Casselkoeien

Guido Gezelle

Aanschouwt mij, hier en daar,
die bende Casselkoeien;
die, louter bruin van haar,
als zoveel blommen bloeien
in 't gers en in de zon, die zinkend, henentiet:
die, rood, het rode veld vol rode vonken giet.

't Is prachtig overal,
't Is prachtig, hoe de huiden
dier koeien liefgetal
van vouwe en verwen luiden,
't is prachtig, hoe ze staan, gebeiteld en gesneen,
lijk beelden, over heel die wijde weide heen.

Daar zijnder, rode als vier;
kastanjebruin geboende;
naar donkerbaaide bier,
naar bijkans zwart bier doende;
beglinsterd en beglansd: van vel en verwigheid,
gelijk en ongelijk, - terwijl de zonne beidt.

Al langzaam langer speelt,
dwersdeur de weidegronden,
't zij welker koe een beeld
van schaduw bijgebonden;
en, wangedrochtig groot, in 't donker gers voortaan,
zie 'k zwarte spoken van gevlerkte koeien staan.

Goên nacht! De zonne beet
ten neste neer: tot morgen,
is al dat verwe heet,
en ogen aast, verborgen:
de koeien zijn voorbij: gedelgd en uitgedoofd,
en... morgen weer, ontwekt ze 't blinkend zonnehoofd.

(uit: Rijmsnoer om en om het jaar, 1897)

 

 

randomness