Mijn eerste bezoek aan het Schoon Verdiep

Kennismaking met de Vlaamse politiek

Onlangs bezocht ik opnieuw het stadhuis van Antwerpen. Mijn eerste bezoek aan het Schoon Verdiep dateerde van 1975. Ik was toen in Antwerpen pas aangekomen om mijn studies van het Nederlands te vervolmaken. Mijn komst werd snel bekend door de plaatselijke pers, omdat ik in de Scheldestad een secretariaat van de Frans-Vlaamse Michiel de Swaenkring had opgericht. Zo kwam ik in contact met Staf Delie, een bevriende journalist die ook gemeenteraadslid was voor de Volksunie in Antwerpen.

Op initiatief van Staf werd door de Stad Antwerpen beslist om een subsidie te verlenen aan het onderwijs van het Nederlands in Frans-Vlaanderen. Ik was de aangeduide man om dit namens de Michiel de Swaenkring in ontvangst te nemen en zo werd ik op een avond officieel uitgenodigd om de gemeenteraad van Antwerpen bij te wonen.

Na een bezoek in een plaatselijk restaurant stelde Staf me voor de schepenen en de burgemeester op te wachten, buiten aan de kant van café ’t Tafeltje Rond. Dit was de beste manier om, volgens hem, kennis te maken met het Schepencollege van Antwerpen. En zo geschiedde dus: een eerste wagen kwam aan, zo’n een lelijke Amerikaanse. Stapte uit, een chauffeur met plechtige uniform en pet. Hij deed het portier open voor ene schepen Van Elewijck aan wie ik werd voorgesteld. Volgende wagen kwam er aan, in mijn herinnering een nog langere en lelijkere Amerikaanse slee, en dit was Leo Delwaide. Dag Staf ! Goede avond jonge man. Schoof onmiddellijk aan nog zo’n onding van een auto en de chauffeur deed zijn pet af voor de burgemeester himself, Lode Craeybeckx die, na een goed woord van Staf, me opvallend vriendelijk begroette. En zo ging de show maar door: Grootjans, Cools, enzovoort, enzovoort.

Vol twijfels, ondanks mijn studie van de Antwerpse politiek als voorbereiding op deze avond, vroeg ik Staf tot welke partij de burgemeester van Antwerpen behoorde. Hij bevestigde: de socialisten hadden het hier voor het zeggen ...

De rest van avond was voor een verdwaalde Fransman uit zijn boerendorp komende even buitenmaats als de aankomst van de Heren schepenen. Na een geleid bezoek aan het Schoon Verdiep mocht ik als officiële gast de gemeenteraad bijwonen vanaf de publiekstribune. Op voorstel van Staf kwam men tot het plechtig stemmen van een premie ten gunste van het onderwijs van het Nederlands in Frans-Vlaanderen. Mijn naam werd genoemd en er volgde een applaus nadat Craeybeckx het woord even genomen had om te verklaren dat Antwerpen ook Frans-Vlaanderen niet los liet..

De avond eindigde dan rond een "bolleke" in ’t Tafeltje Rond waar Schiltz en co ook van de partij waren.

Die nacht kon ik van het hele gebeuren niet goed slapen en bij het ochtendgloren vroeg ik mijn kotmadam om onmiddellijk naar huis te mogen bellen. Tegen mijn vader, die socialist was, vertelde ik wat ik had meegemaakt: "Ik heb kennis gemaakt met socialisten van het stadsbestuur. Die Vlaamse socialisten hier zijn geen armoedzaaiers zoals hun soortgenoten in Frankrijk : ze rijden met een Amerikaanse car met chauffeur.".