De bussebomen zijn naar de wuppe

In zijn cyclus over Pasen* stelt de Franse folklorist van Nederlandse oorsprong Arnold van Gennep (1873-1957) vast dat, met Pasen, in Frankrijk, alleen in het Noorden de gewijde twijgen van de busseboom of buxus veelvuldig worden gebruikt. In andere streken in Frankrijk, schrijft hij nog, wordt hiervoor niet de buxus maar de hulst of de laurier, en, in zuiderse landen, ook wel eens de olijfboom benut.

De buxus deelt Vlaanderen en Nederland met Engeland, Schotland, Wallonië en ook West- en Zuid-Duitsland. Binnen dat  gebied moet dit boompje ooit inheems zijn geweest.

Buxus, hulst, laurier: het zijn allemaal wintergroene bomen waarvan de  twijgen voor onze voorouders stonden als zinnebeeld van levenskracht. Frans van Immerseel* schrijft ook: “het bukshout  is tevens zinnebeeld van de hoop. Het ‘semper virens’ blijft altijd groen in winter en zomer en betekent het eeuwig blijvend geloof van een volk”.

(lees verder onder de foto)

Magisch boompje

De christelijke traditie rond Pasen is allesomvattend. Men zou bijna over het hoofd zien dat ook heel  wat oude voorchristelijke lenterituelen en tradities nog  verweven zijn met het Paasfeest. Pasen staat in het teken van het ontwaken van de natuur, de overwinning van het licht op de duisternis en van de zomer op de winter. Oostermaand, de  in onbruik geraakte aloude naam voor de maand april in onze streken, is een oude voorchristelijke  benaming voor deze periode van het jaar: Ostern in het Duits, en Easter in het Engels.

De palmboom van de Christenen en de Joden is echter de echte palmboom of dadelpalm (phoenix dactylifera), boom die veel voorkomt in de Bijbelse landen. Niet te verwarren met  ons palmboompje, de buxus of busseboom (buxus sempervirens). De buxus was in de Griekse oudheid  gewijd aan Pluto, de god van de onderwereld ; aan Venus, de godin van de liefde ; en aan de Moedergodin Cybele.

Cybele was het symbool van vruchtbaarheid, de kracht in de aarde of in het graan. Als Oermoeder van alle prehistorische godheden draagt ze een sleutel die de poorten van de aarde opent met alle rijkdommen die iedere lente laat ontspruiten. Cybele was de godin van de natuur en van de vegetatie, van de heropstanding van de lente na de dood van de winter.

In Toscane, lang geleden, vervaardigde men fluitjes uit buxushout, speciaal voor religieuze rituelen. Het hout van de buxus is bijzonder vast en duurzaam. Het trotseert zelfs het vuur, wist Plinius de Oudere al in het begin van onze tijdrekening. Het  wordt nog steeds gebruikt voor het maken van allerlei muziekinstrumenten als blokfluiten, barokhobo’s en traverso’s. Er werden ook  kleine voorwerpen mee vervaardigd, dikwijls  met een religieuze of symbolische inslag, zoals gebedsnoten, zetletters,  rozenkransen, kruisbeelden, weefspoelen, schaakstukken, enz.

Ook voor de Galliërs was de buxus een magische plant die een belangrijke plaats innam in godsdienstige rituelen. In landen met dominante Germaanse cultuur verwijzen heel wat gewoonten en tradities eveneens naar een oudere  verering voor deze boom in de opkomende lente. De gewijde twijgen van de bussenboom verwijzen naar aloude heidense sporen, net  als  het halen van paaswater, het rapen en eten van paaseieren, het ontsteken van lentevuren zoals het Borellefeest in Dranouter. Vroeger bakte men ook  paasbrood en allerlei vormen van koeken en gebak. Bijna overal in de oude Nederlanden werden  palmpasens in vele vormen in elkaar geknutseld. Guido Gezelle noemt de palmpaas voor West- en Frans-Vlaanderen “een palmsteert, een lange krulswijs ontspeeld, met bosseboom (busseboom ) en blommen gepint, die op Palme-Zondag meegedaan wordt naar de kerk om aldaar gewijd te worden”.

Bij ons thuis

De twijgen van de bussenboom werden, na wijding in de kerk, benut voor allerlei vormen van bescherming en bijgeloof. Bij ons thuis, en ook bij mijn grootouders, hing overal in elke kamer buxus achter het kruisbeeld. Elk jaar met Pasen werd het vernieuwd.

In de tuin, op de akkers en op elk stuk grond werden buxustwijgen in de grond gestoken. Het was niet de bedoeling, aldus grootvader, dat die twijgen wortel zouden schieten. Ze moesten elk jaar worden vervangen en de nog  levende twijgjes van het jaar voordien, uitgetrokken.

Bij mijn grootouders kon je er niet naast kijken:  een twijg van de bussenboom hing ook  boven de voor – achterdeur van het huis, achter de klok, en ook op zolder. Ik vermoed dat er ook een heel  reserve aan  gewijde palmtakjes in huis werden bewaard. Want bij zwaar onweer ging grootmoeder wel eens aan in de open voordeur staan, gewapend met een hele bos bussenboomtwijgen in de hand die ze voordien lichtjes had laten  aanbranden, schuddend richting de boze hemel en luidop biddend dat men gespaard zou blijven van  dunder en van blesmer. En het hielp …

Volgens grootvader moest zo een bussemboomtakje op elke uithoek van de akker. En niet op één uithoek zoals sommigen dat deden. Opvallend was dat grootvader niet rond de akker liep om dit te doen. Hij volgde de lijnen van een X of van een Andrieskruis, diagonaal dus.  Waarom moest dat zo? ‘Het was azo’, antwoordde hij, en ik moest verder geen moeilijke vragen stellen. Hij wist niet waarom, maar zo had zijn vader het hem ooit voorgedaan en deze wijsheid was wet.

Je moest er nog vroeg voor opstaan ook want het steken van die twijgen aan de uithoek van de akker moest  nuchter gebeuren. Grootvader leerde me ook de neerslag van de dauw in de palm van de hand laten lopen en dan opdrinken. Enkel water van de dauw mocht op een nuchtere maag zei hij.

Herinneringen aan de Paastijd

Pasen, was thuis uiteraard de tijd voor grote schoonmaak. En de  kinderen kregen dan de lang beloofde nieuwe kleren.

Op goede vrijdag en ook de dag voordien, op witte donderdag   liepen in  Kaaster, ons dorp, de misdienaars van huis tot huis en van boerderij tot boerderij om eieren te vragen. Ze draaiden hevig met hun luidruchtige houten ratels. Iemand vertelde me ooit dat ze wellicht ook van buxushout waren gemaakt. Volgens A.P. van Gilst “een uitgesproken vruchtbaarheidsgebruik dat nog in weinig plaatsen bekendheid geniet”*. Als de deur van een huis openging was het om de misdienaars eieren,  geen chocolade- maar echte eieren, mee te geven. Ik ben er niet meer zeker van, maar ik denk dat deze eieren later aan de armere gezinnen werden uitgedeeld. Mijn moeder vertelde  ons dat de houten ratels  ‘het geluid van de klokken, die naar Rome waren gevlogen’ vervingen…

Oeroud bijgeloof

Deze oeroude formules van bijgeloof heb ik nog van mijn ouders en grootouders gehoord:

Brood, gebakken op goede vrijdag, kan niet slecht worden. Een stukje brood werd bewaard om bij ziekte toe te dienen.

Water gewijd op goede vrijdag geneest alle ziektes en werd gebruikt om stervenden te zegenen.

Het drinken van dauwwater op een nuchtere maag  heeft een zuiverend, geneeskrachtig effect.

Men moet  assen van het vuur aangestoken op goede vrijdag bewaren. Ze beschermen het huis.

Een wichelroede moet men op goede vrijdag snijden.

Een kind geboren op goede vrijdag brengt geluk.

Een kind geboren op goede vrijdag heeft de bijzondere gave mensen te genezen.

Een bussenboomtwijgje op zolder beschermt het huis tegen een blikseminslag. Hangt het boven  de deur van het huis  dan blijven de boze geesten buiten.

En ook  deze weervoorspellingen:

Een natte Goede Week laat de aarde niet in de steek.

De wind die blaast op Palmzondag zal het hele jaar de heersende wind zijn.

‘Naar de wuppe’

In Kaaster heb je ook langs de oude Heerweg  een gehucht die de Bussenboom noemt. Het was ook de naam van een plaatselijke aloude herberg. Een bussenboom was vroeger in zowat alle Frans-Vlaamse tuinen aanwezig en beschermde mensen, dieren en planten van onheil. Soms prachtige oude exemplaren deskundig gesnoeid door de tuinman des huizes. Het is niet toevallig dat, sinds de buxusmot zo veel bussenbomen heeft vernield, de wereld stilaan naar de wuppe is.

 

*Arnold van Gennep, Le folklore de la Flandre et du Hainaut français, 1936.

*A.P. van Gilst, Het Paasfeest in geschiedenis en volksgebruiken, Enschede, 1992.

* Marcel De Cleene en Marie-Claire Lejeune, Compendium van de rituele planten in Europa, 1999.