Laudatio door Cyriel Moeyaert

Beste vriend Wido, beste familie,
Dames en Heren, Beste Vrienden,

Ik heb Wido Bourel het eerst ontmoet in Steenvoorde, toen hij daar de cursus Nederlands van het KFV volgde van Walter Verdonck in het stadhuis. Hij maakte deel uit van een tamelijk grote groep jonge leerders. Er bestaat een foto van die groep voor het stadhuis en Wido staat erop als een jonge kerel, nogal nonchalant met sluik haar en bitsige ogen, zoals hij was, een vastberaden, hardnekkige jongen. Dat doorzettingsvermogen is hem bijgebleven en siert hem.

Wido is uit het opmerkelijke dorp Kaaster. Dat is niet het eerste beste dorp en dat Wido weet heel goed. Hij woonde daar in een landelijk huis langs de Strazelstrate. Z’n ouders spraken Vlaams en z’n vader kwam er op z’n werk voor uit dat hij Vlaams sprekend was. De naam Kaaster wijst op de oorsprong uit de tijd van de Romeinse bezetting, langs een heerweg die in de tweede eeuw na Christus aangelegd is. Volgens de traditie stond er al een kapel in de 9e eeuw waar de relikwieën van drie Anglo-Saksische maagden bewaard werden, Edith, Sabina en Elfrida: de oudste kapel van Frans-Vlaanderen. Maar Kaaster mag ook bogen op een belangrijk literair verleden. Al voor 1540 bestond de rederijkerskamer De Libertijnen met als leuze “Wij leven door Victorie". Later is er zelfs sprake van vijf rederijkerskamers. Er werd ook deelgenomen aan landjuwelen en hun pastoor en dichter Witsoet zorgde voor eigen oorspronkelijke toneelstukken, o.m. over de heilige pastoor van Kaaster Karel Lodewijk Grimminck, eveneens Nederlandse auteur, op wie Kaaster ook trots mag zijn . Niet iedereen heeft het geluk in zo’n dorp geboren te zijn. De Franse staat heeft alles in het werk gesteld om dat historisch bewustzijn uit de doven maar Wido is als een van de weinigen daaraan ontsnapt. Met andere woorden: hij heeft z’n volk, z’n geschiedenis en z’n taal teruggevonden

Wido was toen scholier aan het Lycèe des Flandres in Hazebroek, niet ver van z’n dorp Kaaster. In het vuur van z’n eerste liefde voor z’n volk en taal stichtte hij samen met Jan Paul Sepieter de vereniging De Hekkerschreeuwen. De naam betekende hun doelstelling: een strijdbare Vlaamse jongerengroep die hun ideaal wilde uitschreeuwen. De naam hadden ze zo gekozen op grond van een bekende zegswijze die moeders gebruikten als hun kinderen al te veel lawaai maakten: . Ik had hun dat verteld bij een van hun vele bezoeken en daarbij gezegd: Frans-Vlaamse moeders weten dus hoe een nekker schreeuwt. Een nekker is een waterduivel, die onder meer verblijft onder de Sint-Winoksbergse waterpoort: de Nekkerstorre. Nekker is een oeroud Diets woord dat al te lezen staat in het oudste West-Germaanse , misschien in Zuid-Vlaanderen ontstane Dietse epos Beowulf (8e eeuw).

Zo noemden ze hun vereniging Hekkerschreeuwen zonder n en niet Nekkerschreeuwen: ze hadden waarschijnlijk een hekker genoteerd i.p.v. een nekker. Ze namen als leuze die van de Sint-Winoksbergse achttiende-eeuwse dichter Cuvelier: Noch krupen noch stupen. Heel zinvol. Bisschop Lobbedey zou die leuze ook gebruikt hebben. Wido en Jan Paul zijn als Hekkeschreeeuwers heel actief geweest: ze belegden bijeenkomsten en gaven stickers uit waarvan er nog een bekend is en verspreid wordt: ’t is schoon Vlaamsch te klappen, de tale van mijn ouders. En eronder stond toen: Le flamand est un dialecte du Nèerlandais, langue de vingt millions d’Europèens (nu 23 miljoen). Dèze leuze zelf vindt z’n oorsprong in een reactie op het bericht dat in de Elzas onmiddellijk na de oorlog op de ramen van trams en bussen de leuze voorkwam: “C’est chic de parler Français", in een strijd tegen de Elzassische volkstaal. Vandaar “’t Is schoon Vlaamsch te klappen". Jan Paul Sepieter maakte toen het eerste handboekje om Vlaams te leren: Ik klappen nu Vlaamsch lik m’n Ouders. En gy? Ik had het boekje goedkoop kunnen laten drukken in Nederland via Cees Emmen, en ben het hele pak boekjes nog wezen halen in Soest met m’n volkswagentje in die tijd. Een andere sticker tegen de atoomcentrale in Grevelingen: “Geen kerncentrale in Vlaanderen" met eronder Grevelingen een gravenlijn, toespeling op de Franse naam Gravelines. Anders heel actueel zoals u merkt. Een andere sticker was een aanmaning om in het eigen streek te blijven wonen “In de Westhoek wil ik bluven". Ook WHK. Een andere was een oproep om in de Vlaamse stijl te blijven bouwen: “Construisons Flamand" met als onderschrift: Vlaanderen in Frankrijk blijft Vlaamsch. Wido en Jan Paul vonden ook de tijd, soms in de nacht, om op muren en wegen hun radicale Vlaamse strijdleuzen te schilderen. Ze vroegen me dan om er een foto van te maken. In de stationsviaduct in Hazebroek borstelden ze “Wyder vragen Vryheid". Begrijpelijke leuze omdat ze aanvoelden wat Ferdinand Snellaert geschreven had, zonder dat ze het wisten:

Men kan alleen vrij zijn in een vrij volk.

Andere opschriften prijkten op de stijgende weg van Berten naar de Kasselberg. "Vlaamse macht" en "Vlaanderen kolonie van Frankrijk". Historisch is dat laatste juist geweest: tussen de aanhechting 1667 en 1677 en de Franse Revolutie was Vlaanderen in Frankrijk een wingewest dat moet opleveren. Het was nog geen stuk van Frankrijk en de grens lag toen aan de Somme.

Het was in die tijd dat ik vele avonden in Ieper bezoek kreeg van Wido en jonge Frans-Vlamingen om te praten, om vragen te stellen, om boeken en tijdschriften in te kijken. Ze bleven soms heel lang, zodat ik tegen middernacht zelf moest zeggen dat ze naar huis moesten, dat ik de volgende dag les moest geven.

De begaafde vriend en medewerker, de Belse architect Dieudonnè Copin heeft voor de Hekkerschreeuwen de kop van een nekker getekend. Hij tekende die in een onuitgegeven verhaal: "La saga du reuze et du Reuzelied". Het verhaal is hier en daar doorspekt met Vlaamse woorden en Vlaamse zinnetjes, veel flandricismes en met veel fijne tekeningen. Hij tekende die nekkerkop bij blz. 11 aan de boegspriet van een boot. Ook de naam Wido komt voor in het verhaal. Duidelijk bedoeld

Ondertussen had Wido een nestor gevonden in Nikolaas Bourgeois, de man die samen met Gantois de leiding had gehad van het Vlaamsch Verbond, een denktank met hele ruime historische kennis en inzichten, die beter dan wie ook de geschiedenis van Frankrijk en Franse Nederlanden kende. Wido was er altijd welkom hoe dikwijls hij ook kwam, was Bourgeois bereid om z’n weetgierige vragen te beantwoorden.

Zoals Wido vertelt in z’ n eerste boekje wou hij te allen prijze Nederlands leren. Het ging zo ver dat hij op het lyceum onder de Franse les Nederlands leerde in z’n fameuze woordenboek. Ik zei hem nog dat hij toch z’n studie moest verzorgen voor z’n toekomst. Hij bleef vastberaden en wou in West-Vlaanderen ergens werken om zodoende de taal te leren door contact met de Nederlands sprekende mensen. Ik heb toen voor een plaats als helper kunnen zorgen in het tuindersbedrijf Dewulf in Boezinge. Later vond hij een betrekking in Antwerpen bij VTB-VAB. Daar in Anwerpen werd hij toen secretaris van de toen bloeiende Michiel de Swaenkring en begon hij te publiceren in TIJL, het mooie tijdschrift van de kring, alsook artikels te plegen in de Gazet van Antwerpen over Frans-Vlaanderen en Frans-Vlamingen. Zelf vertelt hij in z’n boekje over z’n verblijf in Nederland en we mogen niet vergeten dat hij veel Nederlands bijgeleerd heeft bij Vera die hij had leren kennen, denk ik, op een jeugdkamp in Broksele en met wie hij later getrouwd is.

Wido was dan zelf een levenwekker geworden.

In Kaaster slaagde hij erin, met de hulp van het KFV, om een cursus Nederlands op touw te zetten. Dank zij de Vlaamsgezinde maar Nederlands onkundige, toenmalige burgemeester van Kaaster, mevrouw Fanny Demey, dochter van een heel Vlaamsgezinde vader, meneer Demey, uit Hazebroek, die later in Ariën aan de Leie woonde. Hij mocht op haar steun rekenen en de cursus geven in het Kaasterse gemeentehuis. Wido was ook een bezielende, overtuigende leraar, zoals alle leraren Nederlands in Frans-Vlaanderen zouden moeten zijn. Behalve een groep jongeren had hij ook de secretaris van Kaaster als een van z’n leerders Bezield door Wido gaven twee van z’n oud-leerlingen later in Kaaster zelf een cursus Vlaamsch: Jan Karel Decoopman en Jan Paul Couchè. Deze laatste , Jean Paul Couchè is nu voorzitter van de Akademie van nuuze Vlaemsche taele die officieel in een vijftal scholen in Frans-Vlaanderen Vlaamse lessen kan laten geven, erkend door het Franse Ministerie van Onderwijs.

Wido is van meet af aan een jonge opstandeling geweest voor het recht om zichzelf te worden en die vreemde taal te vervangen door de eigen aloude moedertaal die al ruim duizend jaar door de voorouders gesproken werd en om z’n dierbare Frans-Vlaamse volk te bevrijden: dat onderjukte Vlaanderen zoals de veroveraar Lodewijk XIV het zelf genoemd had op een van z’n zegepenningen: La Flandre subjuguèe van 1677. Op die penning wordt de maagd van Vlaanderen voorgesteld neergezegen in zak en as. Wees es iemand van dat volk en dat te weten en niet opstandig te worden.

Alle verhoudingen in acht genomen kunnen we Wido Bourel de Rodenbach van Frans-Vlaanderen noemen. Sommigen hebben zich teruggetrokken. Wido heeft standgehouden en houdt nog altijd de vaan hoog. Hij blijft de Hekkerschreeuwer, die z’ ideaal trouw blijft, de Frans-Vlaamse Blauwvoeter. Wido z’n Nederlands beheerst hij nu mondeling als schriftelijk meer dan behoorlijk . Dat mogen we een wonder noemen, als we weten van hoe ver hij gekomen was, zoals hij zelf vertelt in "Erfenis zinder testament". Ook de publicatie van z’n twee boekjes Wintertijd in Vlaanderen en Erfenis zonder testament, en het terechte succes ervan kunnen we een wonder noemen. Een Frans-Vlaams wonder zoals het werk van EUVO.

Hij verdient de Snellaert-prijs en Snellaert zou trots op hem geweest zijn.

Wat ik vandaag ook wil benadrukken is de vreugde en het geluk dat een mens beleeft als hij als ’t ware ontwaakt tot wat hij eigenlijk onbewust was.

Wies Moens laat de Vlaamse meisjes die lange tijd weinig Vlaams bewust geweest waren , hun vreugde uitzingen met de woorden:

We hebben zo lang vergeten maar keren tot Vlaanderen weerom.

En ze waren bereid om de tinnen van Vlaanderen te kronen met eeuwig bloeiende mei, uiting van hun vreugde om hun terugkeer.

Of zoals Gezelle het uitdrukte in een leuze die zo veel jongeren ook in Frans-Vlaanderen tot Vlaams bewustzijn gebracht heeft: Wees Vlaming die God Vlaming schiep Wie gister nog onvlaming sliep, ontwake Vlaming nu. Die ontwaking gaat gepaard met een zalig gevoel, zoals Gantois schrijft op het eind van z’n boekje "Hoe ik mijn volk en mij taal terugvond ": "Mijn beloning heb ik sinds lang ontvangen, de hoogste beloning, het kostbaarste goed dat een mens op aarde kan bezitten en genieten: een Vaderland hebben om te beminnen". En hij had eraan kunnen toevoegen: "opnieuw eeuwen overgeërfde bloedeigen taal terug gevonden te hebben om er mij de sinds lange helemaal in uit te kunnen drukken zoals ontelbare vroegere generaties hadden kunnen doen". En wij mogen vandaag ook bekennen dat wij die getuigen geweest zijn van die ontluikende groei en bloei van het Vlaamse en Nederlandse bewustzijn van heel wat Frans-Vlaamse jongeren, bepaald van Wido, veel mooie uren beleefd hebben. Ik moet zeggen, ik beleefde het als een wonder, die lente van Vlaams, nieuw Nederlands leven in dat pijnlijk van ons afgescheurde stuk Nederlanden dat ons zo na aan het hart ligt. We hebben ons veel avonden na hun bezoek of andere ontmoetingen diep verheugd en gelukkig gevoeld . We zijn er Wido en die andere toen jonge Frans-Vlamingen innig dankbaar voor.

Wat we nu zien gebeuren in Frans-Vlaanderen , zien we met gemengde gevoelens. De taal gaat zienderogen achteruit maar daartegenover is de bevolking over ’t algemeen teruggekeerd tot een blij zich uiten als Vlamingen ook al is het in het Frans: de ruim zevenhonderd Vlaamse huisnaambordjes van EUVO, de vele Vlaamse leeuwenvlaggen, zo goed als zeker nergens nog vijandigheid tegen de oude taal, integendeel. Maar alleen weinig , al te weinig jongeren die nog Vlaams of al Nederlands spreken .

Wido, wat doen we eraan? Mocht jij een lichtend voorbeeld kunnen zijn. Ik zou hopen dat je je boekjes in het Frans vertaalt en verspreidt. Dan horen ze het van wat ze daar noemen ’een ware Vlaming’.

Cyriel Moeyaert

 

 

randomness