Dankwoord n.a.v. de uitreiking van de Dr. Ferdinand Snellaertprijs 2010 in het stadhuis van Belle (Frans-Vlaanderen), op zaterdag 7 mei 2011

Dames en heren, Beste vrienden,

Ik wil de jury van de VVNA hartelijk danken voor de toekenning van de Snellaertprijs. Ook voor de vriendelijke woorden die hier zijn uitgesproken, niet in het minst door mijn goede vriend en promotor Cyriel Moeyaert. Dank u allemaal.

Ik ben mij bewust van mijn beperkingen als het gaat over de Nederlandse taal en het schrijven in deze taal. Gelukkig heeft de jury in haar wijsheid met deze prijs ook hulde willen brengen, en ik citeer “aan alle Frans-Vlamingen die door het geschreven woord de Nederlanden in Frankrijk levend houden”.

Ik draag deze lezing op aan al deze bekende en minder bekende schrijvende Frans-Vlamingen die voor de Nederlandse gedachte ijveren, als hulde aan hun inzet.

Wintertijd in Frans-Vlaanderen, het bescheiden essay dat u vandaag hebt bekroond, heb ik geschreven in dankbare herinnering aan mijn grootouders. Voor hen was het Vlaams nog hun moedertaal en het Frans een vreemde taal die ze op school hadden geleerd. Dat was een andere wereld. Dat was een tijd toen de grootouders nog verhalen vertelden aan hun kleinkinderen.

Een van deze waar gebeurde verhalen was een belevenis van mijn grootvader, die gevangen werd genomen in de slag om Duinkerken, in het begin van de Tweede oorlog "nog voor het Franse leger de tijd kreeg om ons geweren uit te delen", zoals hij zei. Als krijgsgevangene werd hij naar Oost-Pruisen getransporteerd (in het huidige Polen) en ondergebracht op een boerderij in de streek van Allenstein. Hij vertelde mij dat hij als tolk fungeerde tussen de plaatselijke bevolking en zijn Franse lotgenoten in krijgsgevangenschap.

Vroeger dacht ik dat hij overdreef. Hoe kon hij tolk zijn zonder Duits te kennen? Of was hij zijn Duits vergeten na al die jaren? Het is maar vele jaren later dat ik begrepen heb dat hij zich van het Vlaams van bij ons bediende om te communiceren met de Duitsers die hem, op zo’n 1500 km van zijn geboortedorp Kaaster, antwoordden in hun Nederduits, de voertaal in Oost-Pruisen die vrij makkelijk te begrijpen is voor al wie de taal van de Westhoek spreekt.

Dit soort anekdoten liet me niet onberoerd en gaf me zin om er meer over te weten te komen, over de talen die werden gesproken rondom de Noord- en de Oostzee, met om te beginnen, natuurlijk het Nederlands.

En toen heb ik kennis gemaakt met een oude Vlaamse militant die in Hazebroek woonde: meester Nicolas Bourgois. Ik was nog maar vijftien en ik werd dadelijk gefascineerd door zijn encyclopedische kennis over Vlaanderen en door zijn talent als schrijver en historicus, opgeleid aan de Ecole Normale Supérieure. Op een dag vertelde hij mij een verhaal over een oude senator van de Derde Republiek, Auguste Potié, die ook 35 jaar lang burgemeester was van het stadje Harbodem (Haubourdin), waar een straatnaam nog aan hem herinnert. Het is de oude senator Potié zelf die aan Bourgeois het verhaal had gedaan van een gebeurtenis die een beslissende stempel had gedrukt op zijn jeugd.

Ik laat het woord aan mijn oude vriend Bourgeois. “We waren op het einde van de19de eeuw. Vader Potié, een industrieel, roept zijn meestergast bij zich, een taaie rakker afkomstig uit Belle, en zegt hem wat volgt : 'Auguste wordt binnenkort twintig. Hier is een omslag met een mooie som erin. Ga samen naar Duinkerke, volg de kustlijn over Antwerpen, Rotterdam en Hamburg tot je aan een kleine rivier komt die Aa heet, precies zoals degene die bij Grevelingen in de Noordzee uitmondt. Keer dan terug per boot via Denemarken en Zweden en maak een omwegje langs een kleine haven in Kent. Jij kent Vlaams uit je geboortestad Belle. Mijn zoon heeft het in zijn bloed. Lees onderweg de opschriften en probeer met de inwoners te praten. Dat is de beste opvoeding die ik aan mijn zoon nog kan geven alvorens hij met zijn actieve leven begint”.

Het is dit waar gebeurde verhaal, uit de tijd dat de Vlamingen in mijn streek nog wisten dat Antwerpen minder ver was dat Parijs, het is dit verhaal dat mij op een mooie dag heeft geïnspireerd om op mijn beurt de ronde van de Noordzee aan te vatten. Zoals de oude vader Potié vond ik dat dit een betere opleiding was dan te vertoeven in de scholen van het centralistische en jacobijnse Frankrijk van de jaren ’70, waarin mij het elementaire recht werd ontzegd de taal en de cultuur te leren van mijn voorvaderen en mijn Europese buren. Ik heb dus de voorkeur gegeven aan directe contacten en ontmoetingen, om te beginnen in ons oude Vlaanderen, vervolgens in Nederland en dan verder reizend door alle landen die aan de Noordzeekust liggen. Daarom zeg ik, naar het woord van de Frans-Engelse schrijver Hilaire Belloc : Mijn vaderland is de Noordzee.

Ik blijf er in geloven dat het oversteken van de schreve nog steeds de beste scholing is voor jonge Vlamingen uit Frankrijk. Trek door Vlaanderen, reis door Nederland, neem deel aan gemeenschappelijke vakanties en stages, aan uitwisselingsprogramma’s voor studenten en aan groepswerken, ga studeren aan de oudste universiteiten van Europa, in Leuven, Leiden, Delft en elders. Deze programma’s dragen niet voor niets de naam van Erasmus, de grootste Nederlandse en Europese humanist.

Voor wie wil ontkomen aan hexagonale verstikking geeft niets meer zuurstof en bezieling, dan de ruimte en de zeebries rond de Noordzee.

Ik dank u.

Wido Bourel

Voor de laudatio van Cyriel Moyeaert klik hier.

(Trefwoorden: Wido Bourel; Dr. Ferdinand Snellaertprijs ; Vereniging van Vlaams-Nationale Auteurs; VVNA ; Frans-Vlaanderen ; Belle/ Bailleul)