De Zee

De zee

De zee is altijd schoon, altijd groots.

Net als de oppervlakte van het droge land, heeft het bed der zee grote ongelijkheden: vlakten, bergen en dalen van verschillende afmetingen.

Tussen Schotland en New-Foudland, gemiddeld 300 meters onder de waterspiegel, strekt zich een grote vlakte uit. Op die vlakte liggen de onderzeese telegraafkabels.

Zuidwaarts heeft de Atlantische oceaan diepten van 8000 meters.

De Noordzee, ingesloten tussen Engeland, Frankrijk, België en Holland, is integendeel niet diep. Allen tussen Schotland en Noorwegen heeft men diepten van 140 meters gepeild.

Nochtans vindt men daar ook hoogten en laagten: banken of diepten. De vissers kennen de Paardenmarkt, benoorden Knokke; de banken van Heist; Lissewege en Wenduine; de Stroombank, voor Oostende; de bank van Nieuwpoort; de Smalbank, in de nabijheid van de Panne; de Breedbank, de Binnenratel, de Hills en de Ruitingen voor Duinkerke.

Al die banken zijn nagenoeg een mijl van de kust verwijderd. Ook maken zij de scheepvaart moeilijk.Hier en daar is nochtans een diepte: de kleine en de grote Reede, langs de Stroombank; het Westdiep, voor Middelkerke; de diepte van Zuidcote en de rede van Duinkerke, voor de Breedbank.

Iedereen weet, dat de zon en de maan een zekere aantrekking op onze aarde uitoefenen. De wateren zijn daar zeer gevoelig aan, en dit uit hoofde van hun grote beweeglijkheid. Zo ontstaan de tijen, de opeenvolgende rijzing en daling van het water der zee: de vloed en de ebbe.

De tijen zijn het hoogst tussen de keerkringen, omdat de oppervlakte der aarde aldaar dichter bij de maan ligt. Naarmate men zich, in noordelijke of zuidelijke richting, van de keerkringen verwijdert, verminderen de tijen trapsgewijze.

Men beschouwt de zuidelijke wereldzee, die zich onafgebroken rondom de aardbol uitstrekt, als de watervlakte, waar de hoogste tijgolven afspringen. Vandaar dringen deze in de Atlantische, de Indische en in de Stille oceaan.

In de Atlantische oceaan, tussen de westkust der Oude en de oostkust van de Nieuwe wereld, krijgen de tijen een noordelijke loop.

De vloed die voorbij de monding van de Congostroom drijft, bereikt tien uren nadien de hoogte van New-Foundland. Dan steekt hij in ruim drie uren de oceaan over.

Nabij de Britse eilanden scheidt het water zich in twee massa’s. De ene stroomt langs de kusten van schotland, en komt, twaalf uren na New-Foundland verlaten te hebben, in Aberdeen aan.

De andere massa golft in het Kanaal , tussen Engeland en Frankrijk, en bereikt Duinkerke. In een uur stroomt het hoog water van Duinkerke naar Vlissingen, in twee uren naar Scheveningen, in zes uren naar de noordkust van Holland.

De geleerden schatten, dat de tijgolven in de Noordzee slechts tachtig kilometers in een uur afleggen.

Het gebeurt meermaals per jaar, dat de zon en de maan tegenover elkander komen. In dit geval veroorzaken hun verenigde aantrekkingen hogere tien of springvloeden.

Wij hebben reeds aangestipt, dat zulke vloeden grote verwoestingen kunnen aanrichten. Dit gebeurde zeer dikwijls tussen Kales en het dorp Sangatte. Enkele malen bereikte het instromende zeewater de stad Guines. In ons eigen land werden nog in het voorjaar van 1906 de provinciën Oost-Vlaanderen en Antwerpen zwaar beproefd.

Er bestaat een andere beweging in de wateren der zee. Men noemt ze stroming.

De warme stromingen drijven op de oppervlakte en richten zich van de Evenaar naar de Polen. De koude stromen vloeien in de diepte van de twee ijszeeën naar de Evenaar.

Voor ons is de Golfstroom ver de voornaamste. Hij ontstaat in de golf van Mexico, drijft door de engte van Florida en volgt daarna de kust van Noord-Amerika tot tegen New-Foundland. Hier richt hij zich naar de Britse eilanden, waar hij zich verdeelt. De ene helft vloeit langs Noorwegen naar de Noord IJszee; de andere helft gaat langs Spanje den Evenaarstroom vervoegen. Nochtans komt ook een gedeelte van de Golfstroom door het Kanaal naar de Noordzee.

Al die bewegingen stuwen noodzakelijk overgrote massa’s zand door het smalle Nauw van Kales. Dit zand droogt op de zachte helling van het strand, en wordt dan door de wind opgejaagd en naar de duinen verdreven.

Wij hebben gezegd, dat de zee altijd schoon, altijd groots is.

Het is avond. De duisternis verbergt de grote watervlakte.

Hoor eens, hoe de baren ruisen en bruisen!

Bij het licht, dat uit de villa’s en gasthoven straalt ontdekken wij in de verte en wit plekje. Het is lillend schuim, dat aangroeit tot een lange streep, en nu met een zwellende baar dreigend naar de oever rolt. Nieuwe baren komen even schuimend, even dreigend op, en alle sterven tegen de dijk even machteloos weg. En de vriendelijke starren staren rustig het grootse schouwspel aan.

Het is morgen. De lucht is helder, en de zon werpt haar milde stralen over land en water. In de nabijheid schijnt de zee geelgroen te zijn; in de verte is zij wasemig donker.

Kleine golven rollen kabbelend naar het strand. Schuiten met witte of rode zeilen varen het Oosten in. In de verte spuwt de schouw van een stoomschip, lange rookwolken in de lucht.

Straks beschouwden wij de zee in haar teugelloze macht, in haar ontzettende majesteit, nu is zij stil, lief als het gelaat van een lachend kind.

 

Uit het boek in Fransch-Vlaanderen door Theodoor Sevens, 1909

 

 

randomness