden van Marnixring Diest Oranjestad.
Tijdens een plechtigheid in de Sint-Sulpitiuskerk in de voormiddag werden bloemen neergelegd aan het graf van Filips-Willem, Prins van Oranje (1554–1618). Als heer van Diest koos hij deze kerk als zijn laatste rustplaats.
Tijdens de druk bijgewoonde academische zitting namen verschillende vooraanstaande sprekers het woord en werd de eerste Oranjepenning uitgereikt aan diplomaat Axel Buyse. Een uitstekende keuze: ook in Frans-Vlaanderen zijn wij Axel Buyse dankbaar voor zijn discrete maar belangrijke inzet achter de schermen om contacten te faciliteren, onder meer op het vlak van het onderwijs van de Nederlandse taal.
ONTVOERD, GEGEZELD OF MEEGENOMEN?
Filips Willem was de oudste zoon van Willem van Oranje en studeerde in Leuven. Op een bepaald moment werd hij daar door de Spanjaarden onder arrest geplaatst in het refugiehuis van de abdij van Sint-Truiden, waar hij verbleef. Vervolgens werd hij naar Spanje overgebracht, waar hij een kwart van zijn leven gedwongen moest verblijven om zo druk uit te oefenen op zijn vader — een vader die hij nooit meer levend zou terugzien.
Historicus M. van der Eycken nam tijdens de academische zitting het woord en verdedigde de stelling dat de overbrenging naar Spanje geen ontvoering was. Een merkwaardige stelling, gebaseerd op bronnen die geen bewijs leveren van een gijzeling of van geweldpleging.
Een gebrek aan bewijs is echter niet altijd overtuigend: hoe kan men het anders noemen dan een gijzeling wanneer een kind van dertien jaar, zonder medeweten van zijn ouders, door de vijand wordt meegenomen; zeventien jaar lang gedwongen in Spanje verblijft; en onder dwang een eenzijdige katholieke opvoeding krijgt?
Deze episode doet eerder denken aan een diplomatieke variant van de janitsaren: zonen van christelijke families die in het Midden-Oosten werden ontvoerd, vervolgens volgens de regels van de islam werden opgeleid en ingezet als elitesoldaten in dienst van het Ottomaanse Rijk, vaak om op te treden tegen christelijke gebieden en bevolkingen waaruit zij zelf afkomstig waren.
De laffe politieke bedoeling van Spanje was nochtans overduidelijk: de vader treffen door de oudste zoon — en dus erfgenaam — mee te nemen en hem achter de hand te houden voor latere politieke doeleinden. Dat een kind van dertien jaar meegaand was, zich al dan niet verzette, en of er nu vier soldaten met hellebaarden of een heel regiment nodig was om hem mee te nemen, verandert daar niets aan.
SUCCES
Correct stond in het programmaboekje dat de prins van Oranje werd ontvoerd, en deden de overige sprekers hun best om het belang van samenwerking en verbondenheid tussen Noord en Zuid in de verf te zetten. Dit eerste Oranjetreffen was perfect georganiseerd en druk bijgewoond: kortom een succes.
Knap gedaan door onze Marnixvrienden van Diest.
13.04.2026