André

Ik leerde André Demedts kennen in 1972. Vanaf toen reed ik regelmatig met de fiets naar Kortrijk. Telkens werd ik in de Condédreef als een koning ontvangen.

Het was André die me voorstelde om voor de toenmalige BRT West-Vlaanderen nieuws te brengen over Frans-Vlaanderen. Ik hield vanaf dan regelmatig een radiopraatje - toen nog in schabouwelijk Nederlands - over Frans-Vlaanderen voor het programma De Zonnewijzer.

Hij introduceerde me ook bij de plaatselijke notabelen. Zo werd ik op een dag onverwachts door hem gestuurd naar een zekere ... Vandekerckove gestuurd om financiële steun voor Frans-Vlaanderen in ontvangst te nemen. Zonder op dat ogenblik te weten wie de man werkelijk was praatte ik een hele namiddag met Michiel Vandekerckhove over onze activiteiten en projecten. Een bezoek om nooit te vergeten.

Toen ik André bekend maakte dat ik één jaar in Vlaanderen wou komen werken om mijn Nederlands te verbeteren, hielp hij me - binnen de maand! - aan een job. Ik kon kiezen tussen werken bij een boomkweker in Roeselare (ik dacht toen nog aan studies tuinarchitectuur ...) of in de boekhandel van de VTB in Antwerpen. Ik koos voor dat laatste en deze stap heeft dan ook mijn verder leven bepaald.

Op een dag gaf ik André toe dat ik zijn literaire oeuvre nog niet kende. Hij antwoordde simpelweg : "Het heeft geen belang". Bij een volgend bezoek gaf hij me dan een blad met de tekst van zijn gedicht De erfenis, door hem stijlvol overgeschreven en ondertekend.

De erfenis

Zij kwamen en namen het land. Zij stalden hun paarden,
zij begrensden met één enkelen blik hun nieuw gebied.
De mannen slaafden, de vrouwen baarden
er was niet één onder hen, die het leven verried.

De wildernis door wind en water gehavend,
het bos en moeras werd een vruchtbaar veld.
De dagen en jaren vergingen, morgen en avond,
men viel op het werk toen de tijd was volteld.

Een ander stond op : zij werkten en zwegen,
zij deden hun zin, zij schikten de wegen,
de eeuwen verliepen, doch hun bruisende bloed
sloeg telkens weer over, hun kracht en hun moed
verstilden tot deernis en liefde voor haar, voor de vrouw,
die hun kinderen dragen en liefhebben wou.

Nu liggen zij stil en gerust in hun aarde gedolven
en ik nam hun alaam, en ik kreeg het gebied.
ik erfde het bloed, voor mij is het golven,
het rijzen en het dalen van land en van groen
tot waar dat mijn blik geen keuren meer ziet.
Voor mij is het stormen, de jeugd en het vuur,
de rijzende zon, het koren dat groeit,
zo lang als ik leef, zo lang als ik duur,
tot dat voor het laatst de hazelaar bloeit.

Tot dat wat ik kreeg mij weer wordt ontnomen
en mijn hart door de dood wordt beklemd;
dan zal hij er zijn, dan zal hij wel komen
wiens helmende lach mijn snik overstemt,
dan erft hij van eeuwen de smart en de tover,
zij worden zijn vreugde, zij worden zijn straf,
te zaam met het recht om onder het lover
te vermolmen tot aarde in ’t eenzame graf.

André Demedts