(Texte en français ci-dessous)
Het Frans-Vlaams dat door onze ouders werd gesproken, vormt een van de historische componenten van het Standaardnederlands. Sommige taalkundigen beschouwen zelfs de zuidelijkste Nederlanden als een van de bakermatten van het Middelnederlands, waarvan het Nederlands dat in Belgisch Vlaanderen en Nederland wordt gesproken een continuüm vormt.
De typisch Franse opvatting, namelijk dat Zwitsers het “Zwitsers” spreken, Oostenrijkers het “Oostenrijks”, en dus Vlamingen het “Vlaams”, getuigt van een simplistische, Franse kijk op de taalkundige werkelijkheid.
In feite spreken al deze landen met een Germaanse cultuur in familiale en sociale kring vaak hun lokale dialect, maar gebruiken zij uiteraard de standaardtaal voor mondelinge of schriftelijke communicatie om wederzijds begrip mogelijk te maken. De Oostenrijkers en Zwitserse Duitstaligen gebruiken daarvoor het Standaardduits, dat door de laatsten Schriftdeutsch wordt genoemd, letterlijk “geschreven Duits”. Voor de Vlamingen van het zogenoemde ‘Belgische’ Vlaanderen is het Nederlands die standaardtaal.
Elke fantasierijke benaming, hoe sympathiek ook, zoals bijvoorbeeld de uitdrukking “flamand littéraire”, slaat nergens op, behalve dat zij onbedoeld verwarring zaait. Zij draagt daarentegen wel bij aan de ambigue terughoudendheid om het Nederlands bij zijn naam te noemen als de standaardtaal van alle Vlamingen en Nederlanders, van Duinkerke tot Antwerpen en Delfzijl.
Het idee dat er op Frans grondgebied een andere standaardtaal dan het Frans aanwezig zou zijn, behoort in Frankrijk niet tot het domein van de taalkunde, maar tot dat van de geopolitiek. De Franse houding bestaat erin om de term “Nederlands” zo lang mogelijk te ontkennen en hem als “vreemd” te bestempelen, om de situatie nog erger te maken — met de medewerking van sommige Frans-Vlamingen. De rest is inderdaad niets anders dan literatuur… en slechte literatuur.
Le flamand occidental parlé par nos parents constitue l’une des composantes historiques du néerlandais standard. Certains linguistes qualifient même les Pays-Bas du sud comme l’un des berceaux du moyen néerlandais, dont le néerlandais parlé en Flandre belge et aux Pays-Bas constitue un continuum.
La vision très française, selon laquelle les Suisses parlent le suisse, les Autrichiens l’autrichien, et donc les Flamands le flamand, témoigne d’une perception hexagonale simpliste de la réalité linguistique.
En réalité, tous ces pays de culture germanique parlent volontiers le dialecte local en famille et dans leur milieu social, mais utilisent, bien entendu, la langue standard pour la communication orale ou écrite afin d’assurer l’intercompréhension mutuelle. Pour ce, les Autrichiens et les Suisses alémaniques emploieront l’allemand standard, appelé par ces derniers Schriftdeutsch, littéralement « l’allemand écrit ». Pour les Flamands de Flandre dite belge, c’est le néerlandais qui joue ce rôle.
Toute appellation fantaisiste, même sympathique, comme par exemple l’expression« flamand littéraire », ne correspond strictement à rien, sinon qu’elle aide involontairement à semer la confusion dans les esprits. Elle contribue, par contre, à la crainte, très équivoque, d’appeler le néerlandais par son nom, en tant que langue standard de tous les Flamands et Néerlandais, de Dunkerque à Anvers et à Delfzijl. L’idée même de la présence d’une autre langue standard que le français sur le territoire français relève en réalité pour ce pays, non pas de la linguistique, mais de la géopolitique. La position française consiste à réfuter le plus longtemps possible le terme « néerlandais » et à lui coller la mention « étranger » pour aggraver la chose, avec la collaboration de certains Flamands de France. Tout le reste n’est, en effet, que littérature… et mauvaise littérature.
19.09.2025
Na ’t succes van “Frans en toch Vlaams” kwam mijn uitgever Karl Drabbe van uitgeverij Ertsberg met de suggestie om te schrijven aan een nieuw boek over taal en identiteit.
In dat verband ben ik alvast in mijn archief gedoken om artikels die ik ooit schreef, en ook in mijn documentatie en nota’s rond taal. Ik vond ook dit:
Op 12 juni 2022, vandaag drie jaar geleden, schreef ik over een tekst van Cyriel Moeyaert die het had over de taal van mijn ouders, ’t Vlaamsch van Kaaster, dus.
Cyriel kwam geregeld bij ons thuis op bezoek. De nota die volgt, schreef hij in 1974, een half eeuw terug dus. Ze verwijst naar zijn vele gesprekken met mijn vader in de periode 1972-1974, en ook naar mijn bescheiden taalwaarnemingen die ik Cyriel regelmatig meedeelde. Wat ik niet (meer) wist, en herontdekte, is dat deze tekst ooit werd gepubliceerd in Ons Erfdeel (jaargang 17, 1974).
Ik laat nu Cyriel aan ’t woord:
“Wido Bourel uit Kaaster is nu ook een gewaardeerd medewerker geworden. Z’n vader (en ook z’n moeder) spreken uitstekend z’n streektaal.
Dat Wido goed weet waar te nemen, blijkt duidelijk uit z’n aantekening: ‘Chuum pagelór’ met een misprijzende ‘ch’ voor: ‘gij’n knoeier’, met dat merkwaardige ’n na gie, hier uitgesproken als ‘chuu’.
‘Koekemoond’ is een levendige weergave van een tandeloze mond, en is een van de gevallen waarin in die streek ‘oo’ gehoord wordt in plaats van ‘oe’: ‘stool’ (stoel), ‘woonsdag’ (Steenvoorde), enzovoort. Dus vaak voor een ‘n’. Ons ‘noen’ komt ook van ‘nonae’, en het Boonse zegt nog altijd ‘après-noon’, ook in ’t Engels volgens de oorspronkelijke uitspraak ‘after-noon’ gespeld… Gezelle heeft ‘koekemond’ (uitgesproken als ‘koekemoend’) aangetekend in Zonnebeke, en hij verwijst naar het Kortrijkse ‘mokkemond’.
In Kaaster krijgen we ‘op’ i.p.v. ‘met’ in: ‘e lietje op e keeë’. ‘E bitje op e keeë’ zeggen ze alleen van brood, bijvoorbeeld (dus het oorspronkelijke ‘beetje’). In Winnezele is het eveneens het voorzetsel ‘op’: ‘je ku(t) gin tweeë (h)ózen slieëten op e keeë’ (je kunt geen twee hazen tegelijk schieten = geen twee klusjes tegelijk doen).
Nog in Kaaster: ‘je kiekt lik e sjuui’ betekent: je ziet eruit als een vogelverschrikker (schuw), gezegd tegen slordige langharigen bijvoorbeeld.
Het merkwaardigste uit Kaaster is het plaatselijk woord voor hagedis: ‘egetatse’. Het woord komt als ’t ware rechtstreeks uit het Middelnederlands Woordenboek, nl. ’egetetse’. Verdam schrijft ’egetisse’. Gezelle noemt het ook uit Poperinge, waarschijnlijk beïnvloed door het West-Vlaamse ‘lokketesse’, nl. ‘heketesse’, ten onrechte met begin-h, zoals De Vries in z’n Etymologisch Woordenboek laat vermoeden. In Broksele noemen ze dat dier vreemd genoeg ‘slangje’ (slangetje). De Vries zegt dat het eerste deel van dat woord, nl. ‘egi’, misschien verwant is met het Oudindisch ‘ahi’, en het Grieks ‘ophis’ = ‘slang’.”
In Kaaster ‘bachten de kapalle’ waren er toen genoeg zegslieden om Cyriel blij te maken. Als hij mijn vader hoorde zeggen: ‘j’het assan stouthalzen!’, kroop Cyriel meteen in zijn pen om dat middeleeuws woord ‘stouthals’, hier in de betekenis van ‘waaghals’, te noteren.
En de dag van Cyriel kon niet meer stuk als de Kaasternaars deze prachtige woorden voor hem toverden: “Koude kasse” voor koelkast; “kattieverik” voor vuil, gemene kerel; “verfbustelaore” voor verfkwast; “de buteweg kriigen” voor weggejaagd worden.
Dat was in de tijd dat het hele dorp nog Vlaams sprak. Lang vervlogen, maar onvergetelijke tijden.
12.06.2025
In de jaren ’70 van de vorige eeuw bedacht en verspreidde ik samen met Jan Pol Sepieter de slogan: “Ons Vlaamsch is een steektaal van het Nederlands, de taal van 25 miljoen Europeanen.” Onze bescheiden poging om de streektaal te redden was nooit tegen het Nederlands gericht; integendeel. Jaren later kwamen er krachten op die onze boodschap verdraaiden en het Nederlands als vreemd aan de streek en elitair bestempelden.
Ik ben geen taalkundige, maar ik heb mijn verantwoordelijkheid genomen en getuigd dat dit nooit onze bedoeling is geweest. Ik heb hierover verschillende artikelen geschreven en zelfs een boek, Olla Vogala. Nu lees ik dat Jan Pekelder, een taalkundige van Nederlandse afkomst, mij beschouwt als iemand die de “voortdurende tweespalt” onderhoudt. De man weet wat ik denk al heb ik nooit met hem gesproken. Daarom geef ik hier nogmaals een samenvatting van mijn visie, die ik al meer dan een halve eeuw verdedig. Vandaag precies en jaar geleden schreef ik hierover nog een artikel met de titel ‘Honden in het kegelspel’.
Cyriel Moeyaert noemde zijn levenswerk “woordenboek van het Frans-Vlaams,” niet van het West-Vlaams. Hiermee maakte hij duidelijk dat dit woordenboek specifiek over de streektaal over de schreve ging. Deze taal is niet zo anders dan die in Heuvelland of Bachten de Kupe, maar de Frans-Vlaamse streektaal heeft eigenaardigheden en woorden bewaard die elders verdwenen of in onbruik geraakt zijn.
Wij schreven Nederlands en spraken de streektaal. Van Cyriel Moeyaert leerde ik dat de geschreven taal van de Frans-Vlamingen in de zeventiende, achttiende, negentiende en begin twintigste eeuw altijd Nederlands is geweest. Het Nederlands van die tijd. De geschreven taal van Michiel de Swaen, Andries Steven of Renaat Despicht vertoont soms regionale kleuren en woorden, maar is onmiskenbaar Nederlands.
Van Cyriel onthield ik ook hoe belangrijk de standaardtaal is en waarom ik de taalerfenis van mijn ouders moet koesteren. De streektalen van het Nederlands zijn het geheugen van onze taal voor alle mensen van goede wil. De liefde voor het Nederlands betekent niet automatisch oppositie tegen de streektaal; integendeel.
Ooit was het gebied van de huidige Nederlanden in Frankrijk de bakermat van onze taal, waar men het Noordzeegermaans sprak van hier tot aan de Engelse kust. Wat mij betreft had men de standaardtaal Diets kunnen noemen. Het punt is dat het Nederlands de standaardtaal is geworden van de streken die tot de historische Nederlanden behoren. Voor wie problemen heeft met de taal boven de Moerdijk is pragmatisme nodig: het is wat het is. Ook onder de Moerdijk hebben ze misschien vragen bij de evolutie van onze taal. Laten we niet te bekrompen denken: de afstand van Duinkerke tot Amsterdam is amper 300 km, niet veel verder dan Parijs, behalve in onze hoofden.
Dat onze standaardtaal meer “Hollands” klinkt dan ons in Vlaanderen lief is, heeft te maken met de geschiedenis, de wet van de grote getallen, en de afstand. Het lijkt me logisch: hoe verder men van het centrum staat, hoe minder invloed. Dit geldt niet alleen voor het West-Vlaams; ook Limburgers hebben reden tot klagen. Het zuiden had een tweede centrum kunnen aanduiden, maar is in 1830 een andere weg opgegaan. Een troost: mijn Nederlandse vrienden onder de Moerdijk klagen ook wel eens over de taal van de Randstad.
Er zijn mensen in Frans-Vlaanderen die de onwetendheid van de plaatselijke bevolking en van liefhebbers van de streektaal misbruiken om hen allerlei onzin wijs te maken. Vlaenderen, met ‘ae’, zou Frans-Vlaams zijn, en Vlaanderen, met ‘aa’, zou een andere, vreemde taal zijn: het Nederlands. De Frans-Vlaamse naam voor de gemeente Sercus zou Zurkel zijn en niet het duizendjarige Zerkel. En het Frans-Vlaams zou meer verwant zijn met het Engels en zelfs met het Duits, maar niet met het Nederlands. Dit alles komt van dezelfde zelfgeproclameerde academici van de Vlaemsche taele, die soms niet eens tot vuuve kunnen tellen. Laat staan tot vijf.
Er zijn mensen aan deze kant van de schreve, liefhebbers van het West-Vlaams, die deze onzin beamen en aanmoedigen. Ze stimuleren deze Frans-Vlamingen om een nieuw Volapük te creëren. De rijkdom van de streektaal is precies in de verscheidenheid, en niet in de standaardisering ervan. Ze moeten ook weten dat zelfs Guido Gezelle, nochtans een hardnekkige verdediger van het West-Vlaams, nooit dialectisch heeft geschreven.
Dat onze standaardtaal meer “Hollands” klinkt dan ons in Vlaanderen lief is, heeft ook te maken met de geschiedenis, de wet van de grote getallen, en de afstand. Hoe verder men van het centrum staat, hoe minder invloed. Dit geldt niet alleen voor het West-Vlaams. Over dat centrum nog dit: het zuiden had een tweede centrum kunnen aanduiden, maar is in 1830 een andere weg opgegaan. Een troost: mijn Nederlandse vrienden onder de Moerdijk klagen ook wel eens over de taal van de Randstad. Het is dus geen specifiek Vlaams probleem.
Met 25 miljoen sprekers behoort het Nederlands tot de top tien van de meest gesproken talen in Europa. Niet meer, maar ook niet minder. Laten we dus niet kleiner denken dan we zijn en onze plaats innemen. Eenheid in verscheidenheid is al een tijdje de norm. De tijd van de stugge ABN-normen is voorbij. Het zuiden moet, in plaats van de rol van slachtoffer te spelen, de Taalunie en alle mogelijke taalinstanties overspoelen met ideeën en voorstellen voor een betere stem in het kapittel.
05.04.2025
Men leze van Jelle Stegeman: Grote geschiedenis van de Nederlandse taal, deel 2 (deel 1 behandelt de vroege historie, vanaf het Indo-Germaans). In de 16e eeuw was het Nederlands een verzameling streektalen die onderling slecht waren te verstaan. Daarom ontwikkelde zich voor de commercie een bovenregionale taal en in de tweede helft 18e eeuw werd die officieus gecodificeerd, op basis van geschriften van Vondel en P.C. Hooft, allebei Hollanders. De Bataafse republiek maakte die codificatie officieel. Na de scheiding hebben Nederland en Vlaanderen in de tweede helft 19e eeuw die codificatie afzonderlijk opnieuw vastgesteld, aldus werd Hollands officieel Nederlands.
Regio speelt bij ons weinig een rol, we hebben het geluk veel minder last te hebben van de Franstalige overheersing. Nee, het is de erfenis van Vondel en P.C. Hooft!
Sommigen van mijn lezers denken dat ik iets heb tegen de Frans-Vlaamse streektaal. Wie mijn verleden kent weet dat dit niet klopt niet. Het Frans-Vlaams is de taal van mijn ouders, taal die ze thuis met elkaar en in onze familie spraken. Mijn interesse voor het Frans-Vlaams heeft me geleid tot mijn studies van het Nederlands. En dat heeft mijn verdere carrière en mijn leven bepaald.
De verdwijning van het Frans-Vlaams maakt me droevig. Met vriend Jan Pol Sepieter lanceerden wij samen in de jaren ‘70 met de slogan “’t is schoon Vlaamsch te klapp’n”, de eerste naoorlogse reddingsoperatie van onze streektaal. Het was toen al duidelijk dat het Frans-Vlaams gevaar liep en de 21ste eeuw met moeite zou halen.
Onze reddingsoperatie was nooit tegen het Nederlands gericht, integendeel. Jan Pol sprak vloeiend Nederlands en dit had hem geholpen om ’t Frans-Vlaams (die hij thuis niet sprak) snel te beheersen en zijn leermethode te schrijven. Ik volgde uiteraard dezelfde lijn. Ik leerde Nederlands met als houvast het Frans-Vlaams gesproken in onze familie. Het was voor ons nogal vanzelfsprekend dat het gesproken Frans-Vlaams een springplank was naar het Nederlands, en omgekeerd.
Van de eminente kenner van het Frans-Vlaams, de taalkundige Cyriel Moeyaert hadden wij geleerd dat het Nederlands geen vreemde taal voor de Westhoek in Frankrijk zoals sommigen beweren. Het was de geschreven taal in enkele van onze scholen nog onderwezen tot in de negentiende eeuw. En het was ook de taal van het geschreven woord, van onze archieven, net als in West-Vlaanderen of in de rest van Vlaanderen.
In al mijn lezingen over Frans-Vlaanderen, wanneer ik spreek over de verdwijning van onze streektaal, gebruik ik steeds het citaat van George Steiner (1925-2020) Frans-Amerikaans literatuurwetenschapper en cultuurfilosoof:
“De dood van een taal, ook al wordt ze nog maar gefluisterd door een handjevol mensen op een perceel geteisterde aarde, is de dood van een wereld. ”
In tegenstelling tot de ANVT vragen wij dat de regio Hauts-de-France het Nederlands erkent als regionale taal NAAST het Frans-Vlaams en als ’taal van de buren’. Het model bestaat al in de Elzas waar het Duits eindelijk erkend is als een van de streektalen naast het Elzassisch.
30.01.2025