Frans-Vlaamse voorman René Despicht verliet ons vijftig jaar geleden

50 jaar geleden, op 6 maart 1960, overleed in het stadje Steenvoorde de bekende Frans-Vlaamse voorman, taal- en volkskundige René Despicht. Hij was de eerste hoogleraar in de Nederlandse taal en letterkunde aan de vrije universiteit voor wijsbegeerte en letteren te Rijsel, een leerstoel die in 1926 werd opgericht.

René Despicht overleed enkele dagen voor zijn 90ste verjaardag. Hij werd geboren op 25 maart 1870 te Ochtezeele, een sfeervol en rustig dorpje, niet ver van de Kasselberg gelegen. Zijn ouders, kleine landbouwers, voedden hem op in het "Vlaamsch". Tot voor de Tweede Wereldoorlog was dit nog algemeen bij de landelijke bevolking in de Westhoek van de Franse Nederlanden.

In 1875 verhuisde de familie Despicht naar Arneke waar René lager onderwijs genoot. Later studeerde hij in het klein seminarie te Hazebroek en zette zijn studies verder in het groot seminarie te Rijsel. Aan de Rijselse universiteit volgde hij ook Germaanse filologie. Hij behaalde er het licentiaat en werd in 1898 tot priester gewijd.

Het was aan de universiteit van Rijsel dat hij kennis maakte met Prof. Kamiel Looten, docent Engelse taal en letterkunde, voorzitter van het Comité Flamand de France, en erevoorzitter van het Vlaams Verbond van Frankrijk. Looten werd spoedig een goed vriend en vertrouweling van René Despicht en zou zijn leerling blijven beïnvloeden tot aan zijn dood in 1941.

"Een krakende karre da’ rydt varre"

In 1903 werd René Despicht medepastoor te Zegerskapel. Daar was hij dikwijls te gast bij Julien Blanckaert, een rechtstreekse afstammeling van een der zeven Blanckaerts die, aan de zijde van Nikolaas Zannekin, in de slag bij Kassel, in 1328 sneuvelden. Zoals de Frans-Vlaamse leider Jean-Marie Gantois schreef groeide Zegerskapel dankzij hen tot " een burcht van Nederlands gevoel en bewustzijn" (het graf van Justin Blanckaert is nog steeds te vinden op het kerkhof van Zegerskapel, met als opschrift " Hier rust een Vlaming".)

René Despicht bleef te Zegerskapel tot in 1914, het jaar dat hij werd gemobiliseerd als tolk bij het hoofdkwartier van de Engels-Franse verbindingsdiensten.

Na de oorlog zou hij kapelaan worden te Winezele maar moest wegens zijn bijzonder wankelende gezondheid definitief ontslag nemen. Deze zwakke lichamelijke toestand zou hem zijn hele leven beletten zijn ambten uit te oefenen.

Nochtans werd hij negentig jaar oud en verklaarde zijn hoge leeftijd met de leuze " een krakende karre da’ rydt varre" (’t zijn de krakende wagens die het verste rijden). Van elke ambtsverplichting vrijgesteld kon Despicht zich ten volle en uisluitend inzetten voor de Vlaamse heropleving in Frans-Vlaanderen . Na zijn vertrek uit Winezele ging hij op rust in Steenvoorde waar hij bleef wonen en werken tot aan zijn dood.

Volkskundige

Er is heel wat te vertellen over het werk van René Despicht. Ondanks het feit dat zijn geschriften nooit in boekvorm zijn verschenen was hij toch bijzonder actief als volkskundige, essayist en dichter.

Jean-Marie Gantois getuigde: " hij schreef zeer veel. Maar hij voelde er weinig voor zijn pennenvruchten bekend te maken. Gelukkig was hij door zijn vrienden en leerlingen bijgestaan die hem zijn handschriften, om zo te zeggen, uit de handen rukten en aan tijdschriften en uitgavenreeksen toevertrouwden. "

R. Despicht schreef dikwijls naamloos en onder schuilnamen. Dit maakt het soms moeilijk zijn talloze werken na te gaan.

Reeds tussen 1900 en 1914 was hij de anonieme samensteller van de Tisje Tasje’s Almanak, uitgegeven door het Comité Flamand de France, toen nog Vlaemsch Comiteyt van Frankryk. Tise Tasje’s Almanak werd op 6000 exemplaren verspreid, een zeer grote oplage voor het begin van de eeuw.

Deze almanakken waren wondermooie stukken volkscultuur, uitsluitend in het Nederlands opgesteld. Zij bevatten talrijke gegevens over zonsopgang en –ondergang , maanstanden, enz., inlichtingen die van uiterst belang waren voor de landelijke bevolking. Ook vertellingen, liederen, spreekwoorden en weerspreuken werden er in opgenomen.

Tisje Tasje’s Almanak was niet alleen een praktisch werktuig maar bracht de Frans-Vlamingen ook in nauwer contact met de Nederlandse volkscultuur.

Met de eerste wereldoorlog kwam er een einde aan dit succesvol initiatief. Maar voor vele oudere mensen in Frans-Vlaanderen blijft de herinnering aan de Tisje Tasje’s Almanak nog altijd levend

Hoogleraar Nederlands

René Despicht werkte mee aan zowat alle regionalistische tijdschriften die, na de eerste wereldoorlog, in Frans-Vlaanderen groeiden. Enkele namen: Le Beffroi de Flandre (1919-1928), Mercure de Flandre (1922-1931), en de Vlaemsche stemme in Vrankryk (1923-1926). Hij verleende ook zijn medewerking aan het Vlaams Verbond van Frankrijk: vele van zijn bijdragen vindt men terug in de twee tijdschriften van het VVF nl. Le Lion de Flandre en De Torrewachter (1929-1944). Van dit laatste werd hij de belangrijkste stuwkracht.

Op 18 november 1926 verkreeg René Despicht, dankzij de inzet van Prof. Dr. Camiel Looten, de leerstoel voor Nederlandse taal en letterkunde, de eerste in Frans-Vlaanderen, aan de vrije universiteit te Rijsel. Een hoogtepunt in de levensloop van deze Frans-Vlaming en een belangrijke datum in de geschiedenis van de Vlaamse heropleving in de Franse Nederlanden.

Dichter van ’t Beenvoordebos

De Frans-Vlaanderenkenner en taalkundige Cyriel Moeyaert prees in meerdere studies de uitzonderlijke taalkennis van René Despicht. Despicht was inderdaad een der belangrijkste vertegenwoordigers van de Frans-Vlaamse volksziel in de vorige eeuw. Zijn taal, verworteld in de waarden van zijn eigen volk en streek, was een merkwaardige synthese van een erfenis van eeuwen, van een volksfilosofie van rijmen en spreekwoorden die eenvoudige maar krachtige richtlijnen waren voor het dagelijks leven van onze voorouders.

Naast de uitzonderlijk kennis van de Nederlandse taal dient vermeld dat René Despicht een bijzondere aanleg had voor talen: als student en later als autodidact studeerde hij niet minder dan twaalf talen, waaronder het Portugees en het Russisch.

Ton hij de Frans-Vlaamse streektaal bestudeerde bezocht professor Dr. Willem Pée meermaals R. Despicht te Steenvoorde. Hij trof hem dikwijls aan, lezend of dichtend in het Beenvoordebos, zijn geliefkoosde plaats waar hij een hutje had laten bouwen en waar hij, van de lente tot de herfst, midden de natuur, om inspiratie zocht. Willem Pée erkende in René Despicht " een knap linguïst die, in de eenzaamheid, door noeste vlijt zich een schat van taalkennis wist eigen te maken.

Tot in zijn laatste levensdagen bleef René Despicht trouw aan de idealen van zijn jeugd. Wij vinden nog artikels van hem, die hij nog op hoge leeftijd schreef, in het tijdschrift Notre Flandre- Zuid-Vlaamse Heem (1951-1968), het eerste Frans-Vlaamse tijdschrift dat opnieuw verscheen nadat de Vlaamse beweging in Frankrijk volledig werd ontmanteld door de repressie, na de tweede wereldoorlog.

In 1958 werd het rijk gevulde leven van René Despicht gevierd door zijn trouwe vrienden n.a.v. zijn priesterjubileum. Te leiden werd hij ook tot lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde benoemd. Een eenvoudige bekroning van het leven van deze Frans-Vlaming van formaat.

Vijftig jaar gelden is hij, rustig als hij was, heengegaan. Hij werd begraven in het stadje Steenvoorde, in goede Vlaamse grond.

Wido Bourel

 

Deze tekst verscheen oorspronkelijk in Gazet van Antwerpen van 12.03.1980

 

 

randomness