Ik ben op een leeftijd gekomen waarop afscheid nemen steeds vaker deel uitmaakt van het leven. Van familie, kennissen, vrienden, kameraden. Ook gisteren was het weer zo ver.
Tijdens zo’n afscheidsceremonie dwalen mijn gedachten. Naar de aflossing van de wacht. Naar het doorgeven van de fakkel.
En dan duikt plots een tekst op. Geen handleiding over hoe het verder moet, maar wel over de houding waarmee.
Ik leerde hem ooit uit het hoofd tijdens een zomer in jeugdherberg Bertennest in Roesbrugge, waar ik verbleef om mijn Nederlands te oefenen.Het is een tekst van Ernest van der Hallen:
“Wees radicaal; wees principieel; wees absoluut; wees hetgeen de burger noemt: extremist; geef uzelf zonder meten of rekenen, aanvaard de zogenaamde levensrealiteit niet en laat u niet door het leven aanvaarden; geef nooit het strijdbeginsel op.”
(uit ‘Brief aan een jonge vriend’, 1932)
Ernest van der Hallen (1898–1948) was een Vlaams schrijver en jeugdleider, actief in het AKVS. Hij vond schrijfinspiratie in zijn Ruusbroeckhuisje in het begijnhof van Lier, in een omgeving die ook Felix Timmermans en andere Lierse kunstenaars inspireerde.
05.04.2026
Op 4 april 1913 werd Dr. Jozef Weyns, heemkundige en oprichter van het Openluchtmuseum te Bokrijk, geboren.
Hij was van afkomst een Kempische boerenzoon en studeerde aan de Normaalschool te Lier, gevolgd door kunstgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Gent.
Je zou het niet verwachten voor dé specialist van de Vlaamse heemkunde: Weyns doctoreerde over het plastiek van het Neder-Kongo-stijlgebied. Hij werkte ook enkele jaren als wetenschappelijk medewerker bij het Museum van Midden-Afrika in Tervuren en was later verbonden aan het Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis in Brussel.
In 1951 bouwde hij eigenhandig ‘Ter Speelbergen’, zijn landelijke huis in Beerzel. Hij schreef er ook een boek over, Het verhaal van ons huis (1954), dat bij verschijning een groot succes kende.
In 1953 startte hij met de bouw van het Openluchtmuseum van Bokrijk, waarvan hij de eerste conservator werd en waarvoor hij Europese erkenning kreeg.
Als autoriteit in de heemkunde was hij jarenlang voorzitter van het Verbond voor Heemkunde. In Heist-op-den-Berg leidde hij ook de plaatselijke heemkundige kring ‘Die Swane’. Deze vereniging verzamelde postuum verschillende van Weyns’ teksten en gaf ze uit onder de titel Haard en Heem.
Terecht merkt Gaston Durnez op dat Weyns “een theoretische en praktische beoefenaar was van de Volkskunde en geen kamergeleerde.”
ZEURIGE HISTORICI
Weyns heeft nooit een geheim gemaakt van het feit dat hij in zijn studentenjaren, onder invloed van zijn vriend Jef van Bilzen, sympathiseerde met het Verdinaso van Joris van Severen.
Jef van Bilzen koos tijdens de Tweede Wereldoorlog het verzet, terwijl Weyns nooit voor collaboratie werd veroordeeld.
Maar een conservatieve kan volgens zeurige historici alleen maar een vileine figuur zijn. Ze zingen uitsluitend het lied “De gedachten zijn vrij” voor de kameraden die zich ooit troskisten of maoïsten noemden. Voor hun eigen troepen zijn dat uiteraard te vergeven jeugdzonden, waarvoor wetenschappelijke verklaringen gelden. Voor conservatieven verdient het ‘misdadig’ verklaarde verleden aan de schandpaal te worden geplaatst, inclusief eeuwige verbanning en boekverbranding.
Een voorbeeld van deze theorie gaf recent historicus Robert Nouwen, ooit medewerker van het museum van Bokrijk. Om te bewijzen dat de visie op volkskunde van mensen als Weyns verdacht was en blijft, refereerde hij, stel je voor, naar één zin uit het boek Haard en Heem. Toen ik hem vroeg naar de exacte referentie, citeerde hij parmant blz. 29:
“Door huis en haard loopt de keten der geslachten, die eeuwige stroom van het bloed.”
Robert leest hier ‘bloed’ in de betekenis van ‘bloed en bodem’, de bekende theorie van de nazi’s, als poging tot reductio ad Hitlerum.
Ik zou denken dat zo’n zin juist vraagt om de cursus empathie voor de tijd waarin iemand leefde voor alle opgeleide historici.
Voor een goed begrip citeer ik nog de filosoof Spinoza:
“Ik heb er met zorg naar gestreefd de menselijke handelingen niet te bespotten, niet te betreuren, noch te verachten, maar te begrijpen.”
Weyns overleed veel te vroeg op 15 juli 1974. Toen hij stierf, werkte hij aan de laatste noten van zijn Volkshuisraad in Vlaanderen, dat postuum door zijn weduwe werd uitgegeven. Het werd een vierdelige, monumentale encyclopedie van de volkscultuur, een uniek wetenschappelijk instrument dat nooit werd overtroffen.
In zijn dorp Beerzel waren ze gelukkig slimmer dan onze progressieve historici: een straat én de basisschool zijn naar Jozef Weyns genoemd. En dat mag nog heel lang zo blijven.
04.04.2026
Op 3 april 1860 werd de Nederlandse schrijver en dichter — maar ook huisarts en psychiater — Frederik van Eeden geboren in Haarlem.
Van Eeden was van bemiddelde komaf, maar voelde zich rond 1900 sterk aangetrokken tot socialistische en utopische ideeënstromingen. Hij was evenwel geen communist en ook geen revolutionair marxist.
Samen met enkele vrienden (F. van der Goes, Willem Kloos, Willem Paap en Albert Verwey) richtte hij onder meer het tijdschrift De Nieuwe Gids op, de spreekbuis van de Beweging van Tachtig.
WALDEN
Geïnspireerd door Henry David Thoreau — zonder daarom een blinde volgeling te zijn — stichtte en financierde Van Eeden ‘Walden’, een sociaal en collectief experiment. Deze gemeenschap was gevestigd op een domein in de omgeving van Bussum, in het Gooi. Walden werd genoemd naar het gelijknamige boek dat Thoreau in 1854 publiceerde.
Walden trok een groep van 20 tot 40 gelijkgezinden aan. Het project was gebaseerd op zelfvoorziening, gemeenschappelijke arbeid en een eenvoudig, spiritueel leven. Na acht jaar werd het experiment stopgezet.
Zijn bekendste werk is het allegorische sprookje De kleine Johannes (1887), maar ook Van de koele meren des doods (1900) is een belangrijk werk.
Een passage uit dit laatste boek illustreert wat Van Eeden met Walden trachtte te realiseren, namelijk een alternatieve en betere samenleving:
“Zij verlangde naar rust, naar reinheid, naar een leven zonder leugen.”
Over poëzie schreef van Eeden:
“Poëzie noem ik elk sterk en zuiver spreken, waarbij de taal kracht heeft niet alleen door abstracte betekenis, maar ook door haar klank, haar beeldende en muzikale uitdrukking.”
Frederik van Eeden overleed in 1932 in Bussum.
03.04.2026
Op 2 april 1798 werd August Heinrich Hoffmann von Fallersleben geboren in Fallersleben, in het toenmalige hertogdom Braunschweig‑Lüneburg (nu Wolfsburg, Duitsland).
Als romantisch dichter en taalonderzoeker verdiept hij zich in volksliederen en de studie van de Nederlandse taal, met bijzondere belangstelling voor het Middelnederlands.
Tijdens zijn reizen door Nederland en Vlaanderen stond hij in contact met invloedrijke figuren zoals P.J. Snellaert, L. Alberdingk Thijm, J. van Lennep, M. Siegenbeek en J.F. Willems. In Frans-Vlaanderen ontmoette hij onder anderen E. de Coussemaker, samensteller van Chants Populaires des Flamands de France, en de filoloog L. de Baecker, een belangrijke vertegenwoordiger van de Nederlandse taalbeweging aldaar.
Hoffmann schreef verschillende liederen en gedichten in het Middelnederlands, taal die hij bijzonder vlot hanteerde. Tot zijn bekendste werk behoort onder meer Vlaenderen dagh en nacht denc ic aen u, dat in 1854 verscheen in zijn Horae Belgicae.
EEN ONTDEKKING IN VALENCIJN
In 1837 bezocht hij de bibliotheek van Valencijn en deed daar een opmerkelijke vondst. Over deze gebeurtenis schrijft hij zelf:
“Omdat ik de boeken niet meer kan bereiken, klim ik op een ladder. Ik vraag de bibliothecaris een tweede ladder te halen voor hem en mij de boeken aan te reiken. Al na het tiende boek gil ik juichend uit en sla van louter blijdschap mijn buur op de schouder, waardoor hij op een haar na het evenwicht verliest: ‘Voilà Monsieur’. De oude buffellederen boekband met geschriften van Gregorius van Nazianze had me niet bedrogen. Op de keerzijde van het 14ste blad staat het Ludwigslied en, tot mijn grote verbazing, ook het oudst bekende Romaanse gedicht, een lofzang op de heilige Eulalia die tot hiertoe volledig onbekend was (…)”
Samen met het zogenaamde Ludwigslied ontdekte Hoffmann in dezelfde bundel ook een andere unieke tekst: de Cantilène de Sainte‑Eulalie, die geldt als een van de vroegste bekende teksten in het Frans. Voor een filoloog als Hoffmann moet dit het hoogtepunt van zijn carrière zijn geweest, een dag die hij ongetwijfeld als dé ontdekking van zijn leven beschouwde.
Met deze vondst herontdekte Hoffmann von Fallersleben het Ludwigslied, het oudst bekende rijmdicht uit de negende eeuw, geschreven in het Oudfrankisch of Vroegmiddelfrankisch — een taalvariant die de gemeenschappelijke schakel vormt tussen het Duits en het Nederlands. Het Ludwigslied is vrijwel uniek als complete vroeg‑middelfrankische tekst; er zijn nauwelijks andere overgeleverde werken in deze taalvariant uit dezelfde periode.
Het Ludwigslied is een loflied dat de overwinning van de West-Frankische koning Ludwig III op de Noormannen in 881 bij Saucourt-en-Vimeu (Picardië), ten zuiden van Abbeville, bezingt.
De tekst was oorspronkelijk bekend uit een vermelding van de benedictijn J. Mabillon in 1672 en afkomstig van de abdij van Sint-Amands-aan-de-Skarpe (Saint-Amand-les-Eaux), maar was later zoekgeraakt, vermoedelijk door de onrusten rond de Franse Revolutie. Toen Hoffmann de tekst terugvond, waren maar weinig specialisten in Frankrijk nog in staat deze te herkennen, laat staan te lezen; tegenwoordig worden dergelijke stukken in Franse archieven in een vergeethoek bewaard onder de categorie “onleesbare stukken.”
Heinrich Hoffmann von Fallersleben overleed op 19 januari 1874 in Corvey bij Höxter, Duitsland, en is begraven op het kerkhof bij de abdijkerk van Corvey.
02.04.2026
Tekst, namen en spreuken van en over de maand april:
Tekst:
(…) “Nu is ’t prille groen aan ’t uitschieten op het houtgewas: belletjes, klokjes, vaantjes en knopjes allerhande. De vlier is er eerst bij geweest om teken van leven te vertonen; daarna, op een nacht, hangt de lindekruin vol teergroene vlaggetjes; over de toppen der populieren ligt een groene wasem gespreid, en alsof ze ’t met malkaar afgesproken hadden, doen de andere bomen het hen na : de berken op hun zilverwitte schachten, staan als juffertjes getooid, dragen aan zijdeharen twijgen een lichtgroene haarbos die openspreidt als sproeiende stralen uit een fontein.
Eiken en beuken houden zich nog een hele tijd afzijdig, -schijnen met de algemene moerlemeie niet te willen meedoen, blijven streng en ernstig hun winterhout, zonder dat er maar een tikkeltje groen aan te bespeuren valt. Tot de zon eindelijk er gang en leven in brengt, ze niet langer weerstaan kunnen en allenthenen de botten uitpiepen.(…)
Het zicht van al dat jonge groen verblijdt de mensen hun gemoed, maakt ineens dat ze zich gelukkig voelen en de wereld en ’t leven schoon vinden.(…)”
April, uit “De Maanden” van Stijn Streuvels.
De maand april is ook :
de grasmaand
de ostra- of oostermaand
de paasmaand
de eiermaand
1 april spreuken:
Op 1 april/ stuurt men de zotten waar men wil.
Op 1 april/ lopen zotten en katten op de dril.
Op de eerste april/ Verloor Alva zijn bril.
Weerspreuken
April koud en nat/ Vuil schuur en vat.
Donder in april/ Is was de landman wil.
Warme aprilregen/ is vast een grote zegen.
Sint-Joris die de draad overwon,/ houdt meer van regen dan van zon. (23 04)
Met Sint-Katrien/ Heeft elk hout wortel (30 04)
Als april schoon wil zijn,/ wroet mei lijkt een vuil zwijn.
01.04.2026
De eerste vermelding van 1 april in de Nederlanden dateert van 1539. De vrolijke Brugse rederijker Eduard de Dene (1505–1576) schreef toen onderstaand gedicht, waarin hij een knecht opvoert die door zijn baas op een onmogelijke boodschap wordt gestuurd.
De Dene was factor, dat wil zeggen secretaris, van de rederijkerskamer “De Weerde Drie Santinnen”. Beroepshalve was hij klerk van de Vierschaar, een beëdigde functie die te vergelijken is met die van een notaris. Blijkbaar had De Dene een drankprobleem en kwam hij daardoor in contact met het gerecht. Zijn levensverhaal vertelt niet of dit drankprobleem een verklaring is voor zijn voorliefde voor 1-aprilgrappen.
Dit gedicht is overgeleverd in zijn handschrift “Testament Rhetoricael”, een omvangrijke verzamelbundel waarin De Dene zijn refreinen, toneelteksten en andere stukken bijeenbracht.
In de tekst betrekt hij ook dat deel van het Westkwartier dat we vandaag kennen als Frans-Vlaanderen. De Dene prijst de konijnen van Duinkerke, de drinkers van Sint-Winoksbergen en de vechtende benden van Kassel. In zijn tijd waren de Nederlanden, zonder grenzen, de vanzelfsprekende biotoop van een Vlaamse rederijker.
Hier volgt de tekst in de oorspronkelijke spelling:
Refereyn Vp verzenderkens dach
Twelck den eersten April te zyne plach
Tsa LichtVoet myn lyfCnaepe fraey ende fier
met beel beraus houd ick myn bruloft schier
dies moet ie den boonacker up ghaen pleyen
Eerst wil ick hu zenden naer twestquartier
Te Curtrycke zult ghy doen backen Pasteyen
om Conynen moet ghy te dunkercke Reyen
om drynckers te winnocxberghe der naer
in thilleghembusch zult ghy hauwen de meyen
Cappoenen moet ghy coopen te meessene zwaer
te moerbeke vyndt ghy goe Room voorwaer
bestiert my dit / ghy zult de bruloft wenden
wel meester ghy zeght wel / maer daers een maer
Ick vreese tian dat ghy my wilt verzenden
Neen Ick kir ick zond een quack Liefuer waer ick dood
Reyst toosthende om mostaert / zou wordter noodt
te dentelghem zult ghy de PapEters spreken
bezoorght oock zout van biervliet in een sluussche boot
laet my musselkens van Brugheers oock niet ghebreken
noch blanckebergsche gheernaert Voor een paer weken
brynght peperlooc van eecloo dat de bruud wel mach
bespreict te Coolkercke waermoes Rasch onbezweken
Raepen vyndt ghy in brabandt zoot voortyds plach
tian meester ick waen ick noyndt tsghelycx en zach
end hier gheseyt / eer ick wil wech belenden
met dat iuiste nv es verzenderkens dach
Ick vreese tian dat ghy my wilt verzenden
Voorwaer / neen Ick lichtvoet houd dat in pachte
meent ghy dat ick de lueghenaers van ardenburch slachte
neen ick niet Twaere emmers quaelick ghedaen
Dus hoort noch tmynder bruloft by daeghe by nachte
en vvil ick hekelaers van Ofstaede ontfaen
Laet de slaepers van vuerne / oock an deen zyde staen
noodt oock gheen drooghaerts van Werueke Niet
Tuusschers van theemseke Laet die voor by ghaen
oock de platte ghezellen van sledynghen ziet
Douermoedeghe van Ronsse ooc voor by schiet
zultie lichtvoet / en Casselsche vechtende Benden
maer meester / in al wat ghy my te doene ghebiedt
Ick vreese tian dat ghy my wilt verzenden
Prinche
Kir LichtVoet trect duere / ghewillich wilt schoyen
te meenen daer zult ghy gheloyden Cnol poyen
en van danen zult ie Reyen dit moet ie weten
dat de kynders van ypre tghars commen stroyen
de blootvrauwen Vyndt ghy in tstoue ghezeten
Daryncbarners vanden vryen / Bidt die int vermeten
gheen grootsprekers van thoroudt ofze maecten gheschil
de Reppelmondsche tholnaers / zeght vry myn secreten
om tsbrulofts thol ontfanghen / elck als hy wil
tian meester doet dat zelue / vvant zonder Bril
zaegh ick niet / hoe ick dit last zou vulhenden
dat meer es / Tes nv deersten dach van April
Ick vreese tian dat ghy my wilt verzenden
01.04.2026
Op 31 maart 1887 wordt de schrijver, dichter en politiek essayist Charles Leconte de Lisle (1818–1894) opgenomen in de Franse Academie. Hij neemt de plaats in van Victor Hugo en wordt verwelkomd door diens zoon.
Leconte de Lisle geldt als een van de hoofdfiguren van de zogenoemde Parnassiens, een dichtersbeweging die zich afzette tegen de emotionaliteit van de romantiek en een meer afstandelijke, vormgerichte poëzie nastreefde. In de lijn van en geïnspireerd door Théophile Gautier ontwikkelde deze stroming een esthetiek waarin kunst om de kunst centraal stond. De naam van de beweging verwijst in de eerste plaats naar de Parnassus, de Oud-Griekse berg van de goden en de muzen, gewijd aan Apollo en symbool voor de poëzie. Eerder anekdotisch werd die naam later ook verbonden met Montparnasse in Parijs, de wijk waar verschillende dichters uit de kring zich vestigden.
Leconte de Lisle werd geboren op het eiland La Réunion, waar zijn vader plantage-eigenaar was. Via zijn vader had zijn familie echter Bretonse wortels. Toen hij naar Frankrijk kwam om te studeren, vormde Bretagne dan ook zijn eerste houvast.
Zijn sociale afkomst weerhield hem er niet van zich in zijn jonge jaren in te zetten voor republikeinse en sociale kwesties. Hij verzette zich tegen de slavernij en uitte scherpe kritiek op de geïndustrialiseerde wereld, evenals op de religieuze dogma’s en de bourgeoismentaliteit van zijn tijd. Later evolueerde zijn houding echter naar een meer afstandelijke en pessimistische visie op mens en maatschappij, wat ook in zijn poëzie doorklinkt.
Om de decadente moderniteit van de negentiende eeuw aan te klagen, schreef hij onder meer gedichten zoals dit Aux Modernes, dat opmerkelijk scherp en nog steeds herkenbaar is:
Aux modernes
Vous vivez lâchement, sans rêve, sans dessein,
Plus vieux, plus décrépits que la terre inféconde.
Châtrés dès le berceau par le siècle assassin
De toute passion vigoureuse et profonde.
Votre cervelle est vide autant que votre sein,
Et vous avez souillé ce misérable monde
D’un sang si corrompu, d’un souffle si malsain,
Que la mort germe seule en cette boue immonde.
Hommes, tueurs de dieux, les temps ne sont pas loin
Où, sur un grand tas d’or vautrés dans quelque coin,
Ayant rongé le sol nourricier jusqu’aux roches,
Ne sachant faire rien ni des jours ni des nuits,
Noyés dans le néant des suprêmes ennuis,
Vous mourrez bêtement en emplissant vos poches.
Charles Leconte de Lisle, Poèmes barbares, 1862 (Gallimard, « Collection Poésie », 1985)
En hier nog poging om deze tekst te vertalen in het Nederlands:
Aan de modernen
Jullie leven laf, zonder droom, zonder doel,
Ouder, meer afgeleefd dan onvruchtbare aarde.
Van bij de wieg gecastreerd door de moordende eeuw
Van elke krachtige en diepe hartstocht.
Jullie geest is even leeg als jullie borst,
En jullie hebben deze ellendige wereld bezoedeld
Met zo bedorven bloed, met zo’n slechte adem,
Dat enkel de dood kiemt in deze walgelijke modder.
Mensen, doders van goden, de tijd is nabij
Dat jullie, op een hoop goud liggend in een hoek,
De voedende grond tot op de rotsen hebben kaalgevreten,
Niet meer wetend wat te doen met dagen noch nachten,
Verdronken in het niets van het hoogste vervelen,
Dwaas zullen sterven, de zakken nog vullend.
31.03.2026
Op 30 juli 1889 werd de Vlaamse graficus, houtsnijder en kunstschilder Frans Masereel geboren in Blankenberge. Hij was de zoon van een bevoorrechte Franstalige Gentse familie – zijn vader was textielfabrikant – maar raakte al vroeg in de ban van de marxistische ideologie.
Masereel volgde een tekenopleiding aan de Gentse Academie en leerde etsen bij kunstenaar Jules De Bruycker. Hij groeide uit tot een van de belangrijkste grafische kunstenaars van zijn tijd.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog weigerde hij als pacifist de Belgische oorlogswetten te volgen en werd hij als dienstweigeraar beschouwd. Daardoor mocht hij pas in 1929 opnieuw België binnen.
Hoewel hij uit een welvarende familie kwam, stond Masereel bekend om zijn sterke internationalistische engagement en zijn fascinatie voor de Sovjet-Unie. In 1935-36 behoorde hij tot de Europese linkse kunstenaars – de zogenaamde fellow travellers – die de Sovjet-Unie bezochten en het communisme in Europa prezen. Hij bezocht het land tweemaal en ontmoette er zelfs kort Jozef Stalin.
Naast zijn vele werken rond sociale strijd is een belangrijk deel van zijn oeuvre verbonden met zijn geboortestreek. Vlaanderen inspireerde hem onder meer bij het illustreren van de legende van Tijl Uilenspiegel van Charles De Coster en de gedichten van Émile Verhaeren. Ook in zijn boek Mijn land staan herinneringen aan zijn geboortegrond centraal.
Equihen: vissers en Vikingen
In 1925 kocht Masereel een bescheiden vissershuisje in Equihen (Equinguehem in de dertiende eeuw), een vissersdorp bij Bonen (Boulogne-sur-Mer). Het dorp ligt waar de duinen plaatsmaken voor de rotsen van de Boonse kust en stond bekend om zijn armoede. Aan het begin van de negentiende eeuw kreeg het dorpje, toen een gehucht onder Outreau, de bijnaam “republiek van Equihen”, omdat de inwoners zo arm waren dat ze geen belastingen konden betalen.
Sommige vissers woonden in omgekeerde kielen van afgedankte vissersboten, zoals nog te zien is op oude postkaarten uit het begin van de vorige eeuw, maar die omgekeerde kielen hebben waarschijnlijk een andere oorsprong dan de armoede.
In de 19de eeuw werd op het grondgebied een begraafplaats ontdekt van negen mensen, de zogenaamde Tombe Fourdaine, ook Forum Danicum genoemd. Men vermoedde dat dit zou kunnen wijzen op Vikingbegravingen, maar in Masereels tijd waren er natuurlijk geen Vikingen meer aanwezig in het dorp.
Om verder te borduren op het gebruik van omgekeerde kielen als tijdelijke woonplaats:
Terug naar Frans Masereel: in Equihen vond hij inspiratie voor tal van werken – schilderijen, aquarellen en tekeningen – waarin de zee, de duinen, de schepen en het vissersleven een centrale plaats innemen.
Frans Masereel overleed op 3 januari 1972 in het Provençaalse Avignon. Zijn laatste wens was om in Vlaanderen begraven te worden. Zijn graf bevindt zich op de Campo Santo-begraafplaats in Gent-Sint-Amandsberg.
30.03.2026