Wintertijd in Frans-Vlaanderen

In de donkere dagen verbleef ik graag bij mijn grootouders. Elke dag begon met een merkwaardig gebed:

Lieve god beware ons
van vier (vuur) en van water,
van dunder (donder ) en van blesmer (bliksem),
en ook van brand,
en van de boze vijant (vijand).

In die periode van het jaar stond alles even stil. Er werd zo goed als niet gewerkt. Behalve wat hout kappen, was het leven herleid tot een dagelijkse wandeling met mijn grootvader langs de Foenebeek. Wij keken uren lang naar de bomen, de dieren en de wolken. De sfeer was er een van grootvaderlijke natuurwijsheden, maar ook, van geheimzinnigheid.

De lotdagen

Grootvader wist nog dat het weer van elke dag tussen Kerst en Driekoningen, de lotdagen,ook het weer van de twaalf komende maanden aankondigde. Maar hij vertrouwde het niet helemaal en ging dus zelf op zoek naar tekens van de natuur. Een zaak was volgens hem wel zeker: als het met Kerst sneeuwde, gingen wij ook een witte januari tegemoet.

’s Avonds vertelde grootmoeder in het Vlaamsch, bij het licht van de houtkachel. Over lang vervlogen tijden, oude familieverhalen en over den verlooren jagher. Maar wij mochten niet te lang in het donker zitten. Want, als de zon was ondergegaan, bracht dit, volgens haar, zeker ongeluk.

Op straat passeerde dagelijks een boer met een prachtig wit trekpaard voor zijn kar. Grootvader zei dat het zien van een wit paard in die dagen geluk bracht. Soms gingen wij de boer en zijn peerd begroeten. "Niets kwaads denken" was dan de boodschap, want het paard zou het verder kunnen vertellen.

 

 

randomness