Pierlala en de organisten

(02 2010)

In november 1831 arresteerde de Belgische politie in de omgeving van Lier een liedjeszanger, die weliswaar patriottische liedjes zong, maar andere teksten uitdeelde, waarvan men vermoedde dat ze door Orangisten waren geïnspireerd. En de Belgische autoriteiten vonden die gevaarlijk genoeg om er tegen op te treden. Later bleek dat deze tekst inderdaad geschreven was door een notoire orangist, Georges K.L. Bergmann, burgemeester van Lier.

Pier onzen oude goed vriend
Kwam gisteren uit zijn graf. Hij was zeer vrolijk welgezind
En nam zijn klaksken af.
Hij dagt de oorlog is gedaen,
Nu zal men hier aent schransen gaen.
T’ Is mis, riep Pierlala sasa,
T’ Is mis riep Pierlala.

Hij zag den fabrikant vol druk
Zonder couragie staan,
Die riep: ach weg is ons geluk
Wij zijn er deerlijk aen,
’k Wou dat den Duivel had gevat
Den schelm die ’t spel (=Belgische afscheiding) begonnen had
Te laet, zei Pierlala sasa
Te laet, zei Pierlala.

Eertijds verschaft" ik werk en brood
Aan meenig aermen vent.
Nu ben ik zelfs in groote nood
Mijn neiring is ten end.
Moet dat nu zijn, verlost en vrij?
’k was liever in de slavernij.
Ik ook, zei Pierlala sasa,
Ik ook, zei Pierlala.

Den aermen riep: ’k heb brood noch kaes
Ben aermer als een mier.
Eertijds onder den ouden baas (Willem I)
Dronk ik mijn pintje bier.
Waer zullen wijf en kinderen gaen,
Als de fabrieken blijven staen?
Om zeep, zei Pierlala, sasa,
Om zeep, zei Pierlala.

Den officier die zijnen post Verliet om hoogren graad, (in ’t Belgisch leger)
Riep: was ’t begod maer niet begost
’k Bleef altijd dan soldaet.
Maer nu met onz neutraliteit
Raak ik mijn epauletten kwijt.
Verdiend, zei Pierlala, sasa,
Verdiend, zei Pierlala.

De winkelier riep met geweld,
Met d’handen in zijn haer,
’t Is nu reeds altijd geld, geld, geld
Wat zal het zijn daernaer
Wanneer de nieuwe protokol
Het landje steekt met schulden vol?
Nog geld, zei Pierlala, sasa,
Nog geld, zei Pierlala.

Den koopman die met oordjes zat
In den Hollandschen tijd
Riep nu: wat wordt mijn beurs zo plat
Met onze liber (de Belgische revolutionairen) hebben ons gekuld.
Maar hunne zakken zijn gevuld.
Da’s slim, zei Pierlala, sasa,
Da’s slim zei Pierlala.

Den boer die riep uit vollen mond:
’k Begreep eertijds de wet,
Nu voor hetgeen ik niet verstond
Wierd ik in ’t kot gezet.
Spreek ik den burgemeester aen,
Dan is’t monsieur, kan niet verstaan.
Spreek Fransch, zei Pierlala, sasa,
Spreek Fransch, zei Pierlala.

De zeeman riep ook om zijn best:
He varen is nu uit,
Mijn schip dat ging naar Oost en West,
Wordt nu een mosselschuit.
Nu zijn wij, potvervblommen vet,
Van alle kanten in het net.
Doch vrij,ze Pierlala, sasa,
Doch vrij, zei Pierlala.

En nu riep ook mijnheer Pastoor:
’t Is immer alles wel.
Help mij er maar op aerden door,
Ik help U door de hel.
’t Is waer, gij zijt uw centen kwijt,
Maar koopt daervoor de zaeligheid.
Da’s duur zei Pierlala, sasa,
Da’s duur, zei Pierlala.

Gij jebt nu dog geen Willem meer
Dat was een protestant.
Maar nu die Saxisch Luthers heer
Heeft ijselijk veel verstand.
’k Vecht met U, zegt hij, voor ’t geloof
En ook een beetje voor den roof.
Da’s juist zei Pierlala, sasa,
Da’s juist zei Pierlala.

Maar Pierke zeg ons om Gods wil.
Wie won bij dat gedruis?
Holla, zei Pier, nu zwijg ik stil.
’t Is zoo een vies gespuis.
Die van de Weyer en gezel
Die zou mij pakken bij mijn vel.
Naar ’t graf zei Pierlala, sassa,
Naar ’t graf, zei Pierlala.

(Bron : Stadsbibliotheek van Antwerpen, collectie vlugschriften m.b.t. de "Belgische omwenteling" en de beginjaren van België, nummer K12985)